Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- de dagvaarding met producties 1 t/m 9,
- de conclusie van antwoord met productie 1
- de incidentele conclusie tot voeging ex artikel 217 Rv Pro met producties 1 t/m 4
- de incidentele conclusie van antwoord van [persoon 1] ,
- de incidentele conclusie van antwoord van [B.V.] .
2.De feiten
3.Het geschil
- [B.V.] zal veroordelen tot betaling van € 1.270.765,60, te vermeerderen met wettelijke rente sedert 14 oktober 2025;
- [B.V.] zal veroordelen in de kosten van dit geding, inclusief de beslagkosten bestaande uit € 443,03 en de nakosten bestaande uit € 173,00 aan nasalaris in geval betekening plaatsvindt en de explootkosten, alles te vermeerderen met wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van het vonnis tot aan de dag der voldoening.
[persoon 1] tot inning van de vordering overgaat. Zij meent dat de bevoegdheid tot inning van vordering hen alleen samen toekomt. Verder geldt dat zij in het kader van de echtscheiding tot een vermogensrechtelijke afwikkeling wenst te komen waarbij de eenvoudige gemeenschap van vordering op [B.V.] aan haar zal worden toegedeeld. Zij heeft daarbij belang mede vanwege haar positie als (indirect) aandeelhouder/bestuurder van [B.V.] . Indien in de hoofdzaak de vordering wordt toegewezen en alleen aan
[persoon 1] betaald wordt, dreigt benadeling of verlies van een recht, aldus [persoon 2] .
4.De beoordeling in het incident
5.De beslissing
22 april 2026voor:
- conclusie na voeging aan de zijde van [persoon 2] ,
- opgave verhinderdata aan de zijde van alle partijen voor een mondelinge behandeling in de periode juni tot en met oktober 2026,