ECLI:NL:RBLIM:2026:2059

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
3 maart 2026
Publicatiedatum
3 maart 2026
Zaaknummer
C/03/349457 / KG ZA 26-48
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:2a lid 2 BWArt. 3:109 BWArt. 3:118 BWArt. 3:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot afgifte van hond wegens onvoldoende bewijs eigendom in kort geding

Partijen hadden een affectieve relatie en kochten samen een Pomeriaan teefje, genaamd [hond], in 2022. Na beëindiging van hun relatie in 2025 ontstond een geschil over wie de eigenaar van de hond is. De hond verblijft sinds juli 2025 bij de gedaagde partij.

De eiser vordert in kort geding de afgifte van de hond en het paspoort, stellende dat zij de enige eigenaar is, onderbouwd met de koopovereenkomst en betalingsbewijzen. De gedaagde partij betwist dit en stelt dat de hond gezamenlijk is gekocht en dat hij sinds de relatiebeëindiging als enige eigenaar fungeert, met registratie en verzorging op zijn naam.

De rechtbank stelt vast dat een hond juridisch geen zaak is, maar dat de regels over zaken wel van toepassing zijn. Op grond van wettelijke bewijsvermoedens wordt de bezitter vermoed eigenaar te zijn, tenzij dit wordt weerlegd. De rechtbank oordeelt dat in kort geding onvoldoende bewijs is geleverd om het vermoeden te ontkrachten en dat nadere bewijslevering nodig is.

Daarom wijst de rechtbank de vorderingen af en compenseert de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De vordering tot afgifte van de hond wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van eigendom in kort geding.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/349457 / KG ZA 26-48
Vonnis in kort geding van 3 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij],
wonende te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. D.V.C.J. Laumen,
tegen
[gedaagde partij],
wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
mr. J.M. McKernan.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met de producties 1 tot en met 5,
- de door [gedaagde partij] overgelegde producties 1 tot en met 3,
- de mondelinge behandeling van 26 februari 2026.

2.De feiten

2.1.
Tussen partijen heeft vanaf 2021 een affectieve relatie bestaan.
2.2.
Op [datum] 2022 is [hond] , een teefje van het ras Pomeriaan (Dwergkeeshond), gechipt onder het nummer: [nummer] , gekocht bij [bedrijf] . [1] Er is voor [hond] in totaal € 2.800,00 inclusief btw betaald. [eisende partij] heeft voor de aankoop € 2.685,00 giraal voldaan. [2] Het resterende bedrag is contant betaald. Op 7 juli 2022 is [hond] opgehaald bij [bedrijf] .
2.3.
In april 2024 zijn partijen gaan samenwonen. In april 2025 hebben partijen hun affectieve relatie beëindigd, waarmee tevens een einde is gekomen aan het samenwonen.
2.4.
Aanvankelijk zorgden partijen na het beëindigen van de relatie om beurten voor [hond] . [hond] verblijft sinds 27 juli 2025 bij [gedaagde partij] .

3.Het geschil

3.1.
[eisende partij] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [gedaagde partij] veroordeelt tot afgifte van de hond, van het ras Pomeriaan (Dwergkeeshond) genoemd [hond] en geregistreerd onder het chipnummer: [nummer] , aan [eisende partij] , levend en in een goede conditie, binnen 48 uur na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde partij] na betekening van dit
vonnis niet aan deze veroordeling voldoet;
2. [eisende partij] machtigt om de afgifte van de hond zo nodig ten uitvoer te (doen) leggen met behulp van de sterke arm van politie en/of justitie;
3. [gedaagde partij] veroordeelt tot afgifte van het paspoort van [hond] aan [eisende partij] , binnen
48 uur na betekening van dit vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,00 per dag, dan wel een in goede justitie te bepalen dwangsom, voor iedere dag of dagdeel dat [gedaagde partij] na betekening van dit vonnis niet aan deze veroordeling voldoet;
4. [gedaagde partij] veroordeelt in de buitengerechtelijke incassokosten ad € 925,00, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van betekening van deze dagvaarding, tot de dag der algehele voldoening;
5. [gedaagde partij] te veroordeelt in de kosten van deze procedure en advocaatkosten, te vermeerderen met de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.
3.2.
[gedaagde partij] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
[eisende partij] heeft voldoende onderbouwd gesteld dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevorderde voorzieningen, zodat zij ontvankelijk is in haar vorderingen.
Vordering 1 tot en met 4
Kern van de zaak
4.2.
Partijen verschillen van mening wie de eigenaar is van hond [hond] ; ieder van hen stelt de (enig) eigenaar te zijn.
Juridisch kader toegepast op vaststaande feiten
4.3.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een hond geen zaak is, maar dat de regels over zaken in het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) wel van toepassing zijn (artikel 3:2a lid 2 BW).
4.4.
Tussen partijen staat vast dat [hond] sinds juli 2025 bij [gedaagde partij] verblijft en hij sindsdien de feitelijke macht over [hond] uitoefent en [hond] verzorgt. [3]
4.5.
Op grond van artikel 3:109 BW Pro wordt vermoed dat [gedaagde partij] [hond] voor zichzelf houdt en daarmee de bezitter van [hond] is. Volgens artikel 3:119 BW Pro leidt dat bezit tot het vermoeden dat hij rechthebbende (eigenaar) is. Dat wettelijk vermoeden is weerlegbaar. Daarvoor moet [eisende partij] bewijs leveren, waardoor deze vermoedens worden ontkracht.
4.6.
Volgens artikel 3:118 lid 1 BW Pro is een bezitter te goeder trouw wanneer hij zich als rechthebbende beschouwt en zich ook redelijkerwijs als rechthebbende mocht beschouwen. Volgens artikel 3:118 lid 3 BW Pro wordt de goede trouw vermoed aanwezig te zijn, en moet [eisende partij] het ontbreken van goede trouw bewijzen.
Standpunten partijen
4.7.
[eisende partij] voert aan dat zij [hond] heeft gekocht en dat de hond vanaf aanvang alleen haar eigendom is geweest. Zij heeft ter onderbouwing van die stelling de koopovereenkomst met [bedrijf] overgelegd, waarop zij als koper staat vermeld. [4] Verder wijst zij erop dat zij vanaf haar bankrekening de betalingen aan [bedrijf] verricht heeft. [5] Beide partijen waren aanwezig toen [hond] opgehaald werd bij de fokker, maar [hond] is in het stamboek op haar naam gezet. Nadien is de eigendom van [hond] niet overgedragen aan [gedaagde partij] . Hij heeft [hond] sinds 27 juli 2025 zonder haar toestemming bij zich gehouden, zo stelt [eisende partij] .
4.8.
[gedaagde partij] betwist dat [eisende partij] de eigenaar is. Partijen hebben [hond] samen gekocht. Uit de koopovereenkomst waarnaar [eisende partij] verwijst, volgt volgens hem niet wie de eigenaar is van [hond] . Deze overeenkomst is enkel door [eisende partij] ingevuld, omdat zij alles omtrent de koop van de hond regelde. De aankoopprijs van [hond] is grotendeels betaald met zijn geld; hij had inkomen uit werk, terwijl [eisende partij] nog studeerde. Partijen hebben [hond] samen opgehaald. De hond was daarom aanvankelijk gemeenschappelijk eigendom, aldus [gedaagde partij] . Toen partijen uit elkaar zijn gegaan, hebben zij de eenvoudige gemeenschap bestaande uit de hond, verdeeld en is [hond] destijds aan [gedaagde partij] toegedeeld. Ter onderbouwing van die stelling heeft [gedaagde partij] afschriften van Whats-app contact tussen partijen overgelegd [6] . [gedaagde partij] stelt sindsdien enig eigenaar van de hond te zijn. Hij staat met ingang van 12 augustus 2025 als zodanig geregistreerd bij de Nederlandse databank gezelschapsdieren. Ook is hij in het bezit van het paspoort van [hond] en is hij diegene die de kosten voor de verzekering en de dierenarts voldoet, aldus [gedaagde partij] .
Oordeel
4.9.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat hetgeen [eisende partij] aangevoerd heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde partij] , onvoldoende is om, binnen het bestek van dit kort geding, de wettelijke bewijsvermoedens te weerleggen. Nu partijen ieder een andere lezing hebben van de feiten en omstandigheden rondom de koop, de levering, de registratie van [hond] , en de afspraken over [hond] toen partijen uit elkaar zijn gegaan, dient daarover nadere bewijslevering plaats te vinden. Hiervoor is echter in kort geding geen plaats.
4.10.
De slotsom is dat de vorderingen onder 1 tot en met 4 zullen worden afgewezen, omdat in dit kort geding niet in voldoende mate aannemelijk is geworden dat [eisende partij] de eigenaar is van [hond] .
Vordering 5 (proceskosten)
4.11.
Aangezien partijen eerder een relatie met elkaar hebben gehad, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de wijze als hierna bepaald is.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
wijst de gevorderde voorzieningen af,
5.2.
compenseert de proceskosten tussen partijen aldus dat ieder van hen de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2026.

Voetnoten

1.Productie 1 bij dagvaarding
2.Productie 2 bij dagvaarding
3.Zie rov. 2.4
4.Productie 1 bij dagvaarding
5.Productie 2 bij dagvaarding
6.Productie 3 van [gedaagde partij]