ECLI:NL:RBLIM:2026:2350

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
12 maart 2026
Zaaknummer
03.117398.22
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 22c SrArt. 22d SrArt. 33 SrArt. 33a Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor medeplegen van bezit van hard- en softdrugs met taakstraf

Op 10 mei 2022 werd verdachte betrapt op het gezamenlijk en in vereniging aanwezig hebben van circa 92 gram netto cocaïne, 30 gram MDMA, 304 XTC-pillen, 81 gram hasjiesj en 1.216 gram hennep in een woning te Heerlen. De rechtbank achtte deze feiten wettig en overtuigend bewezen, mede door de bekennende verklaring van verdachte en diverse proces-verbalen van inbeslagneming en onderzoek.

Verdachte had haar woning ter beschikking gesteld aan derden die drugs wilden 'stashen' en ontving daarvoor een vergoeding. De rechtbank concludeerde dat verdachte ook hand- en spandiensten verrichtte, wat haar strafbaarheid versterkt. De aanwezigheid van deze drugs vormt een ernstige bedreiging voor de volksgezondheid en veiligheid, mede door de overlast en criminaliteit die hiermee gepaard gaat.

De rechtbank hield rekening met de persoonlijke omstandigheden van verdachte, haar proceshouding, het feit dat het om oude feiten gaat en de overschrijding van de redelijke termijn. Gezien de ernst van de feiten en de omstandigheden legde de rechtbank een taakstraf van 160 uren op, die wegens de termijnoverschrijding werd gematigd tot 120 uren, met aftrek van drie dagen voorarrest. Daarnaast werden de inbeslaggenomen weegschalen verbeurd verklaard en de drugs aan het verkeer onttrokken.

De rechtbank wees een gevangenisstraf af en vond een onvoorwaardelijke taakstraf passend. De verdachte werd vrijgesproken van de niet door het NFI onderzochte verdovende middelen. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van de Rechtbank Limburg te Maastricht op 11 maart 2026.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uren met aftrek van voorarrest wegens medeplegen van bezit van hard- en softdrugs.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummer : 03.117398.22
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige strafkamer van 11 maart 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortegegevens] 1997,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. P.W. Szymkowiak, advocaat kantoorhoudende te Maastricht.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 25 februari 2026. De verdachte en haar raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 10 mei 2022:
Feit 1:al dan niet samen met (een) ander(en) harddrugs aanwezig heeft gehad;
Feit 2:al dan niet samen met (een) ander(en) softdrugs aanwezig heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van beide tenlastegelegde feiten, met uitzondering van de verdovende middelen, genoemd bij feit 1, die niet zijn onderzocht door het NFI.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de bewezenverklaring, met dien verstande dat de verdachte van de verdovende middelen onder feit 1 die niet door het NFI zijn onderzocht partieel moet worden vrijgesproken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank zal volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering (Sv), nu de verdachte de door de rechtbank bewezen verklaarde feiten heeft bekend en door of namens haar geen vrijspraak is bepleit.
Feit 1
De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van
25 februari 2026;
- het proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] Heerlen [2] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507615) [3] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507675) [4] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507640) [5] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507638) [6] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507633) [7] ;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlagen aan dit proces-verbaal gevoegd de rapporten NFiDENT [8] .
De rechtbank spreekt de verdachte partieel vrij van de tenlastegelegde 1,6 gram bruto cocaïne, 2,9 gram bruto MDMA, 10 xtc-pillen en 22,76 gram rode vloeistof, nu daarvoor het wettig bewijs ontbreekt.
Feit 2
De rechtbank acht het tenlastegelegde feit wettig en overtuigend bewezen, gelet op:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de terechtzitting van
25 februari 2026;
- het proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] Heerlen [9] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507594) [10] ;
- de kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507416) [11] ;
- het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen (indicatieve test hennep en hashish) [12] .
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
Feit 1
op 10 mei 2022 in een woning aan de [adres 2] te Heerlen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 92,13 (49,54 + 30,81 + 11,78) gram netto cocaïne, 30,4 gram netto MDMA en 304 XTC-pillen bevattende MDMA, zijnde cocaïne en MDMA middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I;
Feit 2
op 10 mei 2022 in een woning aan de [adres 2] te Heerlen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad 81 gram netto hasjiesj en 1.216 gram netto hennep(toppen), zijnde hasjiesj en hennep middelen als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Feit 2
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, rekening houdend met de proceshouding, de persoonlijke omstandigheden en de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 160 uren met aftrek van het voorarrest.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging met de schending van de redelijke termijn rekening te houden alsmede met een aantal algemene strafmatigende omstandigheden die deel uitmaken van de LOVS-oriëntatiepunten: het geringe aandeel van verdachte, de korte periode/duur van de feiten, de omstandigheid dat verdachte een positieve wending aan haar leven heeft gegeven en het bijzonder lange tijdsverloop (los van de schending van de redelijke termijn). Verdachte heeft het feit vrijwel direct bekend én zij heeft bovendien meegewerkt aan de opheldering van de feiten door bij de politie meteen namen van andere betrokkenen te noemen. De raadsman heeft verzocht geen gevangenisstraf op te leggen, maar een taakstraf van 220 uren, waarvan 120 uren voorwaardelijk met aftrek van de drie dagen dat zij in voorlopige hechtenis heeft gezeten.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft in haar woning ongeveer 240 gram harddrugs en ongeveer 1.340 gram softdrugs aanwezig gehad. Verdachte had haar woning ter beschikking gesteld aan ‘ [naam] ’ die had gevraagd of hij ‘iets’ in haar woning mocht leggen. Eerst was het geld, maar later vroegen ‘ze’ (volgens verdachte vier personen die zich ‘ [bijnaam] ’ noemden) of zij er ook mochten ‘stashen’. De verdachte heeft daarmee ingestemd en kreeg daarvoor een vergoeding. Waar het aanwezig hebben van de genoemde hoeveelheden hard- en softdrugs volgens de rechtbank inderdaad het karakter van ‘stashen’ voor een ander of anderen had, stelt zij tevens vast dat het dossier aanknopingspunten biedt voor de veronderstelling dat verdachte ook hand- en spandiensten vervulde met betrekking tot de verdovende middelen, hetgeen in haar nadeel weegt. Verdachte heeft met haar handelen een bijdrage geleverd aan de overlastgevende drugshandel in ons land. Het behoeft geen betoog dat verdovende middelen een zeer grote bedreiging vormen voor de volksgezondheid en veiligheid van de samenleving. Niet alleen zijn er gebruikers die strafbare feiten plegen om aan hun drugs te komen, maar ook vinden er strafbare feiten plaats zoals bedreigingen, afpersingen, wapenbezit, mishandelingen en zelfs liquidaties, gelet op de flinke financiële belangen die aan de orde kunnen zijn. Concreet heeft dit dossier getoond hoezeer omwonenden in onbehagen verkeren wanneer zij getuige zijn van ongewenste aanloop in relatie tot deze stashlocatie.
Bij de bepaling van de aard en de duur van de straf heeft de rechtbank acht geslagen op de oriëntatiepunten van het LOVS. Daarin is voor het aanwezig hebben van 200-500 gram harddrugs een gevangenisstraf van 2 maanden opgenomen en voor het aanwezig hebben van 500-2.500 gram softdrugs een taakstraf voor de duur van 100 uren. De rechtbank houdt ten voordele van verdachte rekening met het feit dat het om oude feiten gaat en met het feit dat verdachte in de tussentijd niet meer met politie in aanraking is gekomen. Voorts is de proceshouding van verdachte aanleiding om een lagere straf op te leggen.
Alles afwegende is de rechtbank – met de officier van justitie en de verdediging – van oordeel dat het nu niet meer opportuun is om verdachte naar de gevangenis te sturen. De rechtbank acht een onvoorwaardelijke taakstraf een passende straf. De rechtbank ziet geen aanleiding om verdachte een (deels) voorwaardelijke straf op te leggen: een ‘stok achter de deur’ lijkt nu niet langer nodig. Gelet op al het voorgaande acht de rechtbank in beginsel een taakstraf van 160 uren passend.
De rechtbank zal echter in strafmatigende zin voorts rekening houden met overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het uitgangspunt is dat de behandeling van de zaak op de zitting dient te zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen. Die termijn is op 10 mei 2022 is aangevangen, de dag dat de verdachte door de politie is verhoord. Gelet hierop zou uiterlijk op 10 mei 2024 een einduitspraak gewezen moeten zijn. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn op de dag van deze uitspraak is overschreden met 22 maanden. De rechtbank zal om die reden de op te leggen taakstraf matigen van 160 uren naar 120 uren. De verdachte heeft drie dagen in verzekeringstelling doorgebracht. De rechtbank zal bepalen dat deze drie dagen bij de uitvoering van de taakstraf in mindering worden gebracht, naar rato van twee uren per dag.

7.Het beslag

De in beslag genomen weegschalen zullen verbeurd worden verklaard, nu dit voorwerpen zijn die tot het begaan van het misdrijf zijn bestemd of vervaardigd.
De in beslag genomen verdovende middelen in de woning van verdachte zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer, nu dit voorwerpen zijn met betrekking tot welke de feiten zijn begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang. Ondanks de partiële vrijspraak ten aanzien van bepaalde niet geteste middelen, zal de rechtbank de verdovende middelen als gezamenlijkheid beschouwen, temeer nu er geen beroep op is gedaan dat enig niet getest middel geen middel in strijd met de Opiumwet is.
De inbeslaggenomen fles met dop zal worden teruggegeven aan de beslagene, zijnde de verdachte, nu uit de rapportage gebleken is dat deze fles geen middelen in strijd met de Opiumwet bevatte.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 33, 33a, 36b, 36c, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet.

9.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 tot
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;
Beslag
- verklaart verbeurd de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:
  • 1 STK weegschaal (goud) bij feit 1;
  • 1 STK weegschaal (zwart) bij feit 2;
- onttrekt aan het verkeer de volgende inbeslaggenomen voorwerpen:
  • 1 STK verdovende middelen;
  • 23 STK verdovende middelen;
  • 1 STK verdovende middelen;
  • 1 STK verdovende middelen;
  • 2 STK verdovende middelen;
  • 1 STK verdovende middelen;
  • 10 STK verdovende middelen;
  • 1 STK verdovende middelen;
  • 1 STK verdovende middelen;
  • 1 STK verdovende middelen;
- gelast de teruggave van het volgende inbeslaggenomen voorwerp aan de beslagene:
1 FLS fles met dop.
Dit vonnis is gewezen door mr. H.M.J. Quaedvlieg, voorzitter, mr. L.H.M. Geuns en mr. I.P. de Groot, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P.W.E. Bekkers en J.G.A.M. Spijkers, griffiers, en uitgesproken ter openbare zitting van 11 maart 2026.
Buiten staat
Mr. I.P. de Groot is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
Feit 1
zij, op of omstreeks 10 mei 2022 (in een woning aan de [adres 2] te Heerlen) in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 92,13 (49,54 + 30,81 + 11,78) gram netto en/of ongeveer 1,6 (1 + 0,6) gram (bruto) cocaïne, in elk geval een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende cocaïne, en/of
- ongeveer 30,4 gram netto MDMA en/of 2,9 (1,4 + 1,5) gram (bruto) MDMA en/of 314 (304 + 10) XTC pillen, in elk geval een (of meer) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende MDA (tenamfetamine) en/of MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl) en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2C-B), en/of
- ongeveer 22,76 gram rode vloeistof bevattende amfetamine en/of MDMA en/of een kleine hoeveelheid GHB,
zijnde cocaïne en/of amfetamine en/of MDA (tenamfetamine), MDMA en/of MMDA en/of N-ethyl MDA en/of N-hydroxy MDA en/of MDEA (methyleen-dioxyethyl en/of 4-broom- 2,5-dimethoxyfenethylamine (2C-B) en/of GHB,
in elk geval (telkens) een (of meer) middel(len) vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
Feit 2
zij, op of omstreeks 10 mei 2022 (in een woning aan de [adres 2] te Heerlen) in de gemeente Heerlen, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad
- ongeveer 81 gram netto hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep (hasjiesj) waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd, en/of
- ongeveer 1.216 gram netto hennep(toppen), in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep,
zijnde hasjiesj en/of hennep, in elk geval (telkens) een (of meer) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer 2022069582, gesloten op 24 november 2022, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 817.
2.Het proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] Heerlen, p. 31, 32 en 33.
3.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507615), p. 49.
4.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507675), p. 54.
5.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507640), p. 55 en 56.
6.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507638), p. 55.
7.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507633), p. 50
8.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen met als bijlagen de rapporten NFiDENT, p. 64 t/m 76.
9.Het proces-verbaal van doorzoeking [adres 2] Heerlen, p. 31, 32 en 33.
10.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507594), p. 47.
11.De kennisgeving van inbeslagneming (goednummer: 1507416), p. 45.
12.Het proces-verbaal onderzoek verdovende middelen (indicatieve test hennep en hashish), p. 61.