ECLI:NL:RBLIM:2026:1790

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
23 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
03.062140.23
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor bezit grote hoeveelheden hard- en softdrugs met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf

Op 2 maart 2023 werd bij verdachte in haar woning te Venray een grote hoeveelheid hard- en softdrugs aangetroffen, waaronder cocaïne, GHB, MDMA, hennep en hasjiesj. De verdachte bekende de feiten en werd samen met anderen verdacht van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van deze middelen.

De rechtbank achtte de tenlastegelegde feiten bewezen op basis van onder meer de bekennende verklaring, proces-verbalen van binnentreden, bevindingen van de politie en het Nederlands Forensisch Instituut. De hoeveelheden drugs waren van dien aard dat sprake was van een voorraad voor professionele handel, met een hoge straatwaarde en ernstige maatschappelijke gevaren.

De verdediging betwistte de exacte hoeveelheid GHB vanwege de vloeibaarheid, maar de rechtbank concludeerde dat de totale hoeveelheid harddrugs binnen de hoogste strafcategorie viel volgens de LOVS-oriëntatiepunten. Gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, waaronder haar eerste strafblad, volledige bekentenis, stabiele sociale situatie en laag recidiverisico, legde de rechtbank een taakstraf van 200 uren op, verminderd met voorarrest, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar.

De rechtbank hield rekening met de overschrijding van de redelijke termijn en de beschermende factoren bij de verdachte, waardoor een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer opportuun werd geacht.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 200 uur taakstraf en 3 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf met 1 jaar proeftijd wegens bezit grote hoeveelheden hard- en softdrugs.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.062140.23
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 23 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1977,
wonende te [adres 1] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. H. van der Ende, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 9 februari 2026. De verdachte en haar raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig, doch niet gevoegd, behandeld met de strafzaken tegen medeverdachte [medeverdachte 1] met het parketnummer 03.062140.23 en medeverdachte [medeverdachte 2] met het parketnummer 03.063761.23.

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte op 2 maart 2023 te Venray samen met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad:
Feit 1:ongeveer 64 gram cocaïne, 30.330,97 gram GHB en 710,06 gram MDMA;
Feit 2:411,40 gram hennep en 805,24 gram hasjiesj.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Ten aanzien van de hoeveelheid aangetroffen vloeistof in de woning heeft de officier van justitie erkend dat de aangetroffen hoeveelheden moeten worden omgerekend rekening houdende met het soortelijk gewicht van GHB. Hij komt na omrekening uit op een aangetroffen hoeveelheid van 2,6 kg GHB.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich wat betreft de bewezenverklaring van de feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Wel heeft zij benoemd dat de aangetroffen GHB onterecht in (kilo)grammen op de tenlastelegging terecht is gekomen.
3.3
Het oordeel van de rechtbank [1]
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte op 2 maart 2023 in haar woning aan de [adres 2] te Venray samen met anderen grote hoeveelheden hard- en softdrugs aanwezig heeft gehad. Omdat de verdachte deze feiten heeft bekend en door of namens haar geen integrale vrijspraak is bepleit, volstaat de rechtbank met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
  • de bekennende verklaring van de verdachte ter terechtzitting;
  • het proces-verbaal van binnentreden in de woning [adres 2] ;
- het proces-verbaal van bevindingen over het aantreffen van de verdovende middelen; [3]
- het proces-verbaal van bevindingen betreffende het onderzoek naar de telefoon van de verdachte; [4]
- het proces-verbaal van bevindingen over de aangetroffen softdrugs; [5]
- het proces-verbaal van onderzoek naar de verdovende middelen; [6]
- het proces-verbaal van bevindingen met de vindplaats van de verdovende middelen; [7]
- de rapporten NFiDENT met de uitslagen van de onderzochte harddrugs van het Nederlands Forensisch Instituut. [8]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
T.a.v. feit 1:
op 2 maart 2023 te Venray, aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- ongeveer 64 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en
- een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en
- ongeveer 710,06 gram (962 + 886 pillen) MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne, GHB en MDMA, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;
T.a.v. feit 2:
op 2 maart 2023 te Venray aan de [adres 2] , tezamen en in vereniging met een of meer anderen, opzettelijk aanwezig heeft gehad:
- 411,40 gram (59,04 + 118,46 + 233,90 gram) hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of
- 805,24 gram (86,26 + 65,63 + 1,96 + 651,39 gram) hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj, (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
T.a.v. feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;
T.a.v. feit 2:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die haar strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf van 240 uren. Daarnaast heeft hij gevorderd om aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de tenlastegelegde hoeveelheid GHB betwist. Dit is een vloeistof en kan daarom niet worden gelijkgesteld aan dezelfde hoeveelheid in grammen. De verdediging komt zodoende uiteindelijk uit op een hoeveelheid van slechts 2,4 kilogram GHB, hetgeen een heel ander uitgangspunt geeft voor de strafmaat. De raadsvrouw heeft daarnaast verzocht om af te wijken van de oriëntatiepunten voor de straftoemeting van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (LOVS). Zij heeft erop gewezen dat de verdachte geen strafblad heeft, de verdachte vanaf het eerste moment heeft bekend en de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Daarbij heeft zij huisvesting, een stabiele relatie, een vaste baan en heeft zij de nodige schulden overgehouden aan de feiten waarvoor zij terechtstaat. De raadsvrouw heeft de rechtbank dan ook verzocht om de verdachte een taakstraf op te leggen. Gelet op de lage kans op recidive lijkt het (ook) opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf geen meerwaarde meer te hebben. Mocht de rechtbank hier anders over denken dan heeft de raadsvrouw verzocht om te volstaan met een proeftijd van 1 jaar.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft op 2 maart 2023 in haar woning samen met haar zoon en (een) ander(en) een grote hoeveelheid hard- en softdrugs aanwezig gehad. Deze hoeveelheden drugs hebben een hoge straatwaarde, waardoor kan worden gesproken van een voorraad ten behoeve van professionele handel.
Het is een feit van algemene bekendheid dat met name harddrugs grote gevaren opleveren voor de gezondheid van gebruikers. Bovendien gaat de handel in en het gebruik van verdovende middelen gepaard met verschillende vormen van (zware) criminaliteit, waardoor de samenleving in ernstige mate schade wordt berokkend.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel slechts worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Daarnaast heeft de rechtbank voor de straftoemeting aansluiting gezocht bij de LOVS-oriëntatiepunten met betrekking tot het aanwezig hebben van 3.000 tot 4.000 gram harddrugs (trede 11). Hierbij wordt als uitgangspunt de oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden genomen. De verdediging heeft er terecht op gewezen dat GHB een vloeistof is en dat de aangetroffen hoeveelheid grammen dient te worden omgerekend naar milliliters (zoals ook staat vermeld bij de oriëntatiepunten: 5 milliliter = 0,5 gram). De officier van justitie en de verdediging verschillen van mening over het uiteindelijke gewicht van de aangetroffen GHB, waarbij de officier van justitie uitkomt op een hoeveelheid van 2,6 kilogram GHB en de verdediging op een hoeveelheid van 2,4 kilogram GHB. De rechtbank concludeert dat wanneer de hoeveelheid aangetroffen grammen MDMA en cocaïne hierbij wordt opgeteld (samen een kleine 800 gram), dit hoe dan ook uitkomt op een hoeveelheid die binnen de bandbreedte van trede 11 van de oriëntatiepunten valt.
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of zij in de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overige omstandigheden van het geval, aanleiding ziet om van de bovengenoemde oriëntatiepunten af te wijken.
De verdachte is blijkens haar strafblad niet eerder veroordeeld en is daarmee een
first offender. De verdachte heeft bovendien vanaf het eerste moment bij de politie bekend schuldig te zijn aan deze feiten, waarmee zij openheid van zaken heeft gegeven en de laakbaarheid van haar eigen handelen lijkt in te zien.
Verder heeft de reclassering voor het laatst op 3 februari 2026 over de persoon van de verdachte gerapporteerd. Zij ziet iemand die verantwoordelijkheid neemt voor haar handelen en de kans op recidive wordt mede hierdoor ingeschat als laag. Terugkijkend naar haar eigen gedrag noemt de verdachte dit naïef en de hardste les van haar leven. De verdachte is nadien niet meer met politie of justitie in aanraking gekomen. Ze is door deze strafzaak haar huurwoning in Venray verloren, waar zij een groot deel van haar leven had gewoond en haar ouders daarvoor. Deze strafzaak heeft haar leven echter ook een positieve wending gegeven, want ze is noodgedwongen ingetrokken bij haar vriend, waarmee ze uiteindelijk is getrouwd. Verder heeft ze al geruime tijd een vaste baan bij een casino en is ze selectief geworden in de sociale contacten die ze onderhoudt. Dit tezamen wordt door de reclassering als beschermende factor gezien. De reclassering adviseert een straf zonder de oplegging van bijzondere voorwaarden, aangezien interventies of toezicht niet noodzakelijk worden geacht. De reclassering ziet geen contra-indicaties voor het opleggen van een taakstraf, maar bij de uitvoering van een eventuele taakstraf dient wel rekening te worden gehouden met de fysieke belastbaarheid van de verdachte (COPD).
Gezien deze bevindingen, is naar het oordeel van de rechtbank naast een onvoorwaardelijke straf ook een voorwaardelijk gedeelte van wezenlijk belang. Op die manier heeft de verdachte een stok achter deur heeft om haar ervan te weerhouden in de toekomst strafbare feiten te plegen. De rechtbank zal hierbij, gelet op de beperkte rol van de verdachte in het bewezenverklaarde en het lage recidiverisico, een proeftijd van 1 jaar opleggen.
Volgens de uitleg die de Hoge Raad heeft gegeven aan de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens heeft als uitgangspunt te gelden dat de behandeling van een zaak in eerste aanleg moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van de zaak, de invloed van verdachte en haar advocaat op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
De redelijke termijn is in deze zaak aangevangen op de dag dat de verdachte in verzekering is gesteld en voor het eerst is verhoord, te weten 2 maart 2023. Omdat het eindvonnis op 23 februari 2026 wordt gewezen en de rechtbank niet is gebleken van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn met (bijna) 1 jaar overschreden. De rechtbank weegt dit mee bij het bepalen van de op te leggen strafmodaliteit.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet (meer) opportuun is. Zij zal de verdachte daarom een taakstraf opleggen van 200 uren. De tijd die de verdachte heeft doorgebracht in voorarrest, zal bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering worden gebracht, naar rato van 2 uren per dag. Daarnaast legt de rechtbank de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 1 jaar.

7.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 3, 10 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8.De beslissing

De rechtbank:
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 200 uren;
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 100 dagen;
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
  • veroordeelt de veroordeelde tevens tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 3 maanden;
  • bepaalt dat deze voorwaardelijke straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 1 jaar zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
Dit vonnis is gewezen door mr. G.H. Hermanides, voorzitter, mr. S.A.M.C. van de Winkel en mr. M. Landsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. F.M.A. Curfs, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2026.
Buiten staat
Mr. M. Landsman is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
T.a.v. feit 1:
Zij op of omstreeks 2 maart 2023 te Venray, aan de [adres 2] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad,
- ongeveer 64 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- ongeveer 30.330,97 gram GHB, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende GHB en/of
- ongeveer 710,06 gram (962 + 886 pillen) MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA,
zijnde cocaïne en/of GHB en/of MDMA,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
T.a.v. feit 2:
Zij op of omstreeks 2 maart 2023 te Venray aan de [adres 2] ,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
opzettelijk
aanwezig heeft gehad:
- 411,40 gram (59,04 + 118,46 + 233,90 gram) hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep en/of
- 805,24 gram (86,26 + 65,63 + 1,96 + 651,39 gram) hasjiesj, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een gebruikelijk vast mengsel van hennephars en plantaardige elementen van hennep waaraan geen andere substanties zijn toegevoegd (hasjiesj),
zijnde hasjiesj,
(telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer PL2300-2023033034, gesloten d.d. 24 mei 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 551.
2.Het proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 2 maart 2023, pg. 100.
3.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 maart 2023, pg. 107-108.
4.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 2 maart 2023, pg. 97.
5.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 maart 2023, pg. 238-240.
6.Het proces-verbaal van onderzoek naar de verdovende middelen d.d. 20 maart 2023, pg. 290-299.
7.Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 8 maart 2023, pg. 284-285.
8.De rapporten van NFiDENT d.d. 16 maart 2023, pg. 300-305.