De rechtbank Limburg behandelde op 25 februari 2026 de ontnemingsvordering tegen verdachte, die op 11 maart 2026 werd uitgesproken. Verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van hennepteelt op 21 september 2023. De officier van justitie vorderde ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op €53.365,70, gebaseerd op een politierapport.
Verdachte verklaarde dat een oogst van 50 hennepplanten was verkocht voor €1.000,- en dat een andere kweekruimte onder het kippenhok mislukt was door vocht, waardoor daar geen opbrengst was. De rechtbank achtte de verklaring over de mislukte oogst aannemelijk, maar verwierp de lage opbrengst van €1.000,- als niet representatief en baseerde de berekening op het Functioneel Rapport Afpakken.
De rechtbank stelde het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €10.353,67, berekend op basis van 98 planten met een gemiddelde opbrengst van 32,2 gram per plant en een kiloprijs van €4.070,-, minus vaste en variabele kosten. Omdat verdachte samen met zijn inmiddels overleden zoon de hennepteelt pleegde, legde de rechtbank hem slechts de helft van het bedrag als betalingsverplichting op, namelijk €5.176,84.
De maatregel is opgelegd op grond van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank bepaalde tevens een gijzelingstermijn van 50 dagen voor het geval de betaling uitblijft.