ECLI:NL:RBLIM:2026:2430

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
16 maart 2026
Publicatiedatum
16 maart 2026
Zaaknummer
12097607 CV EXPL 26-767
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80 lid 2 RvArt. 6:119 BWArt. 149 RvArt. 444 RvArt. 555 e.v. Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontruiming van appartement wegens vernielingen en overlast door kwetsbare huurder

Op 1 december 2024 sloten Currahee Beheer B.V. en [huurder] een huurovereenkomst voor een appartement in een pand met kwetsbare bewoners. De huurder staat onder begeleiding vanwege psychiatrische problemen. In een addendum zijn bindende voorwaarden opgenomen om de veiligheid van alle bewoners te waarborgen.

In januari 2026 bracht de huurder ernstige vernielingen aan in het appartement, waaronder schade aan de meterkast, gas- en elektriciteitsmeter, plafonds, ramen, muren en keukenkastjes. Tevens veroorzaakte hij overlast door nachtelijk schreeuwen en agressief gedrag. Currahee deed aangifte en vorderde ontruiming met betaling van schadevergoeding.

De huurder verscheen niet op de zitting en betwistte de gedragingen niet gemotiveerd. De kantonrechter achtte de vernielingen en overlast voldoende aannemelijk en stelde vast dat de huurder niet als goed huurder heeft gehandeld. Gezien de ernst van de situatie en de veiligheid van andere bewoners weegt het belang van de verhuurder zwaarder.

De kantonrechter wees de ontruimingsvordering toe met een termijn van veertien dagen en veroordeelde de huurder tot betaling van proceskosten. Vorderingen tot huurachterstand en incassokosten werden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurder wordt binnen veertien dagen ontruimd wegens ernstige vernielingen en overlast, met veroordeling in proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 12097607 CV EXPL 26-767
Vonnis in kort geding van 16 maart 2026
in de zaak van
CURRAHEE BEHEER B.V.,
te Landgraaf,
eisende partij,
hierna te noemen: Currahee,
gemachtigde: mr. S. Senden,
tegen
[huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de producties van Currahee
- de mondelinge behandeling van 9 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van Currahee
- het op 10 maart 2026 ontvangen verzoek van Currahee.

2.De feiten

2.1.
Op 1 december 2024 zijn partijen een huurovereenkomst aangegaan, waarbij Currahee het appartement aan [adres] verhuurt aan [huurder] . Het gehuurde bevindt zich in een pand dat bewoond wordt door een kwetsbare doelgroep.
[huurder] zelf staat onder begeleiding van [beleiding] .
2.2.
In artikel 14 van Pro de huurovereenkomst is opgenomen:
Tevens wordt aangemerkt dat de huurder bij het aangaan van deze huurovereenkomst onder begeleiding staat van [beleiding] . Wanneer de huurder niet meer begeleid wordt door [beleiding] dan wel een andere gelijkwaardige instelling behoudt verhuurder zich het recht voor de huurovereenkomst per omgaande te beëindigen.
2.3.
In een addendum bij de huurovereenkomst “Voorwaarden begeleiding en wonen”, opgesteld door [beleiding] en Currahee en ondertekend door [huurder] en [beleiding] , zijn bindende voorwaarden opgenomen. De voorwaarden zien op het waarborgen van de veiligheid van [huurder] en de medebewoners. Het addendum sluit af met:
Worden bovenstaande afspraken niet nagekomen zullen we, in samenspraak met de verhuurder, overgaan tot uitzetting. Als dit gebeurt, zullen we wel samen naar een andere oplossing kijken.
2.4.
Currahee heeft over de gehele huurperiode nauw contact gehad met de heer
[naam 1] van [beleiding] over het gedrag van [huurder] . [naam 1] heeft [huurder] meermaals mondeling en schriftelijk waarschuwingen [1] gegeven over het niet nakomen van afspraken.
2.5.
[naam 1] heeft op 3 maart 2026 een rapport opgesteld betreffende [huurder] , met een samenvatting uit de cliëntdossiers ambulante begeleiding 2024-2026 [2] . Hierin staat – voor zover van belang –:
1. Inleiding en achtergrond
Betrokkene is sinds april 2024 in begeleiding binnen een ambulant kader. In deze periode is
structureel ingezet op stabilisatie van meerdere leefgebieden. Het doel Geestelijke Gezondheid
is in het eerdere traject als “niet behaald” geregistreerd en blijft in het huidige traject (vanaf
augustus 2025) instabiel, met herhaalde terugval naar “niet goed” of “onvoldoende”
Gedurende het traject is sprake van een aanhoudend patroon van psychiatrische ontregeling,
maatschappelijke teloorgang en het onvoldoende effect hebben van vrijwillige ondersteuning.

2.Psychiatrisch toestandsbeeld

2.1
Psychotische overtuigingen en verstoorde realiteitstoetsing
In meerdere rapportages wordt beschreven dat betrokkene:
• spreekt over “dimensies” die invloed uitoefenen op zijn leefomgeving;
• refereert aan “wezens” die om hem heen draaien;
• objecten natspuit om vermeende invloeden van andere dimensies te verwijderen;
• e-mailcommunicatie interpreteert als mogelijk dragend van “codes” of verborgen
boodschappen;
• meent dat internationale machtsstructuren betrokken zijn bij zijn situatie.
Deze overtuigingen zijn niet corrigeerbaar gebleken en beïnvloeden zijn handelen direct.

3.Invloed op functioneren en risico-indicatoren

3.1
Maatschappelijke ontregeling
De combinatie van psychotische overtuigingen en wantrouwen leidt tot structureel vastlopen
van trajecten, oplopende spanningen met verhuurder en dreigende juridische stappen.
Dit blijkt onder meer uit drie schriftelijke waarschuwingen waarin expliciet wordt gewezen op:
(..)
• huurachterstanden;
(…)
• overlastmeldingen, met name nachtelijk schreeuwen;
• mogelijke ontbinding van de huurovereenkomst
Deze aankondigingen bevestigen dat de situatie reeds langdurig zorgelijk is en dat eerdere
interventies onvoldoende effect hebben gehad.
3.2
Ontregeling in woonomgeving
Er is sprake van progressieve ontregeling van de woning:
• meubilair verdwijnt of wordt verplaatst;
• onderdelen van de woning raken beschadigd;
• brievenbus is defect;
• Langdurig waterverbruik door “schoonspuiten” van vermeende invloeden.
De woning wordt zichtbaar aangetast door gedragingen die samenhangen met psychotische
beleving.
3.3
Automutilatie en agressieve ontlading
Daarnaast is sprake van ernstige vernielingen aan de woning. Er wordt tegen muren en objecten
geslagen, wat leidt tot beschadigingen. De overlastmeldingen, waaronder nachtelijk
schreeuwen en slaan tegen voorwerpen, worden ook expliciet benoemd in de schriftelijke
waarschuwingen.
Deze gedragingen wijzen op:
(…)
• risico op verdere materiële schade en escalatie richting omgeving.
Hiermee is sprake van ernstig nadeel in de vorm van zelfbeschadiging en ontwrichting van de
woonomgeving.
2.6.
Op 27 januari 2026 heeft [beleiding] Currahee verzocht om de woning met spoed te bezoeken omdat [huurder] vernielingen zou hebben aangebracht in de woning. Currahee, in de persoon van de heer [naam 2] , is ter plaatse geweest. Daags daarna is door [naam 2] bij de politie aangifte gedaan van vernieling van het gehuurde. In deze aangifte is door [naam 2] verklaard dat de volgende zaken zijn vernield:
- meterkast
- gasmeter
- elektriciteitsmeter
- 4 plafondplaten
- raam van de slaapkamer en keukendeur
- keukenkastjes
- alle lichtschakelaars van de muren af
- gaten in de muur in de woonkamer
- brievenbus
Ook wordt vermeld dat op alle muren bloedvlekken zitten.
2.7.
Currahee heeft [huurder] de mogelijkheid gegeven om de huurovereenkomst vrijwillig op te zeggen. [huurder] heeft hieraan niet meegewerkt.

3.Het geschil

3.1.
Currahee vordert samengevat - ontruiming van het gehuurde, met veroordeling van [huurder] tot het betalen van € 1.138,50, met rente en kosten.
3.2.
[huurder] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

[huurder] is verschenen bij gemachtigde
4.1.
Op de mondelinge behandeling van 9 maart 2026 heeft mr. Kreutzkamp verklaard dat op vrijdag 6 maart 2026 een begeleider van [huurder] van [beleiding] (mevrouw [naam 3] ) de zaak bij hem heeft gemeld en dat hijzelf [huurder] nimmer heeft gesproken. Hij heeft van [huurder] alleen een mededeling ontvangen dat hij niet naar de zitting komt (in een verder vrijwel ondoorgrondelijk bericht op zijn telefoon). (De gemachtigde van) Currahee heeft daarmee vraagtekens gezet “op welke manier” een volmacht aan mr. Kreutzkamp is verleend.
4.1.1.
Zoals de kantonrechter Currahee evenwel reeds op de mondelinge behandeling heeft voorgehouden, wordt mr. Kreutzkamp geacht zich als gemachtigde te presenteren. Er wordt van een advocaat geen volmacht verlangd. Zie hiervoor artikel 80 lid 2 Rv Pro.
4.1.2.
Het feit dat mr. Kreutzkamp zelf heeft aangevoerd dat hij geen enkel contact heeft gehad met [huurder] over de inhoud van de zaak, neemt de kantonrechter wel mee bij de inhoudelijke beoordeling in de zin dat hij een en ander slechts bij “gebrek aan enige informatie van [huurder] ” betwist.
Toetsingskader
4.2.
De kantonrechter stelt in dit kader voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is, die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kortgedingprocedure geen plaats is voor een
- diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en gezien de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is.
Spoedeisend belang
4.3.
Het spoedeisend belang vloeit voort uit de stellingen van Currahee dat sprake is van structurele vernielingen van het gehuurde door [huurder] en het veroorzaken van overlast alsook dat er vrees bestaat dat [huurder] voor vernielingen en overlast zal blijven zorgen en schade zal toebrengen aan omwonenden. De gemachtigde van [huurder] betwist het spoedeisend belang. Hij voert daartoe aan dat Currahee die stellingen niet voldoende heeft onderbouwd, maar miskent daarmee dat die stellingen op zich voldoende zijn voor het aannemen van het spoedeisend belang. De vraag of die stellingen ook voldoende aannemelijk zijn gemaakt om de vorderingen te kunnen toewijzen, komt hierna aan de orde. Ook het feit dat er nog geen bodemprocedure aanhangig is gemaakt, maakt niet dat het spoedeisend belang ontbreekt.
Gedragingen
4.4.
Currahee stelt gemotiveerd dat [huurder] in januari 2026 twee binnendeuren en een buitendeur, de meterkast, de gasmeter, de elektriciteitsmeter, vier plafondplaten, de ramen van de slaapkamer- en keukendeur, een keukenkastje en de brievenbus heeft vernield. Ook waren de lichtschakelaars van de muren afgehaald, waren er gaten in de muren en waren de muren vol bloedvlekken. Dit is onderbouwd met de aangifte bij de politie (waarin een en ander zo is opgenomen) [3] en met foto’s van het gehuurde. De schade is onderbouwd met een gedetailleerde offerte en begroot op € 4.749,25. De heer [naam 2] van Currahee heeft op de mondelinge behandeling toegelicht dat de gasmeter, die zich in het appartement zelf bevindt, van de muur was getrokken en losgekoppeld en dat Enexis uit veiligheidsoverwegingen meteen is moeten komen om het te herstellen. In de dagvaarding is gesteld dat [huurder] ten tijde van het aanrichten van de schade niet heeft betwist dat hij de schade zelf heeft aangericht. Currahee stelt dat daarnaast sprake is van overlast in de vorm van nachtelijk geschreeuw. Een en ander vindt nog steun in het rapport van [beleiding] [4] . Verder is een uitvoerige verklaring van een, met naam genoemde, omwonende ingebracht waaruit onder meer is op te maken dat zijn indruk is dat [huurder] psychisch/psychiatrisch ziek is en in ieder geval behoorlijk verward is, dat zijn vrouw en dochter bang zijn voor [huurder] , dat [huurder] ’s nachts voortdurend herrie maakt, dat al diverse keren de politie is gebeld en dat hij vreest dat het “vandaag of morgen een keer goed misgaat (en dan het nieuws haalt)”. In reactie op de opmerking van de gemachtigde van [huurder] dat er evenwel geen verklaringen van pandbewoners zijn ingebracht, heeft [naam 2] de op zich plausibele verklaring gegeven dat zij allen behoren tot een kwetsbare groep, in het verleden veelal in aanmerking zijn geweest met justitie en/of uit angst voor [huurder] bang zijn om te verklaren.
4.4.1.
[huurder] is zelf niet verschenen op de mondelinge behandeling en heeft de verweten gedragingen (en de door [naam 2] gegeven verklaring) niet (gemotiveerd) betwist. Zijn gemachtigde heeft wel opgemerkt dat er onvoldoende bewijs voor deze gedragingen is ingebracht, maar hij heeft deze gedragingen (die zoals is overwogen door Currahee voldoende zijn onderbouwd) evenmin (gemotiveerd) betwist. Daarom worden de hiervoor genoemde verweten gedragingen als vaststaand aangenomen [5] . [huurder] gedraagt zich hiermee niet als goed huurder. Met name de gedraging ten aanzien van de gasmeter en de elektriciteitsaansluiting acht de kantonrechter uiterst ernstig. In het midden kan blijven of [huurder] ook de lamellen zou hebben geknipt, glas zou hebben gegooid in de buurt van kleine kinderen, met een mes rondloopt en/of er zelfs een vijftiental politie-interventies zijn geweest in het kader van overlast, hetgeen door Currahee onvoldoende is onderbouwd en door de gemachtigde van [huurder] (kaal) is betwist.
4.4.2.
De heer [naam 2] heeft bij de gegeven toelichting, in het licht van de gedraging ten aanzien van de gasmeter, de vrees geuit dat “het pand nog eens de lucht invliegt” met alle gevolgen voor het pand en bewoners en omwonenden van dien. Deze - zeer begrijpelijke - vrees is met name ingegeven door het agressieve, onvoorspelbare en ondoorgrondelijke gedrag van [huurder] . De kantonrechter vindt steun voor die vrees in het rapport van [beleiding] [6] . (De gemachtigde van) [huurder] erkent eveneens dat sprake is van ondoorgrondelijk gedrag. [huurder] lijkt zijn handelen en de gevolgen ervan niet te overzien, hetgeen zijn gedrag ronduit gevaarlijk maakt. (De gemachtigde van) [huurder] heeft niets gesteld waaruit zou kunnen worden opgemaakt dat de gedragingen slechts een eenmalige gebeurtenis zijn geweest. Uit het rapport van [beleiding] blijkt dat de situatie verre van stabiel is, er sprake is van een aanhoudend patroon van psychiatrische ontregeling, dat interventies onvoldoende effect hebben en dat ontbreken van ziektebesef vrijwillige behandeling niet haalbaar maken.
toewijzing ontruimingsvordering
4.4.3.
Gezien de ernst van de reeds plaatsgevonden gedragingen en daarmee veroorzaakte gevaarzetting en de gerechtvaardigde vrees voor toekomstige escalatie, is de kantonrechter van oordeel dat [huurder] te kort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen als huurder en dat de gedragingen zodanig ernstig zijn dat zeer aannemelijk is dat, in een bodemprocedure, de ontbinding van de huurovereenkomst wordt uitgesproken.
De kantonrechter merkt op dat de grondslag is gelegen in het niet als goed huurder gedragen en niet – zoals de gemachtigde van [huurder] kennelijk veronderstelt –het niet nakomen van artikel 14 van Pro de huurovereenkomst (de verplichte begeleiding door [beleiding] ).
4.5.
De kantonrechter is van oordeel dat de belangen van Currahee, als eigenaar en verhuurder van het pand, hier duidelijk zwaarder wegen dan de belangen van [huurder] , die uiterst gevaarlijk gedrag vertoont (en dit ook niet aanpast). Currahee heeft een plicht tegenover de andere huurders om te zorgen voor een rustig en ongestoord huurgenot. Daarbij heeft [huurder] inmiddels al flinke schade aan het gehuurde toegebracht en is meer schade alleszins niet uit te sluiten als [huurder] in de woning zou blijven wonen.
Van Currahee kan daarmee niet worden gevergd dat de huurverhouding met [huurder] wordt voortgezet in afwachting van een langdurige bodemprocedure. De kantonrechter gaat daarmee ook voorbij aan het verweer van [huurder] , dat de zaak zich niet leent voor een kort geding omdat de feiten in een bodemprocedure zouden moeten worden bewezen.
4.5.1. (
De gemachtigde van) [huurder] heeft gewezen op de belangen van [huurder] als kwetsbaar persoon. De kantonrechter is het met de gemachtigde eens dat [huurder] een kwetsbaar persoon is, maar dat maakt niet dat zijn belangen daarom zwaarder wegen dan die van Currahee. De kantonrechter overweegt daarover als volgt. [huurder] wordt nog altijd formeel begeleid door [beleiding] . Currahee heeft in dit verband erop gewezen dat [beleiding] medewerking zal verlenen aan het vinden van een oplossing ingeval van ontruiming aangezien zij contractueel daartoe gehouden zijn op grond van het addendum. [huurder] heeft hier slechts tegen ingebracht dat de tekst “we samen” in het addendum zo moet, of kan, worden gelezen dat [beleiding] tezamen met Currahee (en niet: [huurder] ) naar een oplossing moet zoeken. Een en ander behoeft hier evenwel geen beoordeling, nu [huurder] niet betwist dat in ieder geval [beleiding] deze taak op zich zal nemen. Daarbij is kantonrechter van oordeel dat het de verwachting is dat [huurder] , indien hij uit zijn woning is gezet, eerder in aanmerking komt voor de benodigde – en desnoods gedwongen - hulp van [hulpverlening] (hetgeen in het belang is van [huurder] zelf). De kantonrechter deelt daarmee niet zonder meer de opvatting van (de gemachtigde van) [huurder] dat, indien [huurder] op straat komt te staan, hij onder de radar zal verdwijnen. Maar zelfs indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat dit laatste kan gebeuren, is de kantonrechter nog altijd van oordeel dat de belangen van [huurder] hier niet opwegen tegen de belangen van Currahee (aan welke kant zwaar weegt de veiligheid van de vijf andere pandbewoners en de omwonende gezinnen). [huurder] dient nu eenmaal zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen en hulp te aanvaarden. Dit kan niet ten koste gaan van de veiligheid van derden.
4.6.
Gezien het vorenstaande zal de gevorderde ontruiming worden toegewezen met de daarbij verzochte, en redelijk geachte, termijn van veertien dagen.
afwijzing nevenvorderingen
4.7.
Currahee behoeft geen machtiging van de kantonrechter om het toe te wijzen bevel tot ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de deurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv Pro) worden toereikend geacht, zodat Currahee bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft. De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen omdat de toe te wijzen ontruiming via de deurwaarder afgedwongen kan worden.
4.8.
De vordering van Currahee om [huurder] te veroordelen om een bedrag van € 990,00 te betalen aan huurachterstand (op de mondelinge behandeling: en energiekosten, met de wettelijke rente), zal worden afgewezen. Deze vordering is niet inzichtelijk gemaakt of onderbouwd. Currahee heeft overigens aangegeven dat, nu [huurder] geen geld heeft, het ook niet te doen is om een toewijzing van deze vordering.
Anders dan [huurder] veronderstelt, is de gestelde betalingsachterstand niet zodanig als ontbindingsgrond aan de vordering tot ontruiming ten grondslag gelegd (zodat een afwijzing van deze vordering het vorenstaande niet anders kan maken).
4.9.
De gevorderde vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen, omdat niet aan de wettelijke eisen is voldaan.
wel veroordeling in proceskosten maar conform het liquidatietarief
4.10.
[huurder] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen.
4.10.1.
Currahee vordert
primairde volledige proceskosten en voert daartoe aan dat Currahee [huurder] de mogelijkheid heeft geboden om vrijwillig op te zeggen, een oplossing te zoeken en de schade niet te verhalen indien [huurder] vrijwillig zou vertrekken, maar dat [huurder] dit voorstel heeft afgewezen waardoor Currahee genoodzaakt was om rechtsmaatregelen te treffen. De kantonrechter overweegt dat alleen in buitengewone omstandigheden wordt afgeweken van het liquidatietarief, zoals bij misbruik van procesrecht. Hiervan is in dit geval geenszins sprake. De kantonrechter acht dit standpunt ook opmerkelijk, nu de gemachtigde ermee bekend wordt verondersteld dat een huurder van woonruimte toch een aanzienlijke opzeggings- en ontruimingsbescherming geniet. Het
primair gevorderde is kortom niet toewijsbaar. Het
subsidiairgevorderde, conform het liquidatietarief, zal worden toegewezen.
4.10.2.
De proceskosten van Currahee worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
153,02
- griffierecht
350,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.512,02
4.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [huurder] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de woning aan [adres] te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van Currahee zijn, en de sleutels af te geven aan Currahee,
5.2.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 1.512,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [huurder] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2026.

Voetnoten

1.Op 4 november 2025 (productie 3 dagvaarding|), 14 augustus 2025 (productie 11 nagezonden producties Currahee)
2.Productie 11 Currahee
3.Zie hiervoor onder 2.6.
4.Zie hiervoor onder 2.5.
5.Ingevolge het bepaalde in artikel 149 Rv Pro
6.Zie hiervoor onder 2.5