ECLI:NL:RBLIM:2026:1652

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
03.267463.19 + 03.309104.24 (ttz. gev.)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorwaardelijke taakstraf voor handel in hennep met overschrijding redelijke termijn

De rechtbank Limburg heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen de verdachte, die zich in 2019 gedurende ongeveer twee maanden bezighield met de handel in hennep. De verdachte werd onder meer verdacht van het opzettelijk aanwezig hebben van grote hoeveelheden hennep en het verwerken, verkopen en vervoeren daarvan.

De rechtbank achtte een deel van de tenlastegelegde feiten wettig en overtuigend bewezen, mede op basis van bekennende verklaringen en politieonderzoeken. Voor een feit uit 2020 waarbij hennep werd vervoerd, sprak de rechtbank de verdachte vrij wegens onvoldoende bewijs. Voor een ander feit uit 2020 werd de verdachte schuldig verklaard zonder strafoplegging.

Bij de strafoplegging hield de rechtbank rekening met de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, en de overschrijding van de redelijke termijn met ruim vier jaar. Gezien deze factoren legde de rechtbank een taakstraf van 40 uur voorwaardelijk op met een proeftijd van één jaar, waarbij de tijd in voorarrest in mindering werd gebracht. Daarnaast werd een deel van het in beslag genomen geld verbeurd verklaard, terwijl een bedrag van €517,50 werd teruggegeven aan de verdachte.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 40 uur voorwaardelijke taakstraf met proeftijd, vrijspraak voor een feit en schuldigverklaring zonder strafoplegging voor een ander feit.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummers: 03.267463.19 + 03.309104.24 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboorte datum] 2001,
wonende te [woonplaats] , [adres] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. E. Sahin, advocaat te Eindhoven.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (03.270985.19 + 03.212857.23) en [medeverdachte 2] (03.267458.19 + 03.309129.24).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
in de zaak met parketnummer 03.267463.19:
feit 1:op 8 november 2019 in de gemeente Venlo samen met (een) ander(en) opzettelijk 2701,3 gram hennep aanwezig heeft gehad;
feit 2:in de periode van 11 september 2019 tot en met 8 november 2019 in de gemeente Venlo samen met (een) ander(en), in de uitoefening van een bedrijf of beroep, opzettelijk hennep heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 03.309104.24:
feit 1:op 8 februari 2020 samen met (een) ander(en) opzettelijk 45,2 gram hennep heeft vervoerd dan wel opzettelijk aanwezig heeft gehad;
feit 2:op 16 december 2020 samen met (een) ander(en) 17,2 gram hennep heeft vervoerd dan wel aanwezig heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 03.267463.19
De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte.
parketnummer 03.309104.24
Ook in deze zaak heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten. Met betrekking tot feit 1 heeft hij verwezen naar de bevindingen en de achtervolging van de politie en de later aangetroffen gripzakjes. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat ten aanzien van dit feit sprake is van medeplegen omdat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 2] in de auto zat en degene was die de ‘dealklare’ gripzakjes is gaan zoeken. Voor wat betreft feit 2 heeft de officier van justitie gewezen op de bekennende verklaring van de verdachte en de destijds bij hem aangetroffen gripzak met hennep.
3.2
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 03.267463.19
De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met dien verstande dat de verdachte wel dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 2426,9 gram hennep, nu die hennep zich bij de ouders van de vriendin van de medeverdachte [medeverdachte 2] bevond en de verdachte daar geen weet van had. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
parketnummer 03.309104.24
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het onder 1 tenlastegelegde feit. Hij heeft betoogd dat het dossier te weinig bewijs bevat om de wetenschap van de hennep vast te kunnen stellen. Op de gripzakjes is geen DNA van de verdachte aangetroffen en de verdachte heeft verklaard dat hij dacht dat de bijrijder – medeverdachte [medeverdachte 2] – een blikje uit het raam van de auto gooide. Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie blijkt niet dat de politie heeft gezien dat de verdachte aan het zoeken was naar de gripzakjes. Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit heeft de raadsman zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Hij heeft daarbij opgemerkt dat de aangetroffen hennep voor eigen gebruik van de verdachte was.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03.267463.19 [1]
Feit 1
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte het feit ter terechtzitting heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 februari 2026;
- het proces-verbaal van aanhouding van de verdachte d.d. 8 november 2019; [2]
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2019; [3]
- het proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 8 november 2019; [4]
- de lijst van inbeslaggenomen goederen d.d. 9 november 2019; [5]
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2019; [6]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd bij de politie op 9 november 2019. [7]
Partiële vrijspraak
De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de verdachte partieel dient te worden vrijgesproken van het opzettelijk aanwezig hebben van 2426,9 gram hennep. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij niets wist van die aangetroffen hoeveelheid hennep en uit het dossier blijkt ook niet dat hij wetenschap had van en beschikkingsmacht had over die hennep.
Feit 2
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit ter terechtzitting en bij de politie heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 februari 2026;
- de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie op 10 november 2019; [8]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd bij de politie op 9 november 2019; [9]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd bij de politie op 10 november 2019; [10]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd bij de politie op 12 november 2019; [11]
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2019; [12]
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2019. [13]
3.3.2
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03/309104-24 [14]
Vrijspraak feit 1
Het dossier bevat wel aanwijzingen, maar onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat de verdachte op 8 februari 2020 tezamen en in vereniging met de medeverdachte ongeveer 45,2 gram hennep heeft vervoerd of aanwezig heeft gehad. De betrokkenheid van de verdachte blijkt niet uit de bevindingen van de politie. Uit die bevindingen volgt namelijk niet dat de verdachte in de struiken (waar naderhand de hennep is aangetroffen) aan het zoeken was. De omstandigheid dat de verdachte de auto bestuurde, dat de verbalisanten de verdachte dezelfde route zagen teruglopen en dat de hennep in die buurt is aangetroffen, acht de rechtbank onvoldoende om wetenschap van de aanwezigheid van de hennep tijdens de autorit te reconstrueren en om daarmee de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit buiten redelijke twijfel vast te stellen. De rechtbank zal de verdachte van dit feit vrijspreken.
Feit 2
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit ter terechtzitting en bij de politie heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 februari 2026;
- het proces-verbaal van aanhouding verdachte van 16 december 2020; [15]
- het proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2020. [16]
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
t.a.v. 03.267463.19, feit 1:
op 8 november 2019 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 273,2 (38,3 + 234,9) gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
t.a.v. 03.267463.19, feit 2:
in de periode van 11 september 2019 tot en met 8 november 2019 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
t.a.v. 03.309104.24, feit 2:
op 16 december 2020 in de gemeente Venlo heeft vervoerd een hoeveelheid van 17,2 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
t.a.v. 03.267463.19, feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
t.a.v. 03.267463.19, feit 2:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod;
t.a.v. 03.309104.24, feit 2:
handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 14 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met de jonge leeftijd van de verdachte ten tijde van het plegen van de feiten en zijn beperkte rol in het geheel. Gelet op de forse overschrijding van de redelijke termijn, heeft de raadsman zich primair op het standpunt gesteld dat toepassing moet worden gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht. Subsidiair heeft hij de rechtbank in overweging gegeven om de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf te matigen.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich in 2019 gedurende een periode van ongeveer twee maanden bezig gehouden met de handel in hennep. Naar eigen zeggen is de verdachte enkele maanden betrokken geweest bij het dealen. Iets meer dan een jaar na zijn aanhouding werd tijdens een controle van de politie wederom meer dan de toegestane hoeveelheid hennep bij de verdachte aangetroffen.
Met zijn handelen heeft de verdachte een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale softdrugshandel met alle kwalijke neveneffecten van dien. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennep, althans de werkzame stof THC, een zeer schadelijke werking heeft voor de gezondheid van gebruikers en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden. Tevens gaan illegale hennepactiviteiten vaak gepaard met andere vormen van (gewelds-, vermogens- en andere) criminaliteit. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze kwalijke gevolgen en is kennelijk puur gericht geweest op financieel voordeel voor zichzelf.
Gezien de ernst van de feiten die de rechtbank bewezen heeft verklaard, acht de rechtbank in beginsel een onvoorwaardelijke taakstraf passend. De rechtbank ziet echter voldoende reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
Met betrekking tot de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. In deze zaak is de redelijke termijn ten aanzien van het eerst gepleegde strafbare feit met ruim 4 jaar overschreden. Dat betekent dat het in dit vonnis gaat om de bestraffing voor strafbare feiten die deels al meer dan 6 jaar geleden hebben plaatsgevonden.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van de verdachte en kennisgenomen van zijn persoonlijke omstandigheden. Tijdens het plegen van de feiten was de verdachte 18 jaar. Hij is sinds het plegen van het feit van 16 december 2020 niet meer met justitie in aanraking gekomen in verband met overtreding van de Opiumwet. De verdediging heeft ter zitting aangevoerd dat de verdachte gezondheidsproblemen heeft, arbeidsongeschikt is en een bijstandsuitkering ontvangt, waardoor hij het niet makkelijk heeft.
Het tijdsverloop in deze zaak en de voornoemde omstandigheden maken dat de rechtbank zal afwijken van het uitgangspunt om een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een taakstraf van 40 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Hierop zal in mindering worden gebracht de tijd van 2 dagen die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
Gelet op het voorgaande en het tijdsverloop, ziet de rechtbank geen meerwaarde in een aparte bestraffing voor feit 2 onder parketnummer 03.309104.24. Er zal met betrekking tot dit feit volstaan worden met een schuldigverklaring zonder oplegging van een straf.

7.Het beslag

In het dossier bevindt zich een beslaglijst met daarop drie geldbedragen: € 770,00, € 517,50 en € 725,00.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de geldbedragen moeten worden verbeurd verklaard.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft primair verzocht om de drie geldbedragen terug te geven aan de verdachte. De Toyota die onder de verdachte in beslag was genomen, is reeds verkocht. Volgens de raadsman is het overbodig om de verdachte ook nog financieel te treffen door de geldbedragen verbeurd te verklaren. Subsidiair heeft de raadsman verzocht het inbeslaggenomen geldbedrag van € 517,50 in ieder geval terug te geven aan de verdachte. Dit geldbedrag valt namelijk buiten de tenlastegelegde periode.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen € 517,50 omdat geen verband bestaat tussen het geldbedrag en de bewezenverklaarde feiten. De overige geldbedragen, met een totale waarde van € 1.495,00 euro, acht de rechtbank wel vatbaar voor verbeurdverklaring, nu dit geld geheel of grotendeels door middel van het bewezenverklaarde is verkregen en het toebehoort aan de verdachte.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het onder feit 1 tenlastegelegde feit in de zaak met parketnummer 03.309104.24;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor het onder feit 1 en feit 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03.267463.19 tot een
  • beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 20 dagen;
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
  • bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een
Schuldigverklaring zonder oplegging van straf
- bepaalt dat geen straf wordt opgelegd voor het onder feit 2 tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03.309104.24;
Beslag
-
verklaart verbeurdde volgende in beslag genomen voorwerpen:
  • 03-267463-19: 725 EUR;
  • 03-267463-19: 770 EUR (ibn 8-11-2019);
-
gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:
03-267463-19: 517,50 EUR.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. N.P.J. van de Pasch en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.
Buiten staat
Mr. N.P.J. van de Pasch is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE:
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
t.a.v. 03.267463.19, feit 1:
hij op of omstreeks 8 november 2019 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 2701,3 (38,3 + 2426,9 + 236,1) gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. 03.267463.19, feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 september 2019 tot en met 8 november 2019 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. 03.309104.24, feit 1:
hij op of omstreeks 8 februari 2020 in de gemeente Venlo tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk heeft vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 45,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. 03.309104.24, feit 2:
hij op of omstreeks 16 december 2020 in de gemeente Venlo heeft vervoerd, in elk geval aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 17,2 gram, in elk geval een hoeveelheid van niet meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, BHV-nummer PL2321-2019136270 (onderzoek LB13019002 / DELTA), gesloten d.d. 7 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 655.
2.Proces-verbaal van aanhouding van verdachte d.d. 8 november 2019, pagina 504.
3.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2019, pagina 224.
4.Proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 8 november 2019, pagina 520-521.
5.Lijst van inbeslaggenomen goederen d.d. 9 november 2019, pagina 525.
6.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 20 november 2019, pagina 229.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 9 november 2019, pagina 462.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 10 november 2019, pagina 549-554.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 9 november 2019, pagina 459 en 462.
10.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 10 november 2019, pagina 469.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 12 november 2019, pagina 370.
12.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 22 oktober 2019, pagina 171-172.
13.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 9 november 2019, pagina 187-189.
14.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, onderzoek GENGAR, proces-verbaalnummer LB13020007, gesloten op 15 januari 2021, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 410.
15.Proces-verbaal aanhouding verdachte [verdachte] van 16 december 2020, pagina 257-259.
16.Proces-verbaal van bevindingen van 17 december 2020, pagina 269.