Uitspraak
1.[V.O.F.] ,
2.
[vennoot 1],
3.
[vennoot 2],
4.
[vennoot 3],
1.De procedure
- het getuigenverhoor aan de zijde van [persoon 1] van 17 november 2025
- het getuigenverhoor aan de zijde van [V.O.F.] van 19 november 2025
.De proceskosten van [persoon 1] worden begroot op:
€ 100,- per dag excl. BTW en dat de door [persoon 1] aan [V.O.F.] betaalde € 4.000,- (plus € 100,- contant) ziet op de huur voor die parkeerplaatsen.
€ 100,00 per dag te betalen, blijkt nergens uit. Geen van de getuigen kan iets verklaren over enige afspraak tussen [persoon 1] en [V.O.F.] daarover. Er zijn meerdere getuigen die hebben verklaard dat er ook een vrouw in de foodtruck werkte. [persoon 1] heeft daarover verklaard dat zij de uitbaatster was van de foodtruck. Dat [persoon 1] in de foodtruck is gezien, betekent in ieder geval niet dat hij
dusook een huurovereenkomst had met [V.O.F.] , laat staan voor
€ 100,00 per dag. Pas in mei 2024 (dus maanden nadat de veronderstelde “huurovereenkomst” was beëindigd, heeft [V.O.F.] een factuur gestuurd naar [persoon 1] waar voor drie parkeerplaatsen € 100,00 per dag in rekening werd gebracht. De kantonrechter kan niet anders dan concluderen dat voor deze factuur geen (contractuele) grondslag bestond.