ECLI:NL:RBLIM:2026:2377

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
11978519 \ HZ VERZ 25-59
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek tot verlenging ontruiming bedrijfsruimte afgewezen, ontruiming uiterlijk 1 september 2026

Huurder van een bedrijfsruimte verzocht de kantonrechter om de ontruimingstermijn te verlengen tot 1 januari 2027. Verhuurder had de huur per januari 2025 opgezegd en de ontruimingstermijn was eerder verlengd tot 1 januari 2026. Tijdens de mondelinge behandeling verklaarde huurder dat ontruiming uiterlijk 1 september 2026 mogelijk is.

De kantonrechter oordeelde dat er geen belang meer is bij een verlenging tot 1 januari 2027 en wees het verzoek af. Vervolgens stelde de kantonrechter de ontruimingsdatum vast op uiterlijk 1 september 2026, aansluitend bij de belangen van beide partijen. Verhuurder had geen dringende reden aangevoerd voor een eerdere ontruiming.

Daarnaast werd vastgesteld dat huurder uiterlijk op die datum ook alle overige eigendommen van het terrein van verhuurder zal verwijderen. Het voorwaardelijk tegenverzoek van verhuurder tot een hogere gebruiksvergoeding werd niet behandeld vanwege de afwijzing van het hoofdverzoek. De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: Het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn is afgewezen en de ontruiming dient uiterlijk 1 september 2026 plaats te vinden.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer / rekestnummer: 11978519 \ HZ VERZ 25-59
Beschikking van 18 maart 2026
in de zaak van
V.O.F. [huurder],
te [plaats ] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [huurder] ,
gemachtigde: mr. Q.J. van Riet,
tegen
[persoon] , h.od.n. [verhuurder],
te [plaats ] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verhuurder] ,
gemachtigde: mr. J.H.J. Vleeshouwers.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- het verweerschrift, met een tegenverzoek
- de door [huurder] bij brief van 27 februari 2026 overgelegde producties
- de mondelinge behandeling van 4 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de spreekaantekeningen van [verhuurder]
- de op de mondelinge behandeling door [huurder] overgelegde e-mail.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
[huurder] huurde van [verhuurder] de loods aan [adres] .
2.2.
[verhuurder] heeft bij brief van 29 augustus 2024 aan [huurder] bericht dat de huur per januari 2025 wordt opgezegd.
2.3.
Bij beschikking van 1 september 2025 van de kantonrechter te Roermond is onder meer de ontruimingstermijn van het gehuurde verlengd tot 1 januari 2026.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[huurder] verzoekt de termijn waarbinnen de ontruiming van de loods gelegen aan [adres] moet plaatsvinden te verlengen tot 1 januari 2027.
3.2.
[verhuurder] heeft verweer gevoerd en verzocht om [huurder] niet ontvankelijk te verklaren dan wel het verzoek af te wijzen. [verhuurder] heeft ook een voorwaardelijk tegenverzoek ingediend (voor het geval de gevraagde verlenging wordt verleend) waarin hij vraagt om te bepalen dat [huurder] met ingang van 1 januari 2026 tot de datum van de feitelijke ontruiming een (hogere) gebruiksvergoeding verschuldigd is ter hoogte van € 4.875,00 per jaar.
3.3.
[huurder] heeft verweer gevoerd tegen het tegenverzoek.

4.De beoordeling

4.1.
Op 4 maart 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen hebben hun stellingen mondeling toegelicht.
4.2.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft [huurder] verklaard dat hij het bij hem in gebruik zijnde deel van de loods per 1 september 2026 kan hebben ontruimd. Gelet daarop acht de kantonrechter geen belang (meer) aanwezig bij [huurder] om de ontruiming van de loods uit te stellen tot 1 januari 2027. Dit verzoek zal daarom worden afgewezen.
4.3.
Nu de kantonrechter het verzoek afwijst dient hij een datum te bepalen waarop de loods ontruimd dient te zijn. [verhuurder] heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd die maken dat de ontruiming vóór 1 september 2026 uitgevoerd zou moeten zijn. Sterker, uit zijn betoog volgt dat de loods niet noodzakelijk beschikbaar moet zijn vóór 1 september 2026. Het ligt daarom voor de hand dat de kantonrechter aansluiting zoekt bij de belangen van beide partijen en de datum waarop de loods ontruimd moet zijn door [huurder] vaststelt op uiterlijk 1 september 2026.
4.4.
Ter zitting heeft de kantonrechter [huurder] horen toezeggen dat uiterlijk op 1 september 2026 ook haar diverse eigendommen, die zich elders op het terrein van [verhuurder] bevinden, zullen zijn verwijderd. De kantonrechter verstaat daarom dat [huurder] al haar overige eigendommen, die zich bevinden op het erf van [verhuurder] , uiterlijk 1 september 2026 heeft verwijderd.
4.5.
Omdat het verzoek tot verlenging van de ontruimingstermijn wordt afgewezen behoeft niet te worden beslist op het voorwaardelijk ingediende verzoek van [verhuurder] tot vaststelling van de (hogere) gebruiksvergoeding.
4.6.
Partijen zijn familie van elkaar. De kantonrechter zal daarom de proceskosten compenseren in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst het verzoek af,
5.2.
veroordeelt [huurder] om uiterlijk 1 september 2026 het door hem in gebruik genomen deel van de opslagloods aan [adres] te ontruimen en ontruimd te houden en ter beschikking van [verhuurder] te stellen,
5.3.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.