ECLI:NL:RBLIM:2026:2155

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
5 maart 2026
Zaaknummer
C/03/344220 / HA ZA 25-341
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Roeffen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:88 BWArt. 1:94 BWArt. 6:119 BWArt. 706 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoofdelijke aansprakelijkheid voor lening tijdens huwelijk in gemeenschap van goederen

Eiseres heeft aan gedaagde partij 1, tijdens het huwelijk in gemeenschap van goederen met gedaagde partij 2, een lening van €62.500 verstrekt voor diens eenmanszaak. Na echtscheiding vordert eiseres betaling van de lening inclusief wettelijke rente en kosten.

Gedaagde partij 2 betwist aansprakelijkheid omdat hij de lening niet heeft goedgekeurd en meent dat toestemming vereist is volgens artikel 1:88 BW Pro. De rechtbank oordeelt dat dit artikel niet van toepassing is omdat het niet gaat om borgstelling of zekerheidstelling, maar om een lening voor de onderneming van één echtgenoot.

Op grond van artikel 1:94 BW Pro valt de lening in de gemeenschap van goederen, waardoor beide echtgenoten hoofdelijk aansprakelijk zijn. De rechtbank wijst de vordering toe tegen beide gedaagden, veroordeelt hen tot betaling van de hoofdsom, wettelijke rente vanaf dagvaarding, beslagkosten en proceskosten, met uitzondering van proceskosten tegen gedaagde partij 2 wegens rauwe dagvaarding.

Uitkomst: Beide echtgenoten worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van de lening van €62.500 met wettelijke rente en kosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: C/03/344220 / HA ZA 25-341
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. E.L.B. Geraedts,
tegen

1.[gedaagde partij 1] ,

te [plaats 2] ,
niet verschenen,
2.
[gedaagde partij 2],
te [plaats 2] ,
advocaat: mr. L.A.W. Hermans,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] .

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de verstekverlening tegen [gedaagde partij 1]
- de conclusie van antwoord van [gedaagde partij 2]
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eisende partij] heeft aan [gedaagde partij 1] in de periode van april 2023 tot april 2024 geld geleend voor de eenmanszaak van [gedaagde partij 1] . In totaal is een bedrag van € 62.500,-- voor onbepaalde tijd uitgeleend zonder dat daarvoor rente was verschuldigd.
2.2.
De leningen zijn voor verstrekt in een periode dat [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Dit huwelijk is inmiddels door echtscheiding ontbonden. [gedaagde partij 1] was de schoondochter van [eisende partij] en [gedaagde partij 2] is de zoon van [eisende partij] .
2.3.
Bij brief van 3 mei 2025 heeft [eisende partij] de lening aan [gedaagde partij 1] opgezegd en om terugbetaling van de totale leensom gevraagd. Bij brief van 28 mei 2025 is [gedaagde partij 1] gesommeerd om de lening uiterlijk 6 juni 2025 af te lossen.
2.4.
Omdat [gedaagde partij 1] geen gehoor heeft gegeven aan de sommatie heeft [eisende partij] na daartoe verkregen verlof van de voorzieningenrechter conservatoir beslag laten leggen op de woning van gedaagden.

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert - samengevat - hoofdelijke veroordeling van gedaagden om aan [eisende partij] te betalen een bedrag van € 62.500,-- aan hoofdsom te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 15 juni 2025 althans vanaf de dag van dagvaarden alsmede de beslagkosten, met veroordeling van gedaagden in de proceskosten.
3.2.
[gedaagde partij 1] is niet in de procedure verschenen en tegen haar is verstek verleend. [gedaagde partij 2] heeft verweer gevoerd. Hij is van mening dat hij niet aansprakelijk is voor de door [gedaagde partij 1] afgesloten lening en dat de vordering tegen hem dient te worden afgewezen.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[gedaagde partij 1] heeft de tegen haar ingestelde vordering niet weersproken. [eisende partij] heeft de gegrondheid van haar vordering tegen [gedaagde partij 1] deugdelijk onderbouwd met onder andere rekeningafschriften waaruit de geleende geldbedragen blijken. De onweersproken vordering komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat deze voor zover gericht tegen [gedaagde partij 1] kan worden toegewezen zoals bij de beslissing vermeld.
4.2.
De gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij 2] tot betaling van de hoofdsom van € 62.500,-- acht de rechtbank eveneens toewijsbaar. Dit oordeel is gebaseerd op de volgende overwegingen.
4.3.
[gedaagde partij 2] heeft niet betwist dat [gedaagde partij 1] een bedrag van € 62.500,-- heeft geleend van [eisende partij] . [gedaagde partij 2] vindt echter dat hij daar niet voor aansprakelijk is omdat hij die lening niet heeft goedgekeurd terwijl dat volgens hem op grond van artikel 1:88 lid 1 BW Pro wel vereist is. Dit verweer kan echter om de volgende reden niet slagen.
4.4.
Volgens art. 1:88 lid Pro 1, aanhef en onder c BW heeft een echtgenoot de toestemming nodig van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Het gaat in deze categorie om zakelijke of persoonlijke zekerheden die een echtgenoot aan derden kan geven. Omdat dit riskante rechtshandelingen zijn, heeft de wetgever deze gebonden aan de toestemming van de andere echtgenoot. Daarvan is in dit geval geen sprake, zodat genoemd toestemmingsvereiste niet geldt. [1] Dit betekent dat artikel 1:88 BW Pro geen grond biedt voor een vernietiging van de lening door [gedaagde partij 2] .
4.5.
Omdat de lening is aangegaan tijdens het huwelijk (in gemeenschap van goederen), valt de lening op grond van artikel 1:94 BW Pro in de gemeenschap van goederen. Daardoor is [gedaagde partij 2] na de echtscheiding naast [gedaagde partij 1] hoofdelijk aansprakelijk voor deze gemeenschapsschuld. De gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde partij 2] tot terugbetaling van de lening is dan ook toewijsbaar.
Over de hoofdsom zal de wettelijke rente pas worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarden (25 juli 2025) omdat de eerdere ingebrekestellingen alleen aan [gedaagde partij 1] zijn gericht.
4.6.
Aan het verzoek van [gedaagde partij 2] om de vordering jegens hem bij toewijzing te matigen en eventuele executie van het beslag op de woning te schorsen, het beslag op te heffen of te beperken tot het aandeel van [gedaagde partij 1] gaat de rechtbank voorbij vanwege het ontbreken van een motivering en een juridische grondslag.
4.7.
De vordering om [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten acht de rechtbank gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv Pro toewijsbaar, maar enkel ten aanzien van [gedaagde partij 1] omdat [gedaagde partij 2] niet eerder in gebreke is gesteld en pas bij dagvaarding bekend werd met de vordering. De beslagkosten worden vastgesteld op € 550,62 voor kosten deurwaardersexploten, € 331,00 voor griffierecht en € 1.214,00 voor salaris advocaat (1,0 punt(en) × € 1.214,00), totaal € 2.095,62.
4.8.
Met betrekking tot de proceskosten geldt dat op grond van de wet de in het ongelijk gestelde partij moet worden veroordeeld in de kosten van de procedure. [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] zijn in het ongelijk gesteld. [gedaagde partij 1] zal dan ook in de proceskosten worden veroordeeld. Ook voor [gedaagde partij 2] geldt dat hij ten tijde van het uitbrengen van de dagvaarding niet de hoofdsom had betaald en dus terecht gedagvaard is zodat deze kosten in beginsel voor zijn rekening komen. Dit kan anders zijn als hij rauwelijks – dus zonder eerdere aankondiging – is gedagvaard. Zoals hierboven is overwogen was geen van de aanmaningen aan [gedaagde partij 2] gericht. Dit betekent dat [gedaagde partij 2] rauwelijks is gedagvaard, zodat de rechtbank aanleiding ziet om de gevorderde proceskostenveroordeling ten aanzien van [gedaagde partij 2] af te wijzen.
De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
146,43
- griffierecht
1.043,00
- salaris advocaat
1.214,00
(1 punt × € 1.214,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.581,43
4.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
veroordeelt [gedaagde partij 1] en [gedaagde partij 2] hoofdelijk om aan eiseres te betalen een bedrag van € 62.500,00,-- te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 25 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde partij 1] in de beslagkosten, tot op heden vastgesteld op € 2.095,62, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na deze uitspraak tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde partij 1] in de proceskosten van € 2.581,43, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde partij 1] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [gedaagde partij 1] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Roeffen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.

Voetnoten

1.GS Personen- en familierecht, art. 1:88 BW Pro, aant. 7.1