AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Voorlopige voorziening over woonrecht na beëindiging samenlevingsovereenkomst
De zaak betreft een kort geding tussen twee voormalige samenwonenden over het gebruik van een woning die eigendom is van eiseres. Na het verbreken van hun relatie in 2021 bleven partijen in de woning wonen, waarbij zij het pand in twee zelfstandige wooneenheden splitsten. Eiseres heeft de notariële samenlevingsovereenkomst in oktober 2025 opgezegd en vordert dat gedaagde de woning binnen veertien dagen verlaat.
Gedaagde betwist dat hij zonder recht of titel verblijft en stelt dat partijen afspraken hebben gemaakt over het gebruik van de woning, waarbij hij het bovenste deel zou mogen blijven bewonen. De voorzieningenrechter oordeelt dat deze afspraak niet aannemelijk is gemaakt en dat gedaagde de bewijslast draagt. Gezien het eigendom van eiseres en de opzegging van de overeenkomst verblijft gedaagde zonder recht of titel in de woning.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek van gedaagde toe om nog zes maanden in de woning te mogen blijven wonen, conform artikel 15 vanPro de samenlevingsovereenkomst, en veroordeelt hem om uiterlijk binnen die termijn de woning te verlaten. Tevens wordt een dwangsom van €500 per dag opgelegd met een maximum van €25.000. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Gedaagde mag nog zes maanden in de woning verblijven en moet deze daarna verlaten, met een dwangsom bij niet-naleving.
Uitspraak
RECHTBANK Limburg
Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/349022 / KG ZA 26-28
Vonnis in kort geding van 19 maart 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. P. Winkens,
tegen
[persoon 2],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. Y.K. Kunze.
1.De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties 1 tot en met 3;
de conclusie van antwoord met reconventionele vordering en producties 1 tot en met 5;
de mondelinge behandeling van 5 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
2.De feiten
2.1.
De woning aan de [adres] (gemeente Voerendaal) (hierna: de woning) is eigendom van [persoon 1] .
2.2.
[persoon 1] en [persoon 2] hebben een affectieve relatie gehad) en wonen sinds 23 mei 2007 samen in de voornoemde woning. Gedurende de periode dat zij een affectieve relatie hadden, hebben zij in de woning een gemeenschappelijke huishouding gevoerd.
2.3.
Op 25 januari 2021 zijn partijen een notariële samenlevingsovereenkomst
aangegaan om de vermogensrechtelijke gevolgen van hun samenwoning te regelen
(productie 1 [persoon 1] ). Hierin hebben partijen - voor zover thans van belang - de volgende
afspraken gemaakt:
“(...) FINANCIERING EN GEBRUIKVAN DE EIGEN WONING
ARTIKEL 9
1. Indien de woning aan partijen gezamenlijk toebehoort, dragen partijen de lasten verbonden aan de financiering van de woning, met uitzondering van de in artikel 3 lid 2 bedoeldePro renten en kosten, naar verhouding van ieders aandeel in de woning. (...)
2. Partijen zijn tijdens deze overeenkomst gelijkelijk gerechtigd tot het gebruik van de woning die aan hen gezamenlijk of aan één van hen toebehoort.
(...)
EINDE
ARTIKEL 12
Deze overeenkomst eindigt:
a. door opzegging door een partij, in welk geval de overeenkomst eindigt op het tijdstip dat in de opzegging is aangegeven. De opzegging geschiedt bij aangetekend schrijven gericht aan de wederpartij, waarbij een opzegtermijn van ten minste een maand in acht genomen moet worden. Ingeval de verblijfplaats van de wederpartij niet bekend is, zal de opzegging worden gedaan bij de bewaarder van deze akte;
(...)
ARTIKEL 13
1. Indien deze overeenkomst eindigt anders dan door overlijden van een partij, zijn partijen verplicht:
a. iedere partij in bezit te stellen van de goederen die aan hem of haar toebehoren;
b. de gemeenschappelijke goederen te verdelen;
c. de waarde te verrekenen van de polissen van verzekering, waarvan partijen ingevolge het in de artikelen 3 en 9 bepaalde de premies en kosten gezamenlijk dienden te dragen.
2. Het in lid 1 bepaalde geldt niet indien partijen met elkaar een huwelijk of een geregistreerd partnerschap zijn aangegaan en de daar bedoelde goederen in een gemeenschap vallen.
(...)
(TIJDELIJKE) VOORTZETTING WOONGENOT EIGEN WONING
ARTIKEL 15
1. Ingeval de overeenkomst eindigt door opzegging of in onderling overleg, kan ieder van partijen de voorzieningenrechter verzoeken om te bepalen dat hij - met uitsluiting van de andere partij - nog zes maanden mag blijven wonen in de laatstelijk door beide partijen bewoonde woning.
(...)
3. Een regeling inzake verblijf of betaling als opgenomen in de leden 1 en 2 van dit artikel brengt nimmer het bestaan van een (onder)huurverhouding mee.
1. Partijen komen overeen de waardeontwikkeling (zowel de positieve als negatieve) met betrekking tot de woning aan de [adres] , gemeente Voerendaal, eigendom van partij sub 2, bij helfte te delen of te dragen Ter uitvoering hiervan is partij sub 2 verplicht in de navolgende gevallen de waarde van de genoemde door hen gezamenlijk bewoonde woning bij helfte te verrekenen met partij sub 1.
De gevallen waarin deze verrekenplicht bestaat zijn:
(...)
het beëindigen van de samenleving door overlijden of door het beëindigen van de relatie.
(...)
3. De grondslag voor de verrekening van de waarde is de waarde in onbewoonde staat, vrij van elk
gebruiksrecht. De waarde van de woning wordt vastgesteld door een in onderling overleg aan te wijzen taxateur
in onroerende zaken. Indien zij hieromtrent geen overeenstemming bereiken, wijst ieder één taxateur aan. Beide aldus aangewezen taxateurs wijzen vervolgens tezamen een derde taxateur aan. (...)”
2.4.
Enige tijd nadat de samenlevingsovereenkomst is gepasseerd (volgens [persoon 1] begin februari 2021 en volgens [persoon 2] een paar maanden later), heeft [persoon 2] de relatie feitelijk verbroken. Sindsdien verblijven partijen nog steeds samen in de woning: [persoon 2] verblijft in het bovenste deel en [persoon 1] in het onderste (kleinere) deel van de woning. De woning ligt in het heuvelland, waarbij het onderste deel bezien vanaf de voorzijde onder straatniveau ligt en bezien vanaf de achterzijde gelijk ligt met de achtertuin van de woning. [persoon 2] bewoont de verdieping die op straatniveau ligt en de daarboven gelegen verdieping. De woningen hebben ieder een zelfstandige ingang en zijn van binnen niet onderling verbonden. De keuken en de sanitaire voorzieningen worden niet gedeeld.
2.5.
Begin september 2021 (tussen 3 en 8 september 2021) hebben partijen de volgende WhatsApp-berichten over en weer gestuurd (productie 1 [persoon 2] ), waarbij het de voorzieningenrechter overigens niet steeds duidelijk is welk bericht door wie is verstuurd:
“Maar daarom heb ik wel alles met de Burgemeester geregeld mbt daken en alle andere zaken !! Daarom ga ik ook vandaag de gehele dag gas geven om alles te bestellen, te regelen ( ja ook voor jou ) om het hier toppie in orde te maken !!! Ik zou trouwens het balkon ook boven jou slaapkamer laten doorlopen, Dan kan ik me boven de Schuifpuì erin laten zetten, het spaart veel geld, en ik denk dat het qua daglicht naar de slaapkamer niet veel uit maakt. Zo jammer, jij wil alleen maar ruzie maken, maar als jij denkt dat het zo moet, tsja dan moet het maar zo !!! ( Doodzonde !!!!!!!) Ik wil graag dat we alles t/m December ( 4 maanden ) bij mekaar blijven gooien, alles bij mekaar leggen om alles zoveel als mogelijk af te kunnen werken. Daarna kunnen we alle financiële zaken uit mekaar trekken, desnoods alles splitsen etc!”
“Splits het nu maar Ik kijk best naar je computer maar niet op commando als het jou zint.
Ik moest de deur uit naar mijn werk ook al vind je dat niet belangrijk maar ik wil op tijd komen Hoezo overleg??? Je beslist weer iets zonder overleg. Ik ben het daar dus niet mee eens”
“(...) Helaas zitten weer met z’n tweeen in, Je weet dat ik hier wil blijven wonen. Jij verandert steeds weer. Je wil wonen, dan weer verhuren, dan weer verkopen, dan weer kantoorruimte maken, Je weet het zelf toch niet. Ik ga me in ieder geval niet krom leggen om beneden alles naar wens klaar te maken zodat jij dan weer wil/kan verkopen. Dan trek ik nu de stekker eruit en maak niets meer af. We zouden het samen afmaken om er dan naar eigen idee te wonen/kantoor te maken. Maar jij verandert steeds van gedachten en wil dat dan steeds met mij “bespreken” Daar heb ik geen zin in want morgen is het toch weer anders. (...)”
“Lees fatsoenlijk wat ik schrijf, en als dat kan is er 0 probleem
Lezen [persoon 1] , en stoppen met zeiken
Lezen
Privacy, 100 % voor jou en voor mij, alleen of met partner
En dan verkoop ik helemaal niets
Het enige wat ik echt wil, is dat als we aparte levens leiden, wij toch respect voor mekaar hebben, ook als iemand een nieuwe partner heeft!!!!”
“Ik ook”
2.6.
Inmiddels heeft [persoon 2] een nieuwe relatie, die regelmatig bij hem in (het bovenste
deel van) de woning verblijft.
2.7.
Bij brief van 9 oktober 2025 heeft [persoon 1] de samenlevingsovereenkomst met [persoon 2] formeel opgezegd (productie 2 [persoon 1] ). [persoon 1] heeft hierbij aan [persoon 2] laten weten dat hij de woning binnen een maand moet verlaten en moet opleveren.
2.8.
Bij brief van 29 oktober 2025 (productie 3 [persoon 1] ) heeft [persoon 2] aan [persoon 1]
- kort gezegd - laten weten de woning niet te zullen verlaten.
2.9.
Het is partijen niet gelukt buitengerechtelijk tot een oplossing te komen.
3.Het geschil
in conventie
3.1.
[persoon 1] vordert dat de voorzieningenrechter bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, op de minuut om:
[persoon 2] te veroordelen om uiterlijk binnen veertien dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis de woning gelegen aan de [adres] , gemeente Voerendaal, te verlaten, onder medeneming van uitsluitend zijn eigendommen en naar die woning niet meer terug te keren, op straffe van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte dat [persoon 2] daaraan niet voldoet;
[persoon 2] te veroordelen in de kosten van dit geding, evenals in de kosten ter executie van het in dezen te wijzen vonnis en tevens in de nakosten begroot conform liquidatietarief rechtbank en hoven.
3.2.
[persoon 2] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
3.4.
[persoon 2] verzoekt bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. te bepalen dat [persoon 2] op grond van artikel 15 vanPro de samenlevingsovereenkomst gedurende een periode van 6 maanden in de woning mag blijven wonen;
II. meer subsidiair te bepalen dat [persoon 2] in de woning mag blijven wonen tot op het moment dat partijen de financiële afwikkeling aangaande de woning hebben afgerond.
3.5.
[persoon 1] voert verweer.
3.6.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4.De beoordeling
in conventie en in reconventie
4.1.
Vanwege de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de
rechtbank deze gezamenlijk en in onderling verband beoordelen.
4.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor
toewijzing is nodig dat [persoon 1] daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Spoedeisend belang
4.3.
[persoon 1] heeft gesteld dat van haar kan niet worden gevergd dat zij accepteert dat
[persoon 2] nog veel langer, met zijn nieuwe partner, in haar woning verblijft. Naar de mening van [persoon 1] volgt het spoedeisend belang (ook) uit de aard van de vordering.
4.4.
[persoon 2] heeft aangevoerd dat [persoon 1] geen spoedeisend belang heeft bij de vordering. Partijen wonen al ruim vijf jaar na het verbreken van hun relatie in dezelfde woning. Partijen hebben een goede onderlinge verstandhouding. [persoon 2] ziet niet in waarom [persoon 1] deze woonsituatie thans abrupt wenst te beëindigen. [persoon 2] woont niet duurzaam samen met zijn nieuwe partner; zij verblijft “ zo nu en dan” bij hem. [persoon 2] heeft eerder (van december 2021 tot en met mei 2023) ook een relatie gehad, die regelmatig bij hem verbleef en daar heeft [persoon 1] nooit een probleem van gemaakt. [persoon 2] begrijpt dan ook niet waarom zijn huidige relatie een spoedeisend belang met zich meebrengt.
4.5.
Ter zitting heeft [persoon 1] verklaard dat de verstandhouding tussen partijen is verslechterd en dat zij mede om die reden de samenlevingsovereenkomst heeft opgezegd, waarna [persoon 2] heeft aangegeven de woning niet te willen verlaten. De voorzieningenrechter is van oordeel dat zij hiermee het spoedeisend belang voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
Verlaten woning door [persoon 2]
4.6.
[persoon 1] heeft gesteld dat de woning haar eigendom is. Zij heeft de samenlevingsovereenkomst rechtsgeldig opgezegd. [persoon 2] dient de woning te verlaten, omdat hij daar zonder recht of titel verblijft. [persoon 1] ontkent dat met [persoon 2] zou zijn afgesproken dat de woning zou worden gesplitst in twee aparte woningen en dat hij in het bovenste deel zou blijven wonen, zoals door [persoon 2] als verweer is gevoerd.. [persoon 2] heeft dat wel voorgesteld c.q. verzocht maar [persoon 1] heeft daarmee nimmer ingestemd. [persoon 2] heeft, aldus [persoon 1] , verder aangevoerd de woning wel te willen verlaten, maar pas nadat de financiële afwikkeling rond is: hij wil op grond van artikel 19 vanPro de samenlevingsovereenkomst de helft van de huidige overwaarde van de woning te ontvangen. Volgens [persoon 1] staat de financiële afwikkeling tussen partijen echter los van het verblijf in de woning van [persoon 2] , welk verblijf thans zonder recht of titel is. aldus [persoon 1] . Ter zitting heeft [persoon 1] verklaard in het begin van de verbouwing wel toestemming te hebben gegeven voor bouwvergunningen, maar dat niet meer te hebben gedaan voor de verbouwing van het bijgebouw. Zij heeft daarvoor ook geen vergunning aangevraagd, terwijl [persoon 2] wel - zonder vergunning en zonder haar toestemming - is gaan (ver)bouwen.
4.7.
[persoon 2] heeft primair als verweer aangevoerd dat partijen, toen hun relatie in 2021 verslechterde, afspraken hebben gemaakt over het verblijf in de woning. Het bovengedeelte van de woning is daarbij aan [persoon 2] en het benedengedeelte van de woning is aan [persoon 1] toegekend. Partijen wilden toentertijd beiden graag in de woning blijven wonen en hebben zodoende besloten om de woning gezamenlijk op te knappen en twee aparte woonruimtes te creëren (productie 1). Het is hierbij steeds de intentie van partijen geweest om voor ieder voldoende privacy te creëren en om een eigen huishouding te kunnen voeren. Partijen hebben om die reden ook duidelijke afspraken gemaakt over (onder andere) de verbouwing, de toegang tot elkaars woning en de betaling van de vaste lasten. Partijen waren eveneens voornemens om het eigendom van de woning zoals besproken bij helfte te verdelen en de woning in de toekomst bij de gemeente (juridisch) te laten splitsen. Om dit te kunnen bewerkstelligen, diende tevens de hypotheek gesplitst te worden. Vanwege de financiële kosten die hiermee gepaard gaan, is dit echter (nog) niet gebeurd. Desalniettemin verkeerde [persoon 2] in de veronderstelling dat partijen met elkaar tot overeenstemming waren gekomen en een definitieve afspraak hadden die nog schriftelijk zou worden vastgelegd. Om die reden heeft [persoon 2] de afgelopen vijf jaar ruim € 100.000,00 in de woning geïnvesteerd. [persoon 2] merkt hierbij op dat partijen ook hebben nagedacht over de situatie dat een der partijen in de toekomst mogelijk een nieuwe relatie zou krijgen. Nu het de bedoeling is geweest om twee aparte woonruimtes met voldoende privacy te creëren, zou dit voor partijen geen probleem zijn, aldus [persoon 2] .
4.8.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Vaststaat dat de woning eigendom is van [persoon 1] . Voorts staat vast dat [persoon 1] de samenlevingsovereenkomst per 10 oktober 2025 rechtsgeldig heeft opgezegd. Dat brengt mee dat [persoon 2] in beginsel zonder recht of titel in de woning verblijft. Dat zou anders zijn indien, zoals door [persoon 2] is gesteld, tussen partijen is overeengekomen dat [persoon 2] voor onbepaalde tijd in (de bovenste helft van) de woning zou mogen blijven wonen. [persoon 1] heeft die afspraak betwist. Uit de overgelegde Whatsapp-berichten (zie rov. 2.5) valt een dergelijke afspraak voorshands niet af te leiden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het kader van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld zonder bewijslevering - waartoe deze kortgedingprocedure zich niet leent - niet valt vast te stellen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft, en dat daartoe een bodemprocedure noodzakelijk is. Het risico daarvan ligt bij [persoon 2] op wie op grond van de algemene regels van de bewijslastverdeling de bewijslast rust om de door hem gestelde afspraak te bewijzen. Gelet hierop faalt het verweer van [persoon 2] dienaangaande.
4.9.
Aangezien de woning eigendom is van [persoon 1] en zij rechtsgeldig de samenlevingsovereenkomst heeft opgezegd, is voorshands voldoende aannemelijk geworden dat [persoon 2] op dit moment zonder recht of titel in de woning verblijft. In zoverre zal de voorzieningenrechter [persoon 2] veroordelen om de woning van [persoon 1] te verlaten.
4.10.
[persoon 1] heeft gevorderd dat [persoon 2] de woning binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis moet verlaten, terwijl [persoon 2] primair op grond van artikel 15 vanPro de samenlevingsovereenkomst heeft verzocht nog 6 maanden in de woning te mogen verblijven en subsidiair in de woning te mogen verblijven totdat alles financieel tussen partijen is afgewikkeld.
4.11.
De voorzieningenrechter ziet in hetgeen [persoon 2] heeft aangevoerd, te weten - kort gezegd - dat:
partijen al sinds 2007 samenwonen in de woning,
partijen ook na het verbreken van hun relatie de woning nog (samen) hebben verbouwd,
partijen na het verbreken van de feitelijke relatie in 2021 twee separate en zelfstandige
wooneenheden hebben gecreëerd, en [persoon 1] in het onderste deel en [persoon 2] in het
bovenste deel woont,
[persoon 1] circa 5 jaar met de feitelijke toestand heeft ingestemd althans deze heeft gedoogd,
in artikel 15 inPro de samenlevingsovereenkomst is overeengekomen dat ieder der partijen aan de voorzieningenrechter kan verzoeken om gedurende een termijn van zes maanden in de woning te mogen blijven wonen na het verbreken van de relatie,
aanleiding te bepalen dat [persoon 2] de woning niet binnen veertien dagen, zoals door [persoon 1] gevorderd, maar binnen zes maanden na betekening van dit vonnis moet verlaten. Gezien de formulering van de vordering in reconventie en gezien het feit dat [persoon 2] de afgelopen 5 jaar in de zelfstandige wooneenheid op de 1e en 2e verdieping heeft gewoond, begrijpt de voorzieningenrechter dat [persoon 2] het voortgezet gebruik wenst van die zelfstandige wooneenheid en dus niet het gebruik van de gehele woning met uitsluiting van [persoon 1] , zoals bepaald in artikel 16 vanPro de samenlevingsovereenkomst. In die zin wordt het door [persoon 2] bij petitum sub I gevorderde toegewezen.
Dwangsom
4.12.
[persoon 1] heeft gesteld dat [persoon 2] blijk heeft gegeven de woning niet vrijwillig te zullen verlaten. Een financieel drukmiddel is volgens [persoon 1] noodzakelijk om [persoon 2] te motiveren zich aan het te wijzen vonnis te houden. [persoon 1] acht een dwangsom van
€ 500,00 voor iedere dag, dan wel dagdeel, dat [persoon 2] nalaat aan een toewijzend vonnis te voldoen, redelijk. [persoon 2] heeft dit deel niet weersproken.
4.13.
De voorzieningenrechter zal een dwangsom opleggen en maximeren zoals hierna is vermeld.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.14.
[persoon 2] heeft verweer gevoerd tegen de door [persoon 1] gevorderde uitvoerbaarheid
bij voorraad: zijn belangen, in het licht van de omstandigheden van het geval, wegen zwaarder dan die van [persoon 1] . Indien de vorderingen van [persoon 1] onverhoopt zouden
worden toegewezen, beschikt [persoon 2] immers niet meer over een woonruimte en komt hij
letterlijk op straat te staan. Indachtig het voorgaande vordert [persoon 2] derhalve om de door
[persoon 1] gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraadverklaring af te wijzen. [persoon 1] heeft haar standpunt ter zake gehandhaafd.
4.15.
De voorzieningenrechter stelt vast dat partijen in de samenlevingsovereenkomst zelf een termijn van zes maanden zijn overeengekomen. Nu deze termijn, die [persoon 2] primair in reconventie vordert, zal worden toegewezen, valt niet in de te zien dat en waarom dit vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. Dit verweer van [persoon 2] faalt dan ook.
Proceskosten in conventie en in reconventie
4.16.
Gelet op de voormalige affectieve relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5.De beslissing
De voorzieningenrechter
in conventie en in reconventie
5.1.
veroordeelt [persoon 2] om uiterlijk binnen zes maanden na betekening van dit vonnis de woning gelegen aan de [adres] , gemeente Voerendaal, te verlaten, onder medeneming van uitsluitend zijn eigendommen en naar die woning niet meer terug te keren, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [persoon 2] hieraan niet voldoet, met een maximum van € 25.000,00,
5.2.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. dr. Verhoeven en in het openbaar uitgesproken op 19 maart 2026.