Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de dagvaarding van 21 maart 2024 met producties;
- de akte aanvulling eis van 30 april 2024;
- de brief met producties 1 tot en met 4 van gedaagde van 25 april 2024;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in kort geding van 30 april 2024;
- meerdere brieven met verzoek tot aanhouding van de zaak, die steeds zijn toegewezen;
- het verzoek om voortzetting van het kort geding zijdens eiser van 11 december 2025;
- het e-mailbericht zijdens gedaagde van 6 januari 2026;
- het exploot van betekening aanzegging en oproeping met wijziging van eis van
- het e-mailbericht van 26 februari 2026 van gedaagde met producties 1 tot en met 7;
- de voortzetting van de mondelinge behandeling op 3 maart 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt;
- ter zitting is zijdens eiser een taalkundig verbeterde versie van de akte wijziging van eis uitgereikt; de voorzieningenrechter zal het petitum zoals daarin geformuleerd tot uitgangspunt nemen.
2.De feiten
Ik verneem het graag van u zodra de akte ondertekend kan worden.(...)”
uiterlijk morgen vóór 12:00 uur.(...) Indien u geen overeenstemming bereikt over de door de heer [gemachtigde] voorgestelde regeling verneem ik eveneens graag
uiterlijk morgen vóór 12:00 uurof u maandag a.s. aanwezig zult zijn voor de ondertekening van de akte. (...)”
3.De geschil: de gewijzigde eis
4.De beoordeling
voorwaardestelt, maar is niet af te leiden dat eiser hiermee daadwerkelijk heeft
ingestemd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het kader van hetgeen partijen over en weer hebben gesteld zonder bewijslevering - waartoe deze kortgedingprocedure zich niet leent - niet valt vast te stellen wie van partijen het gelijk aan haar zijde heeft, en dat daartoe een bodemprocedure noodzakelijk is. Nu daarmee voorshands niet aannemelijk is geworden dat tussen partijen een afspraak met betrekking tot het verwijderen van de grond is gemaakt als voorwaarde voor het ondertekenen van de notariële “Akte van opheffing splitsing in appartementsrechten, verdeling en vestiging erfdienstbaarheden”, terwijl niet in geschil is dat partijen overeenstemming hebben omtrent de inhoud van de akte, ligt het door eiser gevorderde in beginsel voor toewijzing gereed.