ECLI:NL:RBLIM:2026:1649

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
11803159 \ CV EXPL 25-2977
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Otto
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:58 BWArt. 6:74 BWArt. 6:89 BWArt. 6:96 lid 4 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Betaling openstaande facturen en verrekening tussen twee BV's over kozijnenleveringen

In deze civiele bodemzaak vordert [B.V. 1] betaling van openstaande facturen van in totaal €16.473,67 van [B.V. 2]. [B.V. 1] leverde kozijnen aan de directeur van [B.V. 2] privé en aan [B.V. 2] zelf, maar [B.V. 2] betaalde slechts gedeeltelijk. [B.V. 2] stelde zich op het standpunt dat de kozijnen niet aan de overeenkomst voldeden, dat sprake was van non-conformiteit en wanprestatie, en dat zij haar schade mocht verrekenen met de facturen.

De rechtbank oordeelde dat [B.V. 2] onvoldoende bewijs leverde voor haar verrekeningsverweer, onder meer omdat de brief van een niet-onafhankelijke partij onvoldoende was en er geen onderbouwing was voor de schade aan de kozijnen voor de opdrachtgever. Ook was niet aannemelijk dat [B.V. 1] in schuldeisersverzuim verkeerde. De vordering van [B.V. 1] werd daarom toegewezen, inclusief wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten. Het verzoek van [B.V. 2] om het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren werd afgewezen.

De proceskosten werden aan [B.V. 2] opgelegd, zowel in conventie als in reconventie. De vorderingen van [B.V. 2] in reconventie werden afgewezen. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Uitkomst: Rechtbank Limburg veroordeelt [B.V. 2] tot betaling van €16.473,67 aan [B.V. 1] en wijst het beroep op verrekening af.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11803159 \ CV EXPL 25-2977
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[B.V. 1],
te [plaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B.V. 1] ,
gemachtigde: mr. R.W. Legters,
tegen
[B.V. 2],
te [plaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [B.V. 2] ,
gemachtigde: mr. M.J. Mookhram.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 24
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met productie 1
- de conclusie van repliek in conventie en van antwoord in reconventie
- de conclusie van dupliek in conventie en van repliek in reconventie
- de conclusie van dupliek in reconventie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[B.V. 1] heeft kozijnen geleverd aan het woonhuis van de directeur van [B.V. 2] in privé (hierna: de directeur). [B.V. 1] heeft op 21 oktober 2022 een factuur verstuurd aan de directeur ter hoogte van € 7.260,00. De directeur heeft deze factuur volledig voldaan.
2.2.
[B.V. 1] heeft op 5 juli 2023 met betrekking tot twee deurkozijnen een factuur verstuurd aan [B.V. 2] ter hoogte van € 411,40. [B.V. 2] heeft ten aanzien van deze factuur een deelbetaling verricht van € 44,84. Daarnaast is met betrekking tot diverse kozijnen inclusief glas voor een opdrachtgever van [B.V. 2] (hierna: de opdrachtgever) op 30 april 2024 een factuur verstuurd aan [B.V. 2] ter hoogte van € 13.247,08.
2.3.
[B.V. 2] is niet overgegaan tot betaling van de openstaande facturen.
2.4.
[B.V. 1] heeft betalingsherinneringen aan [B.V. 2] gestuurd.
2.5.
De gemachtigde van [B.V. 2] heeft op 10 maart 2025 een e-mail gestuurd met klachten over de werkzaamheden die [B.V. 1] heeft uitgevoerd voor de directeur en de opdrachtgever. In deze e-mail stelt [B.V. 2] [B.V. 1] aansprakelijk voor het tekortschieten in de nakoming van contractuele verplichtingen. [B.V. 2] deelt mede dat zij haar schadeposten verrekent met de facturen en dat zij de betaling opschort in afwachting van de uitkomst van een procedure.

3.Het geschil

in conventie
3.1.
[B.V. 1] vordert - samengevat – om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis [B.V. 2] te veroordelen tot betaling van € 16.473,67 (€ 13.613,64 aan hoofdsom, € 911,14 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 1.948,89 aan wettelijke handelsrente), te vermeerderen met de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf 16 juli 2025 en de proceskosten en de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.2.
[B.V. 1] legt aan haar vordering ten grondslag dat [B.V. 2] tekortgeschoten is in de nakoming van haar betalingsverplichting. Partijen deden al jarenlang zaken met elkaar. [B.V. 1] heeft in opdracht en voor rekening van [B.V. 2] diverse leveranties en werkzaamheden verricht. [B.V. 1] heeft dit naar behoren uitgevoerd en facturen verstuurd aan [B.V. 2] . [B.V. 2] heeft de restantfactuur van 5 juli 2023 en de factuur van 30 april 2024 onbetaald gelaten. [B.V. 2] is niet overgegaan tot betaling ondanks diverse betalingsverzoeken en sommaties.
3.3.
[B.V. 2] voert verweer. [B.V. 2] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [B.V. 1] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 1] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[B.V. 2] voert het volgende aan. De directeur heeft [B.V. 1] opdracht gegeven voor het leveren van nieuwe kozijnen ten behoeve van het woonhuis van de directeur. [B.V. 1] heeft de levering aan de directeur niet naar behoren uitgevoerd. De geleverde kozijnen zijn niet geschikt om buiten te kunnen plaatsen, terwijl deze wel voor buiten bestemd waren. [B.V. 1] heeft niet voldaan aan haar waarschuwingsplicht. De kozijnen zien er sterk verouderd uit, zijn rot, vertonen lekkages als gevolg van ondeugdelijke montage en de maatvoering is niet juist. Deze kozijnen moeten geheel worden vervangen. [B.V. 2] verwijst naar een brief van [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ) waarin wordt medegedeeld dat herstel niet meer mogelijk is. De kosten voor het verwijderen en plaatsen van nieuwe kozijnen worden door [bedrijf] begroot op ruim € 21.750,00. Er is sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW Pro dan wel een toerekenbare tekortkoming in de nakoming c.q. wanprestatie in de zin van artikel 6:74 BW Pro. [B.V. 2] heeft bij ontdekking met bekwame spoed geklaagd in de zin van artikel 7:23 BW Pro jo. artikel 6:89 BW Pro. [B.V. 1] heeft zes schriftelijke dan wel digitale verzoeken van [B.V. 2] genegeerd om het werk af te komen maken, dan wel weigerde [B.V. 1] dit werk deugdelijk op te leveren. [B.V. 1] verkeert in schuldeisersverzuim in de zin van artikel 6:58 BW Pro omdat [B.V. 1] niet heeft gereageerd op de wens van [B.V. 2] om het werk af te komen maken en oplevering te laten plaatsvinden. [B.V. 2] maakt gebruik van zijn opschortingsrecht in afwachting van de uitkomst van deze procedure.
Ten aanzien van de kozijnen voor de opdrachtgever voert [B.V. 2] het volgende aan. Deze kozijnen zijn vier maanden te laat geleverd. Daarmee is [B.V. 1] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en [B.V. 2] heeft daardoor schade geleden. De opdrachtgever kon in die tijd niet over zijn woning beschikken. [B.V. 2] heeft gratis vervangende woonruimte aan de opdrachtgever aangeboden om escalatie te voorkomen. [B.V. 2] liep daardoor € 2.250,00 huur per maand mis. In totaal is sprake van € 9.000,00 aan huurderving. [B.V. 2] heeft [B.V. 1] hiervoor aansprakelijk gesteld en een verrekening verklaring afgegeven. Op grond van het voorgaande bedraagt de totale schade voor [B.V. 2] ongeveer € 30.000,00. [B.V. 2] heeft in privé een tegenvordering op [B.V. 1] en deze vordering is gecedeerd aan [B.V. 2] . [B.V. 2] doet een beroep op verrekening waardoor het gevorderde bedrag volledig teniet gaat en [B.V. 2] per saldo nog geld tegoed heeft van [B.V. 1] . Mochten de vorderingen worden toegewezen, dan stelt [B.V. 2] zich op het standpunt dat het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard dient te worden omdat een afweging dient te worden gemaakt tussen enerzijds de belangen van [B.V. 1] bij het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis en anderzijds de belangen van [B.V. 2] .
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
3.6.
[B.V. 2] vordert een verklaring voor recht dat het beroep op verrekening door [B.V. 2] geslaagd is evenals te bevestigen dat door verrekening de vordering van [B.V. 1] teniet is gegaan, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [B.V. 1] in de kosten van deze procedure.
3.7.
[B.V. 2] legt hetgeen hiervoor onder r.o. 3.4. is opgenomen aan de vordering ten grondslag.
3.8.
[B.V. 1] voert verweer. [B.V. 1] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [B.V. 2] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [B.V. 2] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [B.V. 2] in de kosten van deze procedure.
3.9.
[B.V. 1] voert het volgende aan. [B.V. 1] betwist dat zij jegens [B.V. 2] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst met de directeur. [B.V. 1] heeft voldaan aan haar waarschuwingsplicht. [B.V. 1] heeft de door de directeur gekozen kozijnen geleverd en dat heeft zij naar behoren gedaan. Het plaatsen van de kozijnen en het glas, het afkitten en het schilderwerk is niet door [B.V. 1] uitgevoerd. [B.V. 2] had bovendien helemaal geen betrokkenheid bij deze overeenkomst omdat [B.V. 1] de overeenkomst met de directeur in privé heeft gesloten en niet met [B.V. 2] . Van een mededeling van de gecedeerde vordering is nooit eerder sprake geweest dan bij conclusie van antwoord. De geleverde kozijnen zijn ook betaald en [B.V. 1] verwijst daartoe naar overgelegde betalingsbewijzen. [B.V. 2] heeft ook nooit eerder gereclameerd, terwijl op de factuur is opgenomen dat dit binnen acht dagen dient te gebeuren. Ten aanzien van de kozijnen voor de opdrachtgever betwist [B.V. 1] eveneens dat sprake is van een tekortkoming. Er is nooit een uiterste leveringsdatum afgesproken. Het is juist de bewoners maandenlang niet konden verblijven in het pand, maar dit had te maken met een grote verbouwing die [B.V. 2] zelf geïnitieerd en gepland had. Deze verbouwing kon niet worden afgerond binnen de met de bewoners afgesproken termijn, maar dat had niets te maken met [B.V. 1] . [B.V. 1] verwijst daartoe naar overgelegde Whatsappcorrespondentie. [B.V. 1] stelt zich primair op het standpunt dat zij niet aansprakelijk is voor de door [B.V. 2] gepretendeerde schade en dat zij met betrekking tot de schadeclaim nooit door [B.V. 2] in gebreke is gesteld. [B.V. 2] heeft pas voor het eerst op 10 maart 2025 bij [B.V. 1] haar klacht kenbaar gemaakt. [B.V. 2] heeft ingevolge artikel 6:89 BW Pro en 7:23 BW niet binnen bekwame tijd geprotesteerd tegen de vermeende gebrekkige prestaties. [B.V. 1] stelt subsidiair dat [B.V. 2] geen schade heeft geleden. Meer subsidiair betwist [B.V. 1] de hoogte van de reconventionele vordering. [B.V. 1] verzoekt om artikel 6:136 BW Pro toe te passen.
3.10.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

in conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie hierna gezamenlijk worden behandeld.
Hoofdsom
4.2.
[B.V. 2] betwist niet dat [B.V. 1] de leveranties en werkzaamheden zoals vermeld op de facturen van 5 juli 2023 en 30 april 2024 heeft uitgevoerd. Vast staat dat [B.V. 2] deze facturen niet volledig betaald heeft. De vordering is daarom in beginsel toewijsbaar, tenzij het beroep van [B.V. 2] op verrekening slaagt.
4.3.
Artikel 6:127 lid 2 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) geeft de schuldenaar de bevoegdheid tot verrekening, wanneer hij een prestatie te vorderen heeft die beantwoordt aan zijn schuld jegens dezelfde wederpartij en hij bevoegd is zowel tot betaling van de schuld als tot het afdwingen van de betaling van de vordering. Lid 3 van genoemd artikel bepaalt dat de bevoegdheid tot verrekening niet bestaat ten aanzien van een vordering en een schuld die in van elkaar gescheiden vermogens vallen.
4.4.
Artikel 6:136 BW Pro bepaalt dat een rechter een vordering ondanks een beroep van de schuldenaar op verrekening kan toewijzen, indien de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering overigens voor toewijzing vatbaar is. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [B.V. 2] het verrekeningsverweer onvoldoende onderbouwd. [B.V. 2] heeft enkel de brief van [bedrijf] overgelegd waaruit volgens [B.V. 2] de schade aan de kozijnen aan het woonhuis van de directeur zou moeten blijken. Dit betreft geen onafhankelijke deskundige. Enige onderbouwing ten aanzien van de (blote) stellingen met betrekking tot de kozijnen voor de opdrachtgever ontbreekt. [B.V. 1] heeft gemotiveerd betwist dat [B.V. 2] een opeisbare vordering op [B.V. 1] heeft. Omdat de gegrondheid van het verrekeningsverweer daarom niet op eenvoudige wijze is vast te stellen en de vordering van [B.V. 1] voor toewijzing vatbaar is, zal de kantonrechter op grond van artikel 6:136 BW Pro het beroep op verrekening passeren.
4.5.
Volgens [B.V. 2] verkeert [B.V. 1] in schuldeisersverzuim en kan [B.V. 1] geen betaling vorderen. Artikel 6:58 BW Pro bepaalt dat de schuldeiser in verzuim komt wanneer nakoming van de verbintenis verhinderd wordt doordat hij de daartoe noodzakelijke medewerking niet verleent of doordat een ander beletsel van zijn zijde opkomt, tenzij de oorzaak van verhindering hem niet kan worden toegerekend. Volgens [B.V. 2] heeft [B.V. 1] zes schriftelijke dan wel digitale verzoeken van [B.V. 2] om het werk in de woning van de directeur af te komen maken genegeerd. [B.V. 1] wenste ook geen oplevering om zo opleverpunten uit de weg te kunnen gaan. [B.V. 2] heeft dit standpunt op geen enkele wijze onderbouwd, terwijl dit wel op haar weg had gelegen nu [B.V. 1] betwist dat [B.V. 2] eerder geklaagd heeft en een beroep doet op schending van de klachtplicht. [B.V. 2] heeft dan ook onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [B.V. 1] in schuldeisersverzuim verkeert.
4.6.
Op grond van het voorgaande wordt het gevorderde bedrag van € 13.613,64 toegewezen.
4.7.
De in reconventie gevorderde verklaring voor recht ligt op grond van het voorgaande voor afwijzing gereed.
Wettelijke rente
4.8.
[B.V. 1] vordert de wettelijke handelsrente over de hoofdsom. Op de factuur van 5 juli 2023 is een betalingstermijn van 8 dagen na ontvangst factuur opgenomen en op de factuur van 30 april 2024 een betalingstermijn van 14 dagen na ontvangst factuur. [B.V. 2] heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de gevorderde handelsrente. Omdat
[B.V. 2] de facturen onbetaald heeft gelaten is [B.V. 2] overeenkomstig artikel 6:119a BW de wettelijke handelsrente verschuldigd. De wettelijke handelsrente wordt toegewezen zoals gevorderd.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.9.
[B.V. 1] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. [B.V. 2] voert aan dat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten afgewezen dienen te worden aangezien niet meer werkzaamheden hebben plaatsgevonden dan de gebruikelijke werkzaamheden bij het opmaken van een dossier en houden van een deugdelijke administratie. De kantonrechter volgt dit niet. Nu beide partijen handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zijn de buitengerechtelijke incassokosten op grond van artikel 6:96 lid 4 BW Pro in beginsel toewijsbaar. Het gevorderde bedrag van € 911,14 aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten bepaalde tarief en zal worden toegewezen.
Uitvoerbaar bij voorraad
4.10.
[B.V. 1] vordert dat het vonnis uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard. [B.V. 2] heeft verzocht het vonnis niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De kantonrechter stelt voorop dat het uitgangspunt is dat een uitgesproken veroordeling, hangende een hogere voorziening, uitvoerbaar moet zijn en zonder de voorwaarde van zekerheidsstelling ten uitvoer kan worden gelegd. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken als, kort gezegd, de belangen van [B.V. 2] om de uitkomst van een eventueel hoger beroep af te wachten zwaarder wegen dan de belangen van [B.V. 1] om direct over te kunnen gaan tot uitvoering van het vonnis. Bij de beoordeling van een vordering tot uitvoerbaarheid bij voorraad geldt als maatstaf dat de belangen van partijen dienen te worden afgewogen in het licht van de omstandigheden van het geval. [B.V. 2] heeft geen omstandigheden aangevoerd waaruit een zwaarwegend belang van [B.V. 2] blijkt. De kantonrechter ziet daarom geen aanleiding om van het voornoemde uitgangspunt af te wijken en het vonnis zal daarom uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.
Proceskosten
4.11.
[B.V. 2] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [B.V. 1] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
122,35
- griffierecht
1.461,00
- salaris gemachtigde
864,00
(2 punten × € 432,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.591,35
4.12.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten in conventie wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.13.
[B.V. 2] is tevens in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [B.V. 1] worden begroot op € 432,00 (2 punten × factor 0,5 × € 432,00) aan salaris gemachtigde.

5.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
5.1.
veroordeelt [B.V. 2] om aan [B.V. 1] te betalen een bedrag van € 16.473,67, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 13.613,64, met ingang van 16 juli 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [B.V. 2] in de proceskosten van € 2.591,35, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
5.3.
veroordeelt [B.V. 2] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na vonnisdatum zijn betaald,
in reconventie
5.4.
wijst de vorderingen van [B.V. 2] af,
5.5.
veroordeelt [B.V. 2] in de proceskosten van € 432,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
5.6.
veroordeelt [B.V. 2] tot betaling van de kosten van betekening als [B.V. 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. Otto en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.