Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2036

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
C/03/346940 / HA ZA 25-476
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 217 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing van voeging aan zijde gedaagde in geldleningsovereenkomst

In deze civiele bodemzaak vordert eiser betaling van een geldlening aan de vennootschap [B.V.]. Een derde partij, die mede schuldeiser is en indirect bestuurder van [B.V.], verzoekt om voeging aan de zijde van de gedaagde partij. De verzoekster stelt dat zij belang heeft bij de voeging vanwege haar positie als medeschuldeiser, haar indirecte bestuurderschap en haar rol in een lopende echtscheidingsprocedure waarin de verdeling van de vordering centraal staat.

De rechtbank overweegt dat voeging op grond van artikel 217 Rv Pro alleen kan worden toegestaan indien de verzoeker een belang heeft bij de procedure, waarbij een nadelige uitkomst voor de partij aan wier zijde wordt gevoegd, de rechtspositie van de verzoeker kan schaden. Gezien de verschillende rollen van verzoekster acht de rechtbank dit belang aanwezig. Zij kan als indirect bestuurder alleen de belangen van de vennootschap behartigen, maar niet haar eigen belangen als medeschuldeiser en partij in de echtscheidingsprocedure.

De rechtbank wijst de voeging toe en compenseert de proceskosten tussen de verzoeker en de andere partijen vanwege de familierechtelijke relatie. De zaak wordt aangehouden voor verdere behandeling na voeging. Het vonnis is gewezen door rechter Etman en in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank staat toe dat verzoekster zich voegt aan de zijde van de gedaagde en compenseert de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/346940 / HA ZA 25-476
Vonnis in incident van 11 maart 2026
in de zaak van
[persoon 1],
te [plaats] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 1] ,
advocaat: mr. G.T.J. Hoff,
tegen
[B.V.],
te [plaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [B.V.] ,
advocaat: mr. R.L.G.J. Eikelboom,
en
[persoon 2],
te [plaats] ,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: [persoon 2] ,
advocaat: mr. R.M.H.H. Tuinstra.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met producties 1 t/m 9,
  • de conclusie van antwoord met productie 1
  • de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv Pro met producties 1 t/m 4
  • de incidentele conclusie van antwoord van [persoon 1] ,
  • de incidentele conclusie van antwoord van [B.V.] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten

2.1.
[persoon 1] en [persoon 2] hebben op grond van een geldleningsovereenkomst een lening verstrekt aan [B.V.] . [1]
2.2.
[B.V.] is een vennootschap waarvan [persoon 2] en haar zuster [naam] indirect bestuurders zijn. [2]
2.3.
Tussen [persoon 1] en [persoon 2] is een echtscheidingsprocedure aanhangig.

3.Het geschil

in de hoofdzaak
3.1.
[persoon 1] stelt samen met [persoon 2] een vordering op [B.V.] te hebben uit hoofde van een geldleningsovereenkomst. [persoon 1] heeft de lening opgeëist. [B.V.] heeft aan de sommatie geen gehoor gegeven. [persoon 1] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
  • [B.V.] zal veroordelen tot betaling van € 1.270.765,60, te vermeerderen met wettelijke rente sedert 14 oktober 2025;
  • [B.V.] zal veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de beslagkosten bestaande uit € 443,03 en de nakosten bestaande uit € 173,00 aan nasalaris in geval betekening plaatsvindt en de explootkosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening.
in het incident
3.2.
[persoon 2] vordert dat het haar is toegestaan om zich in de hoofdzaak aan de zijde van [B.V.] te voegen. Zij stelt dat zij en [persoon 1] als schuldeisers een geldleningovereenkomst gesloten hebben met [B.V.] als schuldenaar, waarvan zij indirect bestuurder is. [persoon 2] heeft derhalve een rechtsbetrekking met de medeschuldeiser en een indirect rechtsbetrekking met de schuldenaar. [persoon 2] stelt belang te hebben bij de gevorderde voeging, omdat zij als medeschuldeiser het er niet mee eens is dat
[persoon 1] tot inning van de vordering overgaat. Zij meent dat de bevoegdheid tot inning van vordering hen alleen samen toekomt. Verder geldt dat zij in het kader van de echtscheiding tot een vermogensrechtelijke afwikkeling wenst te komen waarbij de eenvoudige gemeenschap van vordering op [B.V.] aan haar zal worden toegedeeld. Zij heeft daarbij belang mede vanwege haar positie als (indirect) aandeelhouder/bestuurder van [B.V.] . Indien in de hoofdzaak de vordering wordt toegewezen en alleen aan
[persoon 1] betaald wordt, dreigt benadeling of verlies van een recht, aldus [persoon 2] .
3.3.
[persoon 1] voert verweer. Hij stelt dat [persoon 2] geen eigen belang heeft bij de gevorderde voeging, nu zij reeds als gevolg van haar bestuurlijke betrokkenheid bij [B.V.] alle mogelijkheden heeft om zich te verweren tegen de vordering in de hoofdzaak.
De verweren van [B.V.] zoals verwoord in de conclusie van antwoord, komen bovendien neer op hetgeen [persoon 2] als gevoegde partij naar voren wenst te brengen.
3.4.
[B.V.] stemt in met de door [persoon 2] gevorderde voeging.

4.De beoordeling in het incident

4.1.
Voor toewijzing van een incidentele vordering op grond van artikel 217 Rv Pro dient de partij die voeging vordert een belang te hebben bij het tussen de andere partijen aanhangige geding. Voor het aannemen van een dergelijk belang is voldoende dat een uitkomst van de procedure die ongunstig is voor de partij aan wier zijde de derde zich voegt, de rechtspositie van de derde nadelig kan beïnvloeden. Onder nadelige gevolgen in dit verband zijn te verstaan de feitelijke of juridisch gevolgen die de toe- dan wel afwijzing van de in de procedure ingestelde vordering of het gezag van gewijsde van de in die procedure gegeven eindbeslissingen zal kunnen hebben voor degene die de voeging vordert.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden toegewezen.
[persoon 2] vervult drie verschillende rollen: als medeschuldeiser van de geldleningsvordering op [B.V.] , als indirect bestuurder van de vennootschap [B.V.] die schuldenaar is van de geldleningsvordering en als partij in de echtscheidingsprocedure die toedeling aan haar wenst van de eenvoudige gemeenschap, die bestaat tussen haar en [persoon 1] , van de geldleningsovereenkomst. In de hoofdzaak kan zij als indirect bestuurder alleen de belangen van [B.V.] vertegenwoordigen. Zij kan daar, als zij geen procespartij is, niet haar belangen verdedigen als medeschuldeiser van de geldleningsovereenkomst en als partij in de echtscheidingsprocedure, die van mening is dat vordering in de hoofdzaak strijdig is met de echtscheidingsprocedure omdat daarin de verdeling van de eenvoudige gemeenschap van de geldleningsovereenkomst aan de orde komt. Vanwege die belangen zal de voeging worden toegestaan.
4.3.
De proceskosten tussen [persoon 2] en [persoon 1] zullen worden gecompenseerd vanwege de familierechtelijke relatie.
4.4.
Ook de proceskosten tussen [persoon 2] en [B.V.] zullen worden gecompenseerd.

5.De beslissing

De rechtbank
in het incident
5.1.
staat toe dat [persoon 2] zich voegt aan de zijde van [B.V.] ,
5.2.
compenseert de proceskosten tussen [persoon 2] en [persoon 1] in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.3.
compenseert de proceskosten tussen [persoon 2] en [B.V.] in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
5.4.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
22 april 2026voor:
  • conclusie na voeging aan de zijde van [persoon 2] ,
  • opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode juni tot en met oktober 2026,
5.5.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.productie 1 bij dagvaarding
2.productie 4 bij dagvaarding