9.2.Verder heeft verweerder aan de last onder dwangsom ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 5.5, aanhef en onder c, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan het gebruiken van gronden van het perceel voor buitenopslag verboden is. Omdat er op het perceel schroot wordt opgeslagen, is er sprake van strijd met artikel 5.5, aanhef en onder c, van het tijdelijk deel van het omgevingsplan.
10. Eiser heeft tegen de last bezwaar gemaakt. Bij het bestreden besluit I heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, de last onder dwangsom in stand gelaten en de begunstigingstermijn verlengd tot 20 augustus 2025. Verweerder heeft, in navolging van het advies van de commissie bezwaarschriften, nader onderzoek gedaan in naar het beroep op het vertrouwensbeginsel door eiser in bezwaar. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit I op het standpunt gesteld dat geen toezegging is gedaan. Er is contact opgenomen met wethouder [naam wethouder] om te vragen of er een uitlating of gedraging heeft plaatsgevonden die als een toezegging kan worden gekwalificeerd die inhoudt dat eiser zijn onderneming op de [adres 1] te [woonplaats] zou mogen voeren. Wethouder [naam wethouder] heeft aangegeven dat er nooit een toezegging is gedaan. Volgens verweerder is dit voldoende om aan te nemen dat er geen sprake is van een toezegging, waardoor het beroep van eiser op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.
De invorderingsbeschikking
11. Op 2 september 2025 heeft verweerder opnieuw een controle gehouden ter plaatse van het perceel. Tijdens deze controle heeft verweerder diverse foto’s gemaakt en vastgesteld dat op een groot gedeelte van het perceel nog steeds een grote hoeveelheid oud ijzer en metaal wordt opgeslagen. Omdat eiser (wederom) geen medewerking heeft verleend aan de controle, heeft verweerder de loods gelegen aan de rechterzijde van het perceel niet gecontroleerd.
12. Omdat de overtreding van artikel 5.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Ow niet is beëindigd vóór de begunstigingstermijn van 20 augustus 2025 is verweerder, na eerst op 15 september 2025 een voornemen hiertoe te hebben uitgebracht waartegen eiser een zienswijze heeft ingediend, bij het bestreden besluit II overgegaan tot het invorderen van de verbeurde dwangsom ter hoogte van € 15.000,- vermeerderd met de wettelijke rente.
13. Eiser is het niet eens met de last onder dwangsom en de invorderingsbeschikking. Op wat hij in beroep heeft aangevoerd, zal de rechtbank hierna ingaan.
De last onder dwangsom is onduidelijk
14. Eiser heeft zich ten eerste op het standpunt gesteld dat de last onder dwangsom onduidelijk is. Volgens eiser is niet duidelijk of de last onder dwangsom ook ziet op de opslag in de schuur. Verder is volgens eiser niet duidelijk op welke soorten opslag de last onder dwangsom betrekking heeft en welk afval dus verwijderd moet worden om de overtreding te beëindigen. Iedereen slaat materialen op in een loods, garage of schuur die wellicht als afval zijn te bestempelen maar die ooit nog eens van pas kunnen komen of klaarliggen om afgevoerd te worden. Volgens eiser volgt uit vaste rechtspraak dat een last zodanig duidelijk en concreet geformuleerd moet zijn dat degene tot wie de last is gericht niet in het duister hoeft te tasten omtrent wat gedaan of nagelaten moet worden ten einde toepassing van de aangekondigde dwangmaatregelen te voorkomen.Omdat hier geen sprake van is, kan de last onder dwangsom niet in stand blijven.
15. Deze beroepsgrond van eiser slaagt naar het oordeel van de rechtbank niet. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.