ECLI:NL:RBLIM:2026:2170

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
11813256 \ CV EXPL 25-3044
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Quaedackers
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:213 BWArt. 7:219 BWArt. 6:265 BWArt. 555 RvArt. 444 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens opslag zwaar vuurwerk door minderjarige kinderen

Weller verhuurt een woning aan [huurder], die volgens de huurovereenkomst en algemene bepalingen als een goed huurder moet handelen. De politie trof tijdens een controle zwaar vuurwerk (categorie F3) aan in de slaapkamers van de minderjarige kinderen van [huurder]. Dit vuurwerk is verboden voor consumenten en brengt een groot brand- en ontploffingsgevaar met zich mee, zeker in een dichtbevolkte woonwijk.

Weller vordert ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning wegens het niet naleven van de huurovereenkomst en het creëren van een gevaarlijke situatie. [huurder] betwist kennis van het vuurwerk en stelt dat haar oudste zoon dit zonder haar medeweten heeft verstopt. Ook vraagt zij om een langere ontruimingstermijn vanwege de betrokken hulpverlening en het ontbreken van vervangende woonruimte.

De kantonrechter oordeelt dat [huurder] op grond van artikel 7:219 BW Pro verantwoordelijk is voor het gedrag van haar minderjarige kinderen en tekort is geschoten in haar verplichtingen. De aanwezigheid van het vuurwerk vormt een ernstig gevaar en rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst. Het belang van Weller bij veiligheid en leefbaarheid weegt zwaarder dan het belang van [huurder] bij het behoud van de woning. De ontruiming wordt toegewezen met een termijn van één maand na betekening, rekening houdend met de minderjarige kinderen.

De overlast wordt niet meer beoordeeld omdat de ontbinding en ontruiming reeds op andere gronden worden toegewezen. [huurder] wordt veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De huurovereenkomst wordt ontbonden en ontruiming van de woning binnen één maand toegewezen wegens opslag van zwaar vuurwerk door minderjarige kinderen.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11813256 \ CV EXPL 25-3044
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
STICHTING WELLER WONEN,
te Heerlen ,
eisende partij,
gemachtigde: mr. R.W. Janssen,
tegen
[huurder],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. B.H.S. Brinkman.
Partijen worden hierna aangeduid als Weller en [huurder] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het exploot van dagvaarding van 21 juli 2025 met producties 1 tot en met 10;
- de conclusie van antwoord;
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht van [huurder] van 16 december 2025 met één productie;
- het bericht van Weller van 30 december 2025 met producties 11 tot en met 18;
- het bericht van Weller van 5 januari 2026 met producties 19 en 20;
- de mondelinge behandeling van 14 januari 2026, waarvan de griffier zittingsaantekeningen heeft gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Weller verhuurt aan [huurder] de woning aan het [adres 1] (hierna: het gehuurde).
2.2.
In de huurovereenkomst is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Artikel 2.2: Huurder zal het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.”
2.3.
Op de huurovereenkomst zijn de Algemene bepalingen huurovereenkomst woonruimte van 20 maart 2017 (hierna: de algemene bepalingen) van toepassing verklaard. Daarin is, voor zover van belang, het volgende opgenomen:
“Artikel 14.4 Huurder zal bij het gebruik van het gebouw (…) geen hinder of overlast veroorzaken. Huurder zal er voor zorgdragen dat vanwege hem aanwezige derden of dieren dit evenmin doen.”
“Artikel 14.6 Huurder zal zich gedragen en het gehuurde gebruiken en onderhouden zoals het een goed huurder betaamt.”
“Artikel 15.2 Het is huurder niet toegestaan:
a.
in, op, aan of in de directe omgeving van het gehuurde milieugevaarlijke zaken te hebben, waaronder stankverspreidende, brandgevaarlijke of ontplofbare zaken.(…)”
2.4.
Weller heeft meerdere overlastmeldingen van de directe buren van [huurder] , wonend op [adres 2] , ontvangen. Deze meldingen hebben met name betrekking op geluids- en stankoverlast, veroorzaakt door de scooter van de oudste zoon van [huurder] , geluidsoverlast, veroorzaakt door geschreeuw, gestamp op de trappen en slaan met deuren in het gehuurde en overlast van ongedierte (vliegen) vanwege het afval in de tuin van het gehuurde.
2.5.
De politie [plaats] heeft een bestuurlijke rapportage opgesteld naar aanleiding van een controle van het gehuurde op 14 november 2024. In deze rapportage is onder meer opgenomen dat de politie (zwaar) vuurwerk heeft aangetroffen in het gehuurde, en dan met name in de slaapkamers van de (op dat moment) minderjarige kinderen van [huurder] . Het vuurwerk bestond uit 37x Cobra-6, 1x Cobra-8, 2x Sharks, 80x nitraten, 3x Kreta thunder en 1x Shell 3 inch en is door de politie in beslag genomen.
2.6.
Op 9 december 2024 heeft de gemeente [plaats] middels een handhavingsbeschikking voor de opslag van vuurwerk een last onder dwangsom opgelegd aan [huurder] . De last hield in dat bij een nieuwe constatering van opslag van vuurwerk of het laten opslaan daarvan in of bij de woning van [huurder] , een dwangsom van maximaal € 5.000,00 zou worden verbeurd. Bij uitspraak van deze rechtbank van 14 januari 2026 (met zaaknummer ROE 25/529 OWHAND) is dit besluit van de gemeente [plaats] vernietigd.

3.Het geschil

3.1.
Weller vordert – samengevat – de ontbinding van de tussen partijen bestaande huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.2.
Weller legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [huurder] zich niet als een goed huurder heeft gedragen door het veroorzaken van geluids- en stankoverlast en door het gehuurde te laten gebruiken als opslagplaats voor een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk. Weller stelt dat [huurder] , door het vuurwerk in huis te hebben, heeft toegestaan dat zeer ernstige onaanvaardbare risico’s in het leven zijn geroepen omdat het vuurwerk in de woning, midden in een woonwijk, had kunnen ontploffen. Een dergelijke ontploffing zouden het gehuurde en de aangrenzende woningen hebben weggevaagd en hadden kunnen leiden tot zwaar letsel of zelfs de dood van [huurder] , haar zonen en omwonenden.
3.3.
[huurder] voert verweer en concludeert primair tot afwijzing van de vorderingen van Weller en subsidiair, voor het geval de gevorderde ontruiming zal worden toegewezen, verzoekt zij om een ontruimingstermijn te hanteren van tien maanden. [huurder] betwist dat zij zich niet als een goed huurder heeft gedragen. Met betrekking tot het vuurwerk voert [huurder] aan dat zij niet op de hoogte was van de aanwezigheid daarvan, dat zij daar geen toestemming voor heeft gegeven en dat haar oudste zoon dit zonder haar medeweten heeft verstopt. Verder betwist zij de door Weller aangevoerde risico’s dat bij een ontploffing het gehuurde en de aangrenzende woning van de aardbodem zouden zijn verdwenen. Tot slot voert [huurder] aan dat zij en haar twee minderjarige zonen hulpverlening hebben geaccepteerd, dat met betrekking tot haar oudste zoon strenge voorwaarden zijn geformuleerd door de rechter-commissaris en sprake is van begeleiding door de jeugdreclassering en dat geen vervangende woonruimte aanwezig is.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het uitgangspunt is dat [huurder] zich als een goed huurder moet gedragen. [1] Dit betekent dat [huurder] zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Als [huurder] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [2] Beoordeeld moet worden of de tekortkoming, gelet op alle omstandigheden van het geval, waaronder het concrete belang van de huurder bij het voortduren van de huurovereenkomst, van voldoende gewicht is om de huurovereenkomst te ontbinden. [3]
4.2.
De kantonrechter overweegt dat het door de politie aangetroffen vuurwerk volgens de bestuurlijke rapportage van de politie behoort tot een van de zwaarste categorieën vuurwerk, namelijk categorie F3 van de Europese Pyrorichtlijn en het Vuurwerkbesluit (waarbij categorie F4 de zwaarste categorie is). Dit is vuurwerk dat volgens het Vuurwerkbesluit [4] middelmatig gevaar oplevert en enkel bestemd is voor gebruik buitenshuis, in een grote open ruimte. Sinds 1 december 2020 is deze categorie vuurwerk verboden voor vuurwerkverkopers en voor consumenten.
4.3.
Door het aanwezig hebben van dergelijk vuurwerk in het gehuurde zijn naar het oordeel van de kantonrechter diverse wettelijke voorschriften [5] overtreden en artikel 2.2 van de huurovereenkomst en artikelen 14.6 en 15.2 van de algemene bepalingen geschonden. Door de aanwezigheid van het vuurwerk is bovendien een reëel gevaar veroorzaakt voor de veiligheid van [huurder] en haar zonen, maar ook voor de omwonenden van het gehuurde en alle anderen die zich in de omgeving van het gehuurde bevinden. Daarbij acht de kantonrechter van belang dat het vuurwerk in bezit was van de, op dat moment nog, minderjarige zoon/zonen van [huurder] en gedeeltelijk was opgeslagen in hun slaapkamers, onder andere verstopt achter het bed en tussen de verwarmingsleiding/radiator en de muur. Ook van belang is dat het gehuurde een rijtjeswoning is, midden in een dichtbevolkte woonwijk. Een ontploffing van het vuurwerk binnen deze setting had, zo moet als een feit van algemene bekendheid worden beschouwd, tot desastreuze gevolgen kunnen leiden, zelfs tot dodelijke slachtoffers aan toe. [huurder] heeft dit weliswaar betwist maar een concrete onderbouwing van die betwisting ontbreekt.
4.4.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat door het (laten) opslaan van dergelijk vuurwerk in het gehuurde geen sprake is van goed huurderschap zoals bedoeld in artikel 7:213 BW Pro en dat [huurder] daardoor is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst met Weller. Dat [huurder] stelt dat zij geen wetenschap had van de aanwezigheid van het vuurwerk doet daar niets aan af nu zij op grond van artikel 7:219 BW Pro en als ouder van de kinderen verantwoordelijk is voor hun gedragingen in het gehuurde. Dat in het gehuurde vuurwerk is opgeslagen komt in beginsel dus voor haar rekening en risico, ook al had ze hier geen weet van. Uit vaste rechtspraak volgt dat voor een geslaagd beroep op artikel 7:219 BW Pro beslissend is of de huurder zich, in het licht van de gedragingen van derden, zelf niet als goed huurder heeft gedragen. De kantonrechter oordeelt dat daarvan in dit geval ook sprake is. Uit de bestuurlijke rapportage van de politie blijkt dat de controle van de woning is gedaan naar aanleiding van meldingen aan en waarnemingen van de wijkagent aangaande de handel in vuurwerk door een minderjarige vanuit het gehuurde. Gelet op het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [huurder] onvoldoende toezicht heeft gehouden op hetgeen gebeurde in/vanuit het gehuurde en de gevaarlijke situatie (mede) in de hand heeft gewerkt, althans (mede) mogelijk heeft gemaakt.
4.5.
De volgende vraag die de kantonrechter moet beantwoorden is of de tekortkoming van [huurder] ernstig genoeg is om de ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen, rekening houdende met alle omstandigheden van het geval. De kantonrechter zal daartoe de belangen van beide partijen afwegen.
4.6.
Weller heeft, als sociale woningbouwvereniging, de taak om de veiligheid en leefbaarheid van de gebieden waarin haar woningen gelegen zijn te bevorderen. In dat kader dient zij de veiligheid en gezondheid van haar huurders zo goed mogelijk te beschermen en dient zij hen een rustige woonomgeving te waarborgen. Zoals hiervoor al is overwogen is het gehuurde een rijtjeswoning in een dichtbevolkte woonwijk. De kantonrechter stelt voorop dat het in het gehuurde aangetroffen vuurwerk niet thuis hoort in een dergelijke woonomgeving omdat dit brand- en ontploffingsgevaar met zich meebrengt. [huurder] heeft door de aanwezigheid van het vuurwerk het risico in het leven geroepen dat het gehuurde beschadigd raakt, alsook dat de direct omliggende woningen beschadigd raken, naast de (mogelijk levensbedreigende) risico’s voor zichzelf, haar zonen en de omwonenden. Weller hoeft in alle redelijkheid niet te dulden dat in de door haar verhuurde woning dergelijk vuurwerk bewaard wordt en een dergelijke gevaarzettende situatie wordt gecreëerd. Tevens wordt het redelijk geacht dat Weller een signaal kan afgeven aan huurders en derden dat het aanwezig hebben van zwaar vuurwerk in haar woningen niet wordt getolereerd. Zij moet daar doortastend tegen kunnen optreden, gelet op het directe gevaar waaraan omwonenden zijn blootgesteld, zonder dat zij daar zelf voor hebben gekozen.
4.7.
Daartegenover staat het belang van [huurder] (en haar zonen) bij het behoud van het gehuurde. [huurder] heeft aangevoerd dat zij geen vervangende woonruimte heeft en bij ontruiming in een acute noodsituatie terecht zou komen, hetgeen gelet op de problematiek en de hulp/behandeling die haar oudste zoon ontvangt niet wenselijk is. [huurder] laat echter na feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit dit blijkt. Wel is gebleken dat diverse hulpverlenende instanties bij het gezin betrokken zijn.
4.8.
De kantonrechter acht het aannemelijk dat ontruiming van de woning niet alleen voor [huurder] , maar ook voor haar (minderjarige) kinderen negatieve gevolgen zal hebben. De belangen van de kinderen spelen dan ook een grote rol bij de vraag of ontruiming gerechtvaardigd is. Dit betekent echter niet dat een huurovereenkomst met een huurder met een minderjarig kind nooit mag worden ontbonden of dat een woning waarin minderjarige kinderen wonen nooit mag worden ontruimd. De ouders van een minderjarig kind zijn in beginsel verantwoordelijk voor tekortkomingen die tot een ontbinding en daaropvolgende ontruiming kunnen leiden. Het ligt dan ook in de eerste plaats op de weg van de ouders zelf om de nadelige effecten van de ontbinding en ontruiming voor hun kind zoveel mogelijk te beperken. Een vordering tot ontruiming zal niet kunnen worden toegewezen als de ontruiming tot een acute noodtoestand voor het kind zou leiden. Dat die situatie zich hier voordoet is echter niet gebleken. Dat voor [huurder] en haar kinderen daadwerkelijk dakloosheid dreigt als [huurder] de woning moet ontruimen, is evenmin gebleken. Een concrete onderbouwing daartoe ontbreekt immers. Er bestaat de mogelijkheid om (de reeds betrokken) hulpverlenende instanties in te schakelen. Ook anderszins is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die maken dat de ontruiming (gelet op de belangen van de kinderen) achterwege zou moeten blijven.
4.9.
De kantonrechter is dan ook van oordeel dat in dit geval het belang van Weller bij ontbinding van de huurovereenkomst zwaarder weegt dan het belang van [huurder] bij het behoud van de woning, gelet op de aard en ernst van de tekortkoming en de gevaarlijke situatie die is veroorzaakt. Weller moet daar handhavend tegen kunnen optreden. De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst zal daarom op grond van al het voorgaande worden toegewezen. [huurder] zal ook, in overeenstemming met de vordering van Weller, worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen. Gelet op de aanwezigheid van de minderjarige zoon (de oudste zoon is inmiddels meerderjarig geworden) in het gehuurde acht de kantonrechter het redelijk om de ontruimingstermijn vast te stellen op één maand na betekening van dit vonnis, in plaats van de gebruikelijke termijn van twee weken.
4.10.
Weller heeft geen machtiging van de kantonrechter nodig om de toegewezen ontruiming zo nodig af te dwingen. De in de wet aan de gerechtsdeurwaarder verleende bevoegdheden tot reële executie (artikelen 555 e.v. Rv in verbinding met artikel 444 Rv Pro) worden toereikend geacht, zodat Weller bij een afzonderlijke machtiging geen belang heeft.
4.11.
Omdat de gevorderde ontbinding en ontruiming reeds worden toegewezen op grond van de aanwezigheid van het vuurwerk in het gehuurde behoeft de door Weller gestelde overlast geen beoordeling meer.
4.12.
[huurder] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De proceskosten van Weller worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
135,00
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
822,95

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het [adres 1] ,
5.2.
veroordeelt [huurder] om Weller binnen één maand na betekening van dit vonnis in het vrije bezit te stellen van het gehuurde, en wel door het gehuurde geheel ontruimd, vrij van gebruik en gebruiksrechten en behoorlijk schoongemaakt aan Weller op te leveren,
5.3.
veroordeelt [huurder] in de proceskosten van € 822,95, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [huurder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Quaedackers en in het openbaar uitgesproken door mr. Bisscheroux op 11 maart 2026.

Voetnoten

1.Artikel 7:213 BW Pro.
2.Artikel 6:265 BW Pro.
4.Artikel 1A.1.3, lid 3 sub a Vuurwerkbesluit.
5.Artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit, artikel 6.4 sub a en f van het Besluit bouwwerken leefomgeving, artikel 22.18 lid 1 Omgevingsplan gemeente Heerlen en artikel 1.7a van de Omgevingswet.