ECLI:NL:RBLIM:2026:2379

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
ROE 26/3 en ROE 26/9
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 ParticipatiewetArt. 7 ParticipatiewetArt. 10 ParticipatiewetArt. 4 Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogenArt. 30b Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling verplichting meewerken aan onderzoek arbeidsinschakeling Participatiewet

Eiser heeft na verhuizing een bijstandsuitkering aangevraagd die is toegekend met een tijdelijke vrijstelling van arbeidsverplichtingen uit artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de Participatiewet (PW). Het dagelijks bestuur verplicht eiser echter mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, PW. Eiser betwist deze verplichting en stelt dat deze niet zonder een voorafgaand besluit kan worden opgelegd en dat hij vrijstelling heeft op grond van een eerder besluit van de gemeente Roermond.

De voorzieningenrechter oordeelt dat de vrijstelling van de arbeidsverplichtingen onder a en c niet belemmert dat het dagelijks bestuur als opvolgend bijstandsverlener het onderzoek naar arbeidsinschakeling kan voortzetten. De verplichting tot meewerken aan het onderzoek is van rechtswege verbonden aan de uitkering en vereist geen afzonderlijk besluit. De inzet van een banenmakelaar en uitnodigingen voor gesprekken zijn onderdeel van deze verplichting.

Het bezwaar van eiser tegen de inzet van de banenmakelaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard. De overige aangevoerde gronden, zoals het ontbreken van een gemotiveerd besluit en ondertekening, slagen niet. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep tegen de verplichting tot meewerken aan het onderzoek arbeidsinschakeling wordt ongegrond verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Bestuursrecht
zaaknummers: ROE 26/3 en 26/9

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaken tussen

[naam], uit Hulsberg, eiser

en

het dagelijks bestuur van Kompas, het dagelijks bestuur

(gemachtigde: mr. F.H.M. Limpens).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat (met name) meer over de verplichting om mee te werken aan een onderzoek naar de mogelijkheden tot arbeidsinschakeling, als genoemd in artikel 9, eerste lid, onder b, van de Participatiewet (PW). Eiser is volgens het dagelijks bestuur verplicht om in dat kader mee te werken aan het onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling. Eiser is het hiermee niet eens. Hij heeft daarom beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening. Hij voert een aantal gronden aan. Aan de hand van deze gronden beoordeelt de voorzieningenrechter of het beroep slaagt.
1.1.
De voorzieningenrechter komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Omdat de voorzieningenrechter uitspraak doet op het beroep, wijst zij het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Procesverloop

2. Eiser heeft na een verhuizing van Roermond naar Beekdaelen een aanvraag ingediend voor een uitkering voor levensonderhoud op grond van de PW. De aanvraag is met het besluit van 11 november 2025 toegewezen.
2.1.
Met het bestreden besluit van 17 december 2025 op het bezwaar van eiser is het dagelijks bestuur bij de toewijzing van de aanvraag gebleven, zij het dat de ingangsdatum van de uitkering van 5 oktober 2025 in 2 oktober 2025 is veranderd. In dit besluit is eiser ook vrijgesteld van de verplichtingen genoemd in artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW [1] omdat aan eiser door de gemeente Roermond, zijn eerdere woongemeente, bij besluit van 17 februari 2025 ontheffing was verleend van die verplichtingen. De verplichting om mee te werken aan het onderzoek naar eisers mogelijkheden tot arbeidsinschakeling blijft aan de uitkering verbonden.
2.2.
In het bestreden besluit is verder beslist op het bezwaarschrift van eiser van
1 december 2025 tegen het volgens eiser fictieve besluit om de banenmakelaar in te zetten. Dit bezwaar is niet-ontvankelijk verklaard. Ook wordt de aansprakelijkstelling van
4 november 2025 in verband met geleden schade als gevolg van het niet tijdig verstrekken van een voorschot afgewezen.
2.3.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wordt bij wijze van voorlopige voorziening verzocht te bepalen dat het dagelijks bestuur geen onderzoek kan verrichten naar de grondslag van een bestaande ontheffing totdat de bestuursrechter uitspraak heeft gedaan in de lopende procedure (ROE 25/1222) waarin die ter beoordeling voorligt.
2.4.
Het dagelijks bestuur heeft gereageerd met een verweerschrift.
2.5.
De voorzieningenrechter heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Partijen hebben hiermee telefonisch ingestemd, zowel voor de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening als voor het beroep. Het onderzoek is vervolgens gesloten en de datum van de uitspraak is bepaald op vandaag.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

3. In artikel 9, eerste lid, van de PW is het volgende bepaald:
De belanghebbende van 18 jaar of ouder doch jonger dan de pensioengerechtigde leeftijd is, vanaf de dag van melding als bedoeld in artikel 44, tweede lid, verplicht:
a. a) naar vermogen algemeen geaccepteerde arbeid, waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een voorziening als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, te verkrijgen, deze te aanvaarden en te behouden, waaronder begrepen registratie als werkzoekende bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, indien hem daartoe het recht toekomt op grond van artikel 30b, eerste lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen;
b) gebruik te maken van een door het college aangeboden voorziening, waaronder begrepen sociale activering, gericht op arbeidsinschakeling, alsmede mee te werken aan een onderzoek naar zijn mogelijkheden tot arbeidsinschakeling en, indien van toepassing, mee te werken aan het opstellen, uitvoeren en evalueren van een plan van aanpak als bedoeld in artikel 44a;
c) naar vermogen door het college opgedragen onbeloonde maatschappelijk nuttige werkzaamheden te verrichten die worden verricht naast of in aanvulling op reguliere arbeid en die niet leiden tot verdringing op de arbeidsmarkt.
3.1.
Op grond van artikel 9, tweede lid, van de PW kan een tijdelijke ontheffing alleen worden verleend voor de arbeidsverplichting (de a-grond van artikel 9, eerste lid) en de verplichting tot tegenprestatie (de c-grond van artikel 9, eerste lid). Een (in beginsel permanente) ontheffing van de re-integratieverplichtingen is alleen mogelijk op grond van artikel 9, vijfde lid, van de PW. Daarvoor is vereist dat een belanghebbende volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is als bedoeld in artikel 4 van Pro de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
3.2.
Eiser betoogt dat artikel 9, eerste lid, aanhef en onder b, van de PW niet zonder voorafgaand besluit kan worden ingezet en dat de inzet van een voorziening op grond van het legaliteitsbeginsel moet worden gebaseerd op een andere wettelijke bepaling dan artikel 9 van Pro de PW. Hij betoogt verder dat een gemotiveerd besluit nodig is en individuele afstemming moet plaatsvinden. De inzet van een voorziening moet het resultaat zijn van een individuele beoordeling. Doordat er geen besluit is, ontbreekt rechtsbescherming. Niet duidelijk is dat het besluit bevoegd is genomen en het besluit op bezwaar is niet ondertekend. De niet-ontvankelijkverklaring is onjuist.
Eiser heeft er verder op gewezen dat hij in de gemeente Roermond een vrijstelling heeft gekregen van de arbeidsverplichtingen. Volgens hem kan het dagelijks bestuur hem ook daarom geen verplichtingen in het kader van artikel 9, eerste lid, van de PW opleggen.
4. De voorzieningenrechter stelt vast dat eiser in het aanvraagformulier voor bijstand, ingevuld op 5 oktober 2025, heeft aangegeven dat hij voor 40 uur per week beschikbaar is voor betaalde arbeid. In zijn e-mail van 18 oktober 2025 meldt eiser dat er door de banenmakelaar (al) contact met hem is opgenomen. Op 31 oktober 2025 geeft eiser in een e-mailbericht aan dat hij psychisch overbelast is en dat hij niet in staat is om te werken. Ook maakt hij voor het eerst in deze e-mail melding van het besluit van de gemeente Roermond van 12 februari 2025.
4.1.
In de beschikking van 12 februari 2025 van de gemeente Roermond is opgenomen dat voor eiser alleen de volgende verplichtingen gelden als de gemeente dat zou vragen:
“-
meewerken aan onderzoek naar uw mogelijkheden om te werken;- meewerken aan aangeboden activiteiten om weer aan het werk te gaan of om actief mee te doen aan de samenleving.”
Verder is vermeld onder het kopje:Wat houden deze verplichtingen voor u in?

Wij achten u niet in staat tot het verrichten van werk of aan andere vorm van participatie door uw grote afstand tot de arbeidsmarkt, vanwege arbeidsbelemmeringen van psychische aard.”
Anders dan eiser is de voorzieningenrechter van oordeel dat de tijdelijke vrijstelling die door de gemeente Roermond is afgegeven niet belemmert dat het dagelijks bestuur als opvolgend bijstandsverlener opnieuw kijkt naar de mogelijkheden voor arbeidsdeelname van eiser.
Verder is ambtshalve geconstateerd dat zaak ROE 25/1222 over de besluitvorming door de gemeente Roermond, door eiser in januari 2026 is ingetrokken.
5. Eiser is door het dagelijks bestuur vrijgesteld van de arbeidsverplichtingen, genoemd in artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW. Dat betekent dat in beginsel nog wel de verplichtingen op grond van artikel 9, eerste lid, onder b, voor eiser gelden. Voor zover eiser zich tegen deze verplichtingen richt (waaronder de inzet van een banenmakelaar) overweegt de voorzieningenrechter als volgt.
5.1.
Het onderzoek naar de mogelijkheden van eiser tot arbeidsinschakeling behoort tot de algemene ondersteuning die het college biedt (artikel 7 van Pro de PW). Er moet een onderzoek plaatsvinden of eiser een voorziening (als bedoeld in artikel 10, vierde lid, van de PW [2] ) nodig heeft en welke. De aanmelding daarvoor vormt geen onderdeel van een besluit maar is puur informatief van aard. Deze verplichting (onder b) geldt van rechtswege. Bij de betrokkenheid van de banenmakelaar zal het dagelijks bestuur er rekening mee moeten houden dat eiser is vrijgesteld van de verplichtingen die gelden op grond van artikel 9, eerste lid, onder a en c, van de PW.
5.2.
Ook een uitnodiging voor een onderhoud in dit verband is een verplichting die geldt voor eiser in het kader van de algemene ondersteuning en is van rechtswege verbonden aan de toekenning van de uitkering.
5.3.
Het betoog van eiser slaagt dus niet. Het dagelijks bestuur heeft het bezwaar tegen de uitnodiging voor een onderhoud en de inzet van de banenmakelaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.
5.4.
De voorzieningenrechter overweegt tot slot dat het dagelijks bestuur op de overige gronden van eiser in het verweerschrift is ingegaan (zoals ondertekening en bevoegdheid, maatregelwaardig gedrag) en gemotiveerd op deze gronden is ingegaan. De voorzieningenrechter is niet gebleken van een onjuist standpunt van het dagelijks bestuur.
Deze gronden slagen ook niet.

Conclusie en gevolgen

6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Omdat het beroep ongegrond is, is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.E. Derks, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. C. Schrammen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026 .
De griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen.
Griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: 12 maart 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Onder a: arbeidsverplichting, onder c: verplichting tot tegenprestatie.
2.Deze bepaling luidt: Voor het oordeel of een voorziening voor de arbeidsinschakeling noodzakelijk is, in welke mate en voor welke duur, verricht het college onderzoek en neemt een besluit met inachtneming van de resultaten van het onderzoek.