Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.Het oordeel van de rechtbank
3.De beslissing
niet-ontvankelijkin de vordering.
Rechtbank Limburg
De rechtbank Limburg behandelde op 11 maart 2026 de zaak tegen de verdachte, die op een eerder moment in 2026 was overleden. Tijdens de terechtzitting van 25 februari 2026 werd vastgesteld dat de verdachte was overleden, waardoor het recht tot strafvordering volgens artikel 69 van Pro het Wetboek van Strafrecht vervalt.
De rechtbank verwees naar de jurisprudentie van de Hoge Raad, waarin is bevestigd dat het overlijden van de betrokkene ook het recht tot het aanvangen of voortzetten van een procedure tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel beëindigt. Dit betekent dat ook de ontnemingsvordering niet kan worden voortgezet.
Op grond van deze overwegingen verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vordering. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, in aanwezigheid van de rechters en griffier.
Uitkomst: Het Openbaar Ministerie is niet-ontvankelijk verklaard wegens het overlijden van de verdachte.