Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2026:1783

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
12055405 \ CV EXPL 26-63
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Dohmen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 247 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake verzoek tot doorhaling en subsidiaire vermindering van eis in civiele procedure

In deze civiele bodemzaak heeft de eiser bij e-mail laten weten de zaak te willen intrekken. Gedaagde stemde hiermee in onder de voorwaarde dat eiser in de proceskosten wordt veroordeeld. De kantonrechter overweegt dat doorhaling slechts mogelijk is bij gezamenlijk verzoek, wat hier ontbreekt, zodat het verzoek wordt afgewezen.

Subsidiair wordt het verzoek aangemerkt als een vermindering van eis tot nihil. Hierdoor is er geen vordering meer en is gedaagde ten onrechte in de procedure betrokken. De kantonrechter veroordeelt eiser daarom in de proceskosten van gedaagde.

De enige proceshandeling van gedaagde bestond uit het indienen van een conclusie van antwoord, zonder verdere proceshandelingen door de gemachtigde. Er zijn geen kosten voor gemachtigdensalaris, reis- of verletkosten, zodat de proceskosten worden vastgesteld op nihil.

Het vonnis wordt gewezen door kantonrechter Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Uitkomst: Het verzoek tot doorhaling wordt afgewezen en subsidiair wordt de eis verminderd tot nihil, waarbij eiser wordt veroordeeld in de proceskosten van gedaagde vastgesteld op nihil.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Roermond
Zaaknummer: 12055405 \ CV EXPL 26-63
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. H.A. Groeneveld,
tegen
[gedaagde partij],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. J.H.M. Verstraten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- het antwoord van [gedaagde partij]
- het uitstelverzoek van de gemachtigde van [gedaagde partij]
- de e-mail van 23 januari 2026 van [eisende partij]
- de brief van 2 februari 2026 van [gedaagde partij]
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
[eisende partij] heeft bij e-mail van 23 januari 2026 laten weten de zaak te willen intrekken. Daarop heeft [gedaagde partij] laten weten dat zij akkoord gaat met intrekking van de zaak mits [eisende partij] wordt veroordeeld in de proceskosten.
2.2.
De kantonrechter overweegt als volgt. [eisende partij] heeft gevraagd om de zaak in te trekken. De kantonrechter merkt dit aan als primair een verzoek om doorhaling als bedoeld in artikel 247 Rv Pro. Doorhaling is alleen mogelijk op gezamenlijk verzoek. [gedaagde partij] is akkoord gegaan onder de voorwaarde dat [eisende partij] wordt veroordeeld in de proceskosten. Dit is niet mogelijk bij doorhaling van de zaak en de conclusie is daarom dat er geen gezamenlijk verzoek tot doorhaling is.
2.3.
De kantonrechter merkt het verzoek van [eisende partij] subsidiair aan als een vermindering van eis tot nihil. [1] Omdat er geen vordering meer is, is [gedaagde partij] ten onrechte in de procedure betrokken. Dit houdt in dat [eisende partij] wordt veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde partij] . De enige proceshandeling die aan de zijde van [gedaagde partij] is verricht, is het indienen van een conclusie van antwoord. Dat heeft [gedaagde partij] zelf gedaan. Zij heeft haar antwoord schriftelijk ingediend. De gemachtigde van [gedaagde partij] heeft nog geen proceshandelingen verricht, behoudens het indienen van een uitstelverzoek op dezelfde dag dat [gedaagde partij] zelf een conclusie van antwoord heeft ingediend. Gelet hierop, is geen sprake van proceshandelingen waarvoor een gemachtigdensalaris zou kunnen worden toegekend. Evenmin is sprake van reis- of verletkosten van [gedaagde partij] zelf. De proceskosten worden daarom vastgesteld op € 0,00.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 0,00,
3.2.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. Dohmen en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 21 juni 2019, ECLI:NL:HR:2019:997.