Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:2022

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
2 maart 2026
Publicatiedatum
2 maart 2026
Zaaknummer
12064052 \ OV VERZ 26-6
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
  • Etman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 196 RvArt. 197 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopig getuigenverhoor ondanks vermoedelijke dementie getuige

De kantonrechter van Rechtbank Limburg heeft op 2 maart 2026 een verzoek tot het houden van een voorlopig getuigenverhoor toegewezen. Verzoeker vordert bewijs van twee mondelinge overeenkomsten met de betrokkene, die onder bewind staat vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand. Bewindvoerder betwist de overeenkomsten en stelt dat de betrokkene dementerend is en niet in staat is een betrouwbare verklaring af te leggen.

De kantonrechter overweegt dat hoewel er sterke aanwijzingen zijn dat de betrokkene dementerend is, op basis van de overgelegde stukken niet kan worden vastgesteld dat hij niet in staat is een verklaring af te leggen of dat zijn verklaring evident onbetrouwbaar is. Het is aan de rechter-commissaris die het verhoor zal leiden om te beoordelen of het verhoor van de betrokkene zinvol kan worden voltooid, rekening houdend met zijn geestelijke toestand.

De beschikking bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Maastricht, met de mogelijkheid dat de rechter-commissaris later bepaalt waar de betrokkene wordt gehoord. Tevens is geregeld dat verzoeker binnen twee weken de namen van getuigen en verhinderdagen schriftelijk moet opgeven. De kantonrechter wijst erop dat het verhoor per getuige maximaal 60 minuten zal duren, tenzij anders gemotiveerd wordt verzocht.

Deze beschikking biedt verzoeker de mogelijkheid om bewijs te verzamelen voordat een procedure wordt gestart, waarbij de belangen van de betrokkene worden beschermd door de beoordeling van de rechter-commissaris over de haalbaarheid en betrouwbaarheid van het getuigenverhoor.

Uitkomst: Verzoek tot voorlopig getuigenverhoor wordt toegewezen ondanks vermoedelijke dementie getuige; rechter-commissaris beoordeelt haalbaarheid verhoor.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer / rekestnummer: 12064052 \ OV VERZ 26-6
Beschikking van 2 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats 1] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. A.J.J. Kreutzkamp.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[bewindvoerder] B.V.,in haar hoedanigheid van bewindvoerder over alle goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende],
te [plaats 2] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [bewindvoerder] ,
gemachtigde: mr. R.A. Wijnands.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift met bijlagen 1 en 2, ter griffie ontvangen op 21 januari 2026,
- het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 6, ter griffie ontvangen op 11 februari 2026,
- het e-mailbericht namens [bewindvoerder] met bijlage 7, ter griffie ontvangen op 19 februari
2026,
- het e-mailbericht namens [verzoeker] , ter griffie ontvangen op 20 februari 2026,
- de mondelinge behandeling van 24 februari 2026.
1.2.
Ter zitting zijn verschenen:
  • [verzoeker] , bijgestaan door mr. Kreutzkamp;
  • [bewindvoerder] , vertegenwoordigd door mr. Wijnands.
1.3.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 4 februari 2025 zijn als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand alle goederen die (zullen) toebehoren aan [rechthebbende] (hierna: [rechthebbende]) met ingang van 16 februari 2025 onder bewind gesteld. [bewindvoerder] B.V. is benoemd tot bewindvoerder. [1]
2.2.
Bij beschikking van de kantonrechter van deze rechtbank van 1 augustus 2025 is ten behoeve van [rechthebbende] een mentorschap ingesteld vanwege zijn geestelijke of lichamelijke toestand. [mentor] mentorschap is benoemd tot mentor. [2]

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] vraagt de kantonrechter een voorlopig getuigenverhoor te bevelen. Daartoe stelt hij dat tussen hem en [rechthebbende] begin 2025 een mondelinge geldleenovereenkomst tot stand is gekomen, op grond waarvan hij aan [rechthebbende] € 1.515,00 heeft uitgeleend. De termijn voor terugbetaling is volgens [verzoeker] verstreken. Daarnaast stelt [verzoeker] dat hij voor € 500,00 een gokkast en een jukebox heeft gekocht van [rechthebbende], die hij nog niet geleverd heeft aan [verzoeker] . Nu [bewindvoerder] beide overeenkomsten betwist, wenst [verzoeker] deze met een voorlopig getuigenverhoor te bewijzen. Gelet op de hoge leeftijd van [rechthebbende] dreigt de mogelijkheid dat bewijs verloren gaat. Dat [rechthebbende] niet meer in staat is zijn wil te bepalen of congruent te verklaren wegens dementie, zoals [bewindvoerder] meent, is niet gebleken. Medische stukken waaruit dit afgeleid kan worden zijn niet overgelegd. Ter zitting heeft [verzoeker] verzocht om naast de drie in het verzoekschrift genoemde getuigen ook een vriendin als getuige op te mogen roepen. Zij was volgens [verzoeker] aanwezig toen hij € 500,00 heeft betaald aan [rechthebbende] voor de jukebox en de gokkast.
3.2.
[bewindvoerder] voert verweer. Allereerst betwist zij de gestelde overeenkomsten. Daarnaast stelt zij dat [rechthebbende] dementerend is en vanwege zijn medische toestand niet in staat moet worden geacht om een betrouwbare en geloofwaardige getuigenverklaring af te kunnen leggen. Ter onderbouwing van de medische toestand van [rechthebbende] heeft [bewindvoerder] een tweetal CIZ indicatiebesluiten overgelegd waaruit blijkt dat [rechthebbende] in aanmerking komt voor beschermd wonen met intensieve dementiezorg. [3] Naar het oordeel van [bewindvoerder] dient [rechthebbende] tegen zichzelf in bescherming genomen te worden, nu hij zowel ten tijde van de gestelde overeenkomsten als op dit moment niet in staat is zijn eigen wil te bepalen en zijn verklaring niet betrouwbaar moet worden geacht. De bewindvoerder zelf is geen partij geweest bij de gestelde overeenkomsten, zodat ook zij over de inhoud daarvan niets kan verklaren. [bewindvoerder] verzoekt gelet op de omstandigheden van het geval en de persoon van de getuige het voorlopig getuigenverhoor af te wijzen.

4.De beoordeling

4.1.
Voordat een zaak aanhangig is, kan een belanghebbende partij op grond van artikel 196 Rv Pro de rechter verzoeken een of meer voorlopige bewijsverrichtingen te bevelen, waaronder een voorlopig getuigenverhoor. De vereisten waaraan een dergelijk verzoek moet voldoen staan in artikel 197 Rv Pro. Het voorlopig getuigenverhoor biedt een partij die een procedure overweegt de mogelijkheid om zekerheid te verkrijgen over de voor de beslissing van het geschil relevante feiten en omstandigheden, die met een getuigenverhoor bewezen kunnen worden. Op basis daarvan kan door deze partij dan beter worden beoordeeld of het
raadzaam is de procedure te starten.
4.2.
Op grond van het tweede lid van artikel 196 Rv Pro wijst de rechter het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor toe, tenzij hij van oordeel is dat:
de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
het verzoek om voorlopige bewijsverrichtingen in strijd is met de goede procesorde;
sprake is van misbruik van bevoegdheid; of
andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
4.3.
Naar het oordeel van de kantonrechter voldoet het verzoek aan de vereisten van de wet. [bewindvoerder] erkent dat. Zij doet wel een beroep op de afwijzingsgrond dat er andere zwaarwichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting (artikel 196 lid 2 onder Pro e Rv).
Een dergelijke afwijzingsgrond is toewijsbaar als uit de stukken blijkt dat de getuige op geen enkele manier meer in staat is een getuigenverklaring af te leggen, bijvoorbeeld omdat de getuige ernstig dement is. Hoewel er sterke aanwijzingen zijn op basis van de door [bewindvoerder] overgelegde stukken dat [rechthebbende] dementerend is, kan de kantonrechter op basis van die stukken niet vaststellen dat de geestelijke vermogens van [rechthebbende] zodanig zijn aangetast dat hij niet meer in staat is om een verklaring af te leggen of dat het evident is, dat zijn verklaring onbetrouwbaar zal zijn.
Het is aan de rechter-commissaris ten overstaan van wie het getuigenverhoor zal worden gehouden om te beoordelen of het zinvol is het getuigenverhoor van [rechthebbende] te voltooien gelet op de geestelijke toestand van deze getuige. Het is ook aan de rechter-commissaris om te bepalen waar het verhoor van [rechthebbende] dient plaats te vinden (op de rechtbank of in de instelling waar hij verblijft) en wie daarbij aanwezig mogen zijn.
Hoewel namens [bewindvoerder] is aangevoerd dat de bewindvoerder geen partij is geweest bij de gestelde overeenkomsten, ziet de kantonrechter daarin geen aanleiding het verzoek ten aanzien van de bewindvoerder af te wijzen, nu daarmee niet vaststaat dat de getuige geen enkele wetenschap heeft over de feiten waarover zou moeten worden verklaard.
4.4.
De kantonrechter is derhalve van oordeel dat het voorlopig getuigenverhoor kan worden toegewezen.
4.5.
Bij het oproepen van de getuigen moet er rekening mee worden gehouden dat het verhoor van een getuige gemiddeld ten minste 60 minuten duurt. De namen en woonplaatsen van de getuigen en de tijdstippen waartegen zij zijn opgeroepen moeten ten minste tien dagen voor het verhoor aan de wederpartij en aan de griffier van de rechtbank worden opgegeven.
4.6.
De kantonrechter wijst [verzoeker] erop dat de kantonrechter voor het verhoor in beginsel maximaal 60 minuten in totaal per getuige zal reserveren. Als [verzoeker] van mening is dat meer tijd noodzakelijk is, moet hij dit – binnen 14 dagen na dagtekening van deze beschikking – gemotiveerd aan de kantonrechter verzoeken.
4.7.
Omdat [bewindvoerder] al in het bezit is van het verzoekschrift en een afschrift van deze beschikking ontvangt, is [verzoeker] niet gehouden [bewindvoerder] een afschrift van deze stukken te verstrekken.
4.8.
Partijen moeten erop voorbereid zijn dat de kantonrechter na afloop van een of meer voorlopige bewijsverrichtingen op verzoek van partijen of een van hen of ambtshalve een (nieuwe) mondelinge behandeling kan bevelen om een schikking te beproeven of tot het geven van inlichtingen aan de kantonrechter. Tijdens deze mondelinge behandeling kan de kantonrechter ook de verdere behandeling van geschillen over de vordering met partijen bespreken.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
beveelt een voorlopig getuigenverhoor,
5.2.
het getuigenverhoor zal worden gehouden door mr. M. Koelemeijer,
5.3.
bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw te Maastricht, Sint Annadal 1, en bepaalt dat de rechter-commissaris ten aanzien van getuige [rechthebbende] op een later moment zal bepalen waar deze getuige gehoord zal worden,
5.4.
bepaalt dat [verzoeker]
binnen twee wekenna de datum van deze beschikking schriftelijk aan de kantonrechter de getuigen en de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
april tot en met juni 2026moet opgeven waarna dag en uur van het getuigenverhoor zullen worden bepaald.
Deze beschikking is gegeven door mr. Etman en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoten

1.bijlage 1 bij verweerschrift
2.bijlage 2 bij verweerschrift
3.bijlage 6 bij verweerschrift