ECLI:NL:RBLIM:2026:2009

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
18 maart 2026
Publicatiedatum
27 februari 2026
Zaaknummer
11969957 \ CV EXPL 25-4976
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Van Leeuwen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:19 BWArt. 6:96 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding koopovereenkomst auto wegens levering aan derde en terugbetaling koopsom

Partijen sloten op 6 september 2025 een koopovereenkomst voor een Porsche Boxster. Verkoper zou voorafgaand aan levering een reparatie uitvoeren, waarna levering zou volgen. Op 8 september 2025 werd de auto echter op naam van een derde overgeschreven en geleverd.

Koper had de koopsom van €7.500,- betaald, wat door de rechter werd vastgesteld aan de hand van bankafschriften en e-mails. Verkoper stelde dat hij niet betaald was en daarom de auto aan een derde had verkocht, maar dit werd verworpen omdat de betaling op 8 september was bijgeschreven en de levering aan de derde ook op die datum plaatsvond.

De kantonrechter oordeelde dat verkoper niet gerechtigd was tot opschorting of ontbinding van de koopovereenkomst. Door levering aan een derde was nakoming jegens koper blijvend onmogelijk, waardoor koper de overeenkomst terecht ontbond. Verkoper werd veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom, wettelijke rente, buitengerechtelijke incassokosten, kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid en proceskosten.

Uitkomst: Verkoper is veroordeeld tot terugbetaling van de koopsom en bijkomende kosten wegens ontbinding van de koopovereenkomst na levering aan een derde.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 11969957 \ CV EXPL 25-4976
Vonnis van 18 maart 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] (België),
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. B. Vermue,
tegen
[gedaagde] ,
voorheen handelend onder de naam
[bedrijf],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord
- de brief van [eiser] waarin hij de kantonrechter onder meer verzoekt [gedaagde] ex artikel 22 Rv Pro te bevelen stukken in het geding te brengen
- de brief van de griffier van de rechtbank waarin de datum van de mondelinge behandeling is medegedeeld en [gedaagde] is bevolen ex artikel 22 Rv Pro stukken in het geding te brengen
- de mondelinge behandeling van 11 februari 2026, ter gelegenheid waarvan [gedaagde] nadere producties in het geding heeft gebracht.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben op 6 september 2025 een koopovereenkomst gesloten voor een Porsche Boxster 2.5 Tip Tronic, bouwjaar 1997 en met [kenteken] (hierna: de auto), voor een koopsom van € 7.500,00.
2.2.
Zoals in de koopovereenkomst is vermeld, heeft [gedaagde] de verplichting op zich genomen om voorafgaand aan de levering aan [eiser] nog een reparatie aan de auto te (laten) verrichten. De auto wordt daarom niet aan [eiser] geleverd in afwachting van het uitvoeren van die reparatie.
2.3.
Uit een brief van het RDW van 2 oktober 2025 aan [eiser] blijkt dat de auto op 8 september 2025 om 12:18 uur is overgeschreven op naam van [B.V.] te [plaats 3] (productie 5 dagvaarding).
2.4.
[eiser] informeert herhaaldelijk waar zijn auto blijft.
2.5.
Bij brief van 3 oktober 2025 heeft [eiser] [gedaagde] gesommeerd om binnen veertien dagen alsnog tot levering van de auto over te gaan bij gebreke waarvan [eiser] de koopovereenkomst zal ontbinden en de koopsom zal terugvorderen. Ook na de brief van 16 oktober 2025 is de auto niet geleverd. Tot op heden is de koopsom niet (terug)betaald..

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – dat de kantonrechter bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] te betalen:
een bedrag van € 7.500,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 8 september 2025 tot de dag van volledige betaling,
een bedrag van € 750,00 aan buitengerechtelijke incassokosten met daarbij een bedrag van € 39,45 aan kosten van navraag bij KBC en RDW en de proceskosten, te voldoen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis en, als voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na dit vonnis.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat [gedaagde] , nadat hij de auto aan [eiser] had verkocht, de auto opnieuw heeft verkocht aan een andere persoon en aan deze derde heeft geleverd. Hierdoor is [gedaagde] in de nakoming van zijn verplichtingen jegens [eiser] tekortgeschoten. Daarom heeft hij de koopovereenkomst terecht ontbonden, aldus [eiser] .
3.3.
[gedaagde] voert aan dat hij de koopsom nooit op zijn rekening heeft ontvangen, vermoedelijk door een onjuist vermelde tenaamstelling bij de transactie door [eiser] . Dit komt voor rekening en risico van [eiser] . [gedaagde] heeft zijn verplichting tot levering van de auto opgeschort en bij het uitblijven van de betaling vervolgens aan een derde verkocht en geleverd. Daar komt nog bij dat de onderneming van [gedaagde] is beëindigd. De vordering van [eiser] is daarom niet meer afdwingbaar, gelet op het bepaalde in artikel 2:19 van Pro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW), aldus [gedaagde] .
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Kern van de zaak is de vraag of [eiser] gerechtigd was de koopovereenkomst te ontbinden en, als vast komt te staan dat koopsom is betaald, de koopsom terug te vorderen.
Is de koopsom betaald?
4.2.
[eiser] stelt dat hij de koopsom op 6 september 2025, direct na de koop, heeft overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde] . Ter onderbouwing heeft hij een afschrift van zijn bankrekening bij KBC Bank overgelegd en een e-mailbericht van zijn bank waarin aan [eiser] wordt medegedeeld (productie 4 bij dagvaarding):

De begunstigde bankier bevestigt dat deze betaling werd gecrediteerd :The beneficiary bank conforms credit :
op datum / on date : 08.09.2025
(…)bedrag / amount : 7500 EUR”.
4.3.
[gedaagde] voert aan nooit een betaling te hebben ontvangen en verwijst naar een tijdens de mondelinge behandeling overgelegd chatgesprek met zijn bank, Revolut bank.
De kantonrechter gaat aan dat bericht voorbij. Nog los van het feit dat niet te verifiëren is of het bedoelde chatgesprek daadwerkelijk met Revolut bank heeft plaatsgehad, heeft [gedaagde] kennelijk aan zijn bank gevraagd of de bedoelde transactie heeft plaatsgevonden vóór 6 september 2025. Dit terwijl de betaling is verricht op 8 september 2025. Alleen al daarom kan dit document niet dienen ter onderbouwing van het verweer van [gedaagde] dat er nooit enige betaling is ontvangen.
4.4.
Bovendien blijkt uit een e-mail van [gedaagde] zelf dat de betaling kennelijk is ontvangen. Op 10 september 2025 schrijft [gedaagde] aan [eiser] (productie 7 dagvaarding):

(…) Kun jij contact opnemen met je bank of ze de transactie kunnen terughalen? Ik kreeg onderstaande e-mail van mijn bank, als ik hem Controleer krijg ik alleen de optie om mijn rekening te blokkeren.”.
Als bijlage aan deze e-mail is een screenshot van een e-mailbericht toegevoegd waarin, zo stelt [gedaagde] , aan hem wordt medegedeeld (productie 7 dagvaarding):

(…) Controleer je recente transactie. Na een veiligheidscontrole denken we dat het misschien om oplichting gaat.”.
Wat anders zou [eiser] hebben moeten “terughalen” dan de koopsom? Van een andere transactie tussen [gedaagde] en [eiser] blijkt immers niets.
Overigens plaats de kantonrechter vraagtekens bij dit zogenaamde “bericht van de bank”. Een storting op een rekening is doorgaans geen reden om bij de bank alarmbellen te doen afgaan.
4.5.
De kantonrechter concludeert dat de koopsom is overgeboekt naar de bankrekening van [gedaagde] en dat de betaling op 8 september 2025 is bijgeschreven bij [gedaagde] . Daaruit volgt dat [eiser] aan zijn verplichting tot betaling van de koopsom heeft voldaan.
De ontbinding van de koopovereenkomst
4.6.
[eiser] stelt dat [gedaagde] de auto op 8 september 2025 aan een derde heeft verkocht en geleverd, waardoor hij jegens [eiser] in verzuim is komen te verkeren. Ter onderbouwing verwijst [eiser] naar het bericht van RDW (zie r.o. 2.3. van dit vonnis) en een e-mail van deze derde waarin deze bevestigt de auto te hebben gekocht (productie 6 bij dagvaarding).
4.7.
[gedaagde] voert aan dat hij de verplichting tot levering van de auto aan [eiser] heeft opgeschort omdat de betaling van de koopsom uitbleef, dat hij de koopovereenkomst daarna heeft ontbonden en vervolgens de auto aan een derde heeft verkocht. Tot slot wijst [gedaagde] op het bepaalde in artikel 2:19 BW Pro ter afwering van enige aansprakelijkheid.
4.8.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet gerechtigd was tot opschorting van zijn verplichting tot levering van de auto. Zoals hiervoor is overwogen is de koopsom wel voldaan wat betekent dat [gedaagde] niet gerechtigd was om de koopovereenkomst met [eiser] te ontbinden. Overigens, de auto is al op 8 september 2025, twee dagen na het sluiten van de koopovereenkomst, geleverd aan de derde. Dat laat zich niet rijmen met de stelling van [gedaagde] dat hij niet betaald kreeg en daarom de koop heeft ontbonden. In een normale relatie tussen koper en verkoper verstrijkt meer tijd alvorens de conclusie wordt getrokken dat betaling niet zal plaatsvinden en de overeenkomst eventueel wordt ontbonden.
4.9.
Doordat [gedaagde] de auto aan een derde heeft verkocht en geleverd, was nakoming jegens [eiser] blijvend onmogelijk. De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiser] de koopovereenkomst met [gedaagde] terecht heeft ontbonden. Dat betekent dat [gedaagde] verplicht is de koopsom groot € 7.500,00 aan [eiser] terug te betalen.
4.10.
Het beroep van [gedaagde] op artikel 2:19 BW Pro kan hem niet baten. Dit artikel ziet immers op de ontbinding van een rechtspersoon terwijl de onderneming van [gedaagde] een eenmanszaak was. [gedaagde] is in persoon aansprakelijk voor de schulden van zijn eenmanszaak.
4.11.
Gelet op het bovenstaande zal de kantonrechter de vordering tot terugbetaling van de koopsom toewijzen. De wettelijke rente over de hoofdsom zal de kantonrechter toewijzen vanaf de datum van de dagvaarding, omdat [gedaagde] pas vanaf de (buitengerechtelijke) ontbinding in verzuim is met zijn verplichting tot terugbetaling van de koopsom.
Buitengerechtelijke incassokosten en kosten ter vaststelling van aansprakelijkheid
4.12.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal conform de in het Besluit genoemde tarieven een bedrag van € 750,00 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal eveneens worden toegewezen.
4.13.
[eiser] vordert daarnaast vergoeding van de kosten die hij heeft gemaakt om informatie te verkrijgen bij de KBC bank en RDW ter hoogte van € 39,45. Deze kosten zijn aan te merken als redelijke kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 sub b BW Pro en komen als vermogensschade voor vergoeding in aanmerking.
Proceskosten
4.14.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
145,45
- griffierecht
257,00
- salaris gemachtigde
720,00
(2 punten × € 360,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.266,45
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 7.500,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de datum van dagvaarden tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 750,00 aan buitengerechtelijke kosten en een bedrag van € 39,45 wegens kosten ter vaststelling van de aansprakelijkheid, te vermeerderen met de wettelijke rente over beide bedragen vanaf de vijftiende dag na dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.266,45, te betalen binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover als betaling niet binnen deze termijn plaatsvindt vanaf de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Van Leeuwen en in het openbaar uitgesproken op 18 maart 2026.