Partijen sloten op 28 maart 2024 een koopovereenkomst voor de productie van 2.000 onderbroeken. De verkoper leverde meerdere voorbeeldexemplaren, waarvan de koper het derde exemplaar goedkeurde. Bij levering in januari 2025 bleek de partij onderbroeken echter niet te voldoen aan de maatvoering van het goedgekeurde derde exemplaar, maar aan het eerste, afgekeurde exemplaar.
De koper vorderde ontbinding van de overeenkomst wegens een wezenlijke tekortkoming, terugbetaling van de koopsom, vergoeding van meerkosten voor een nieuwe productie, incassokosten en proceskosten. De verkoper betwistte de tekortkoming en stelde dat de geleverde onderbroeken conform het derde exemplaar waren.
De rechtbank oordeelde dat de verkoper niet voldoende had onderbouwd dat de geleverde onderbroeken aan het goedgekeurde model voldeden. De tekortkoming was wezenlijk omdat de onderbroeken te klein en onverkoopbaar waren. De ontbinding werd toegewezen, evenals de hoofdsom, schadevergoeding, incassokosten en wettelijke rente. De proceskosten werden aan de verkoper opgelegd.