ECLI:NL:RBLIM:2026:1642

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
03.270985.19 (ontneming)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel en oplegging betalingsverplichting in hennephandelzaak

De rechtbank Limburg heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een ontnemingszaak tegen verdachte, die werd veroordeeld voor het handelen in hennep in de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 3 februari 2026, waarbij zowel de officier van justitie als de verdediging hun standpunten hebben toegelicht.

De officier van justitie vorderde aanvankelijk een ontnemingsbedrag van €44.979,30, dat later werd bijgesteld naar €18.753,39. De verdediging stelde dat het wederrechtelijk verkregen voordeel maximaal €14.660,04 bedroeg, met een gedetailleerde berekening van omzet, kosten en winstverdeling over verschillende handelsperioden.

De rechtbank baseerde haar oordeel op diverse bewijsmiddelen, waaronder verklaringen, tapgesprekken en een rapport over wederrechtelijk verkregen voordeel. Zij verdeelde de handelsperiode in drie fasen: samenwerking met medeverdachten, samenwerking met twee medeverdachten, en een periode waarin verdachte alleen handelde. De rechtbank schatte het wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk op €17.334,59, waarvan €130,- in beslag genomen geld in mindering werd gebracht, waardoor de betalingsverplichting op €17.204,59 werd vastgesteld.

De uitspraak is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht en werd gewezen door de meervoudige kamer van de rechtbank Limburg te Roermond.

Uitkomst: De rechtbank stelt het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op €17.334,59 en legt een betalingsverplichting van €17.204,59 op aan verdachte.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummer : 03.270985.19 (ontneming)
Tegenspraak
Uitspraak van de meervoudige kamer d.d. 17 februari 2026 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht
in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren te Venlo op [geboorte datum] 1990,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
hierna te noemen [verdachte] .
[verdachte] wordt bijgestaan door mr. H. van der Ende, advocaat kantoorhoudende te Venlo.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026. [verdachte] en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
De behandeling van de ontnemingsvordering heeft gelijktijdig plaatsgehad met de behandeling van de strafzaak met parketnummer 03.270985.19 + 03.212857.23 (ttz.gev.) en met de behandeling van de ontnemingsvordering in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte 1] met parketnummer 03.267458.19. Op 17 februari 2026 heeft de rechtbank eerst vonnis gewezen in de strafzaak. Vervolgens is deze uitspraak gewezen.

2.De vordering van de officier van justitie

De vordering van de officier van justitie strekt tot het vaststellen van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en het aan [verdachte] opleggen van de verplichting tot betaling aan de staat van dat geschatte voordeel. De officier van justitie heeft dit bedrag aanvankelijk geschat op € 44.979,30.
Volgens de officier van justitie zou [verdachte] dit voordeel hebben verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor [verdachte] is veroordeeld.
Op de terechtzitting van 3 februari 2026 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat hij het geschatte voordeel en de op te leggen betalingsverplichting op € 18.753,39 vaststelt.

3.De beoordeling

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden toegewezen. De officier van justitie gaat uit van een ontnemingsperiode van 372 dagen, gelet op de verklaring van [verdachte] in combinatie met de onderzoeksresultaten. Daarnaast heeft de officier van justitie de periode gesplitst in drie periodes:
de periode van 321 dagen waarin [verdachte] heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] (waarbij een winstverdeling werd toegepast van 40% voor [verdachte] en 60% voor [medeverdachte 1] ),
de periode van 30 dagen waarin hij heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (waarbij een winstverdeling werd toegepast van 33,33% per persoon),
en de periode van 21 dagen waarin hij voor zichzelf heeft gewerkt en dus alle winst voor hemzelf was.
De officier van justitie heeft voor de berekening van de opbrengsten en de kosten verwezen naar het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel zoals dat door de politie is opgesteld. Gelet op het voorgaande komt de officier van justitie uit op een bedrag van ((321 x € 123,30 x 0,40) + (30 x € 123,30 x 0,33 + (21 x € 81,-) = € 18.753,39.
3.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel hoogstens € 14.660,04 bedraagt. In het proces-verbaal van bevindingen gaat men uit van een te lange handelsperiode en te weinig kosten. Er dient te worden uitgegaan van een handelsperiode van 1 januari 2019 tot en met 10 november 2019 met een korte onderbreking van 16 oktober tot en met 22 oktober 2019 waarin niet is gedeald door [verdachte] . In de periode van 1 januari 2019 tot 16 oktober 2019 heeft [verdachte] samen met anderen gehandeld. [verdachte] heeft in totaal 307 dagen gehandeld in hennep. Voorts dienen per transactie een bedrag van € 0,26 aan brandstofkosten en een bedrag van € 0,049 aan telefoonkosten in rekening te worden gebracht. Voor de breuk op 16 oktober 2019 zijn de kosten per transactie minstens € 5,81 en na de breuk zijn de kosten per transactie minstens
€ 5,76. De raadsvrouw heeft primair verzocht een winstverdeling van voor de breuk toe te passen van 40% voor [verdachte] en 60% voor [medeverdachte 1] en subsidiair verzocht het wederrechtelijk verkregen voordeel 50%-50% toe te rekenen.
De raadsvrouw heeft de volgende berekening gemaakt:
Vóór de breuk:
Handelsperiode: 288 dagen;
Transacties per dag: 27,4;
Omzet per transactie: € 10,00;
Omzet per dag: € 274,00;
Kosten per transactie: € 5,81;
Kosten per dag: € 159,19;
Winst per dag: € 114,81;
Totale winst in de periode vóór de breuk = 288 dagen x € 114,81 = € 33.065,28;
Van deze winst heeft [verdachte] 40% ontvangen = € 13.226,11.
Na de breuk:
Handelsperiode: 19 dagen;
Transacties per dag: 17,8;
Omzet per transactie: € 10,00;
Omzet per dag: € 178,00;
Kosten per transactie: € 5,76;
Kosten per dag: € 102,53;
Winst per dag: € 75,47;
Totale winst na de breuk = 19 dagen x € 75,47 = € 1.433,93;
Deze winst is 100% voor [verdachte] .
Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht het onder [verdachte] – via de heuptas – inbeslaggenomen bedrag van € 130,00 in mindering te brengen op de aan [verdachte] op te leggen betalingsverplichting.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Inleiding
Bij voormeld vonnis van 17 februari 2026 is [verdachte] onder meer veroordeeld wegens het samen met anderen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep, handelen in hennep, gepleegd in de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019.
De officier van justitie heeft de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig gemaakt binnen de daarvoor gestelde termijn.
Ingevolge het bepaalde in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht moet worden onderzocht of, en zo ja in hoeverre, [verdachte] voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van de feiten waarvoor de veroordeling heeft plaatsgevonden.
3.3.2
Het bewijs [1]
De rechtbank verwijst naar de bewijsmiddelen zoals opgenomen ten aanzien van feit 2 in het vonnis van deze rechtbank van 17 februari 2026 in de onderliggende strafzaak. Die bewijsmiddelen houden - kort gezegd - in het medeplegen van in de uitoefening van een bedrijf of beroep handelen in hennep. Deze bewijsvoering neemt de rechtbank hier over.
Uit die bewijsmiddelen blijkt onder meer dat de verdachte heeft bekend dat hij vanaf 1 januari 2019 tot aan zijn aanhouding op 11 november 2019 heeft gehandeld in hennep waaraan hij geld heeft verdiend. Hij heeft eerst samengewerkt met [medeverdachte 1] en later ook met [medeverdachte 2] . Na de breuk met [medeverdachte 1] heeft hij nog een aantal dagen voor zichzelf gehandeld in hennep.
In aanvulling op de in het vonnis genoemde bewijsmiddelen heeft de rechtbank bij het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel voorts de hierna te noemen bewijsmiddelen gebruikt.
Verbalisant [naam verbalisant]heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: [2]
De hennep zat, volgens hun eigen straattaal, in ‘bagga’s’ (gripzakjes) verpakt. In deze bagga’s zat gemiddeld 1 tot 1,2 gram hennep. De bagga’s werden verkocht voor 10 euro per stuk. Dit blijkt uit de verklaring van een persoon die drie zakjes hennep had gekocht. Ook blijkt dit uit de tapgesprekken die zijn beluisterd en het verdachteverhoor van [medeverdachte 1] .
Uit tapgesprekken bleek dat ze ‘serbi’ (straattaal voor: dienst doen) deden. Het ging hier dan dus om het verkopen van en het handelen in verdovende middelen en dat er via deze telefoonnummers elke dag van de week gehandeld werd in verdovende middelen.
Via de uitgeluisterde tapgesprekken is gehoord dat [medeverdachte 1] en [verdachte] op 17 oktober 2019 ruzie hebben gekregen. Hierdoor is een breuk ontstaan tussen hen beiden. Uit de tapgesprekken die de dagen hierna volgden, kon worden geconcludeerd dat [verdachte] een eigen wiet-taxi had opgezet, met hierbij een eigen telefoonnummer. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn vervolgens samen verder gegaan met het reeds bestaande nummer.
Uit de tapgesprekken blijkt dat, bij de aanvang dan de eerste taplijn op 11 september 2019, er
vanaf het aangesloten telefoonnummer hennep verhandeld wordt. Vervolgens blijkt dat alle drie de verdachten afwisselend dit telefoonnummer onder zich hadden.
Prijzen
- door [medeverdachte 1] werd in zijn verdachteverhoor verklaard dat de zakjes voor 10 euro per stuk werden verkocht;
- door een persoon die is aangehouden nadat ze drugs had gekocht is verklaard dat ze al
ongeveer vijf keer eerder hennep had gekocht via het wiet-taxi nummer (deal-telefoonnummer) en dat de prijs per zakje normaal 10 euro per stuk was;
- uit de afgeluisterde tapgesprekken blijkt dat er per bagga 10 euro wordt gevraagd.
Daggemiddelde voor breuk [verdachte] / [medeverdachte 1]
- In de periode 12 september 2019 tot en met 18 september 2019 is er onderzocht hoeveel
telefoongesprekken er gevoerd werden met betrekking tot het maken van afspraken. Hieruit is gebleken dat er gemiddeld 27,4 afspraken per dag waren.
- Er zal per daggemiddelde worden uitgegaan van 1 bagga welke verkocht werd per transactie. Er is echter wel bekend dat er bij transacties soms meerdere zakjes of grotere hoeveelheden tegelijk verkocht werden. Het uitgaan van slechts 1 bagga per transactie zal dus in het voordeel van de verdachte zijn.
Daggemiddelde na breuk, [verdachte]
- na de breuk met [medeverdachte 1] op 17 oktober 2019 heeft [verdachte] een eigen wiet-taxi telefoonlijn opgezet. Dit heeft hij gedaan met zijn eigen telefoonnummer die wij op dat moment ook al onder de tap hadden;
- in de periode 2 november 2019 tot en met 8 november 2019 is er onderzocht hoeveel telefoongesprekken hij voerde met betrekking tot het maken van afspraken. Hieruit is gebleken dat [verdachte] gemiddeld 17,8 afspraken per dag had.
In het
tapgesprekd.d. 22 oktober 2019 zegt [verdachte] dat hij vanaf morgen (
de rechtbank begrijpt: 23 oktober 2019) bagga’s heeft. [3]
Op grond van vorenstaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] door middel van of uit de baten van voormelde feiten voordeel heeft gekregen.
3.3.3
De schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De rechtbank zal het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vaststellen op € 17.334,59. Hiertoe overweegt zij het volgende.
De rechtbank gaat ervan uit dat [verdachte] vanaf 1 januari 2019 tot 11 september 2019 heeft samengewerkt met [medeverdachte 1] . Gebleken is dat vanaf 11 september 2019 [medeverdachte 2] met hen samenwerkte en dat [verdachte] vanaf 17 oktober 2019 vanwege een ruzie alleen is verder gegaan. Daarmee is hij, zo is gebleken uit een tapgesprek op 22 oktober 2019, op 23 oktober 2019 begonnen, hetgeen betekent dat hij vanaf 23 oktober 2019 tot en met 10 november 2019 voor zichzelf heeft gehandeld in hennep. Op 11 november 2019 is [verdachte] immers aangehouden en heeft hij geen hele dag meer gehandeld in hennep.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank voor wat betreft het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgaat van drie periodes waarin [verdachte] voordeel heeft verkregen.
Periode 1 januari 2019 tot en met 10 september 2019
Opbrengst
In deze periode hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] 253 dagen gehandeld in hennep. Gebleken is dat er in de periode van 12 september 2019 tot en met 18 september 2019 gemiddeld 27,4 afspraken per dag waren. De rechtbank gaat – op grond van voornoemde bewijsmiddelen – ervan uit dat per dag (minimaal) één ‘bagga’ oftewel een zakje hennep werd verkocht per transactie. De zakjes werden voor € 10,- per stuk verkocht. Dit betekent dat de omzet (27,4 x € 10,- =) € 274,- per dag was. De totale omzet in deze periode was aldus (€ 274,- x 253 dagen =) € 69.322,-.
Kosten
In het Boom Rapport 2019 worden de kosten en opbrengsten van hennep(kwekerijen) beschreven en uitgelegd. In dit rapport wordt uitgegaan van een verkoopprijs hennep per kilo van € 4.070,-. Dit betreft het bedrag wat een kweker hiervoor vermoedelijk zal ontvangen. Bij tussenhandel (waar in dit geval sprake van is) ligt dit bedrag vermoedelijk hoger. Er zal in onderstaande berekening worden uitgegaan van € 5,50 aan kosten per ‘bagga’/transactie/gram. Dat zou neerkomen op een gehanteerde inkoopprijs van € 5.500,- per kilo, waardoor dit uitgangspunt in het voordeel is van de verdachten, die zelf immers hebben verklaard tussen de € 4.000,- en € 5.000,- te hebben betaald per kilo.
De rechtbank is met de raadsvrouw van oordeel dat de telefoonkosten en brandstofkosten in mindering op het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden gebracht. De rechtbank deelt het standpunt van de raadsvrouw dat die telefoonkosten € 40,- per maand bedroegen en die brandstofkosten € 50,- per week. Dit betekent dat wordt uitgegaan van (€ 40,- : 30 dagen : 27,4 =) € 0,049 aan telefoonkosten per transactie en (€ 50,- : 7 dagen : 27,4 =) € 0,26 aan brandstofkosten per transactie.
De kosten per transactie bedroegen aldus (€ 5,50 + € 0,049 + € 0,26 =) € 5,81 per transactie.
De totale kosten bedroegen over de gehele periode (€ 5,81 x 27,4 x 253 dagen =) € 40.276,10.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg in deze periode (€ 69.322,- min € 40.276,10 is) € 29.045,90.
Nu onvoldoende objectief kan worden vastgesteld hoe de winst tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] werd verdeeld, zal de rechtbank dit bedrag gelijkmatig verdelen over deze personen, en het bedrag dus delen door twee.
Het totaal van het netto verkregen voordeel van [verdachte] in deze periode wordt op grond van deze berekening geschat op (€ 29.045,90 : 2 =) € 14.522,95.
Periode 11 september 2019 tot en met 16 oktober 2019
Opbrengst
In deze periode hebben [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] samen 36 dagen gehandeld in hennep. De rechtbank verwijst voor het vaststellen van het gemiddelde aantal afspraken per dag en de verkoopprijs per zakje naar hetgeen zij hierover hiervoor heeft overwogen. Ook hier gaat de rechtbank uit van het verkopen van één zakje hennep per transactie. De totale omzet in deze periode was aldus (€ 274,- x 36 dagen =) € 9.864,-.
Kosten
Ook voor wat betreft de kosten verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De totale kosten bedroegen over deze periode aldus (€ 5,81 x 27,4 x 36 =) € 5.730,98.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel bedroeg in deze periode (€ 9.864,- min € 5.730,98 is) € 4.133,02.
Ook in dit geval zal de rechtbank het bedrag gelijkmatig verdelen over alle drie de personen, en het bedrag dus delen door drie.
Het totaal van het netto verkregen voordeel van [verdachte] in deze periode wordt op grond van deze berekening geschat op (€ 4.133,02 : 3 =) € 1.377,67.
Periode 23 oktober 2019 tot en met 10 november 2019
Opbrengst
In deze periode heeft [verdachte] 19 dagen alleen gehandeld in hennep. Gebleken is dat [verdachte] in de periode van 2 november 2019 tot en met 8 november 2019 gemiddeld 17,8 afspraken per dag had. De rechtbank gaat er ook hier vanuit dat er per daggemiddelde een zakje hennep per transactie werd verkocht en dat de zakjes voor € 10,- per stuk werden verkocht. Dit betekent dat de omzet (17,8 x € 10,- =) € 178,- per dag was. De totale omzet in deze periode was aldus (€ 178,- x 19 dagen =) € 3.382,-.
Kosten
Voor wat betreft de kosten per zakje/transactie en de brandstofkosten verwijst de rechtbank naar hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De telefoonkosten worden niet berekend, nu [verdachte] in deze periode geen gebruik heeft gemaakt van de dealertelefoon. De kosten per transactie bedroegen aldus (€ 5,50 + € 0,26 =) € 5,76.
De totale kosten bedroegen over deze periode (€ 5,76 x 17,8 x 19 dagen =) € 1.948,03.
Wederrechtelijk verkregen voordeel
Het totale netto wederrechtelijk verkregen voordeel van [verdachte] wordt in deze periode geschat op (€ 3.382,- min € 1.948,03 is) € 1.433,97.
Het totale wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van het voorgaande wordt het totaal van het netto verkregen voordeel geschat op (€ 14.522,95 + € 1.377,67 + € 1.433,97 =) € 17.334,59.
3.3.4
De op te leggen betalingsverplichting
Nu gebleken is dat onder [verdachte] een heuptasje met daarin € 130,- in beslag is genomen en dat bedrag niet is geretourneerd aan [verdachte] , zal de rechtbank dit bedrag in mindering brengen op de betalingsverplichting.
De rechtbank zal aan [verdachte] de verplichting opleggen tot betaling van (€ 17.334,59 min € 130,- is) € 17.204,59 aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.Het wettelijke voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

5.De beslissing

De rechtbank:
  • stelt het bedrag, waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat, vast op
  • legt [verdachte] de verplichting op tot
- bepaalt de duur van de
gijzelingdie met toepassing van artikel 6:6:25 van Pro het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op
172 dagen.
Deze uitspraak is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. N.P.J. van de Pasch en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.
Buiten staat
Mr. N.P.J. van de Pasch is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid deze uitspraak mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, BHV-nummer PL2321-2019136270 (onderzoek LB13019002 / DELTA), gesloten d.d. 7 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 655 en het proces-verbaal aanvullend dossier van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, BHV-nummer PL2321-2019136270 (onderzoek DELTA / LB13019002), gesloten d.d. 16 juni 2020, doorgenummerd van pagina 656-667.
2.Proces-verbaal van bevindingen van het aanvullend dossier d.d. 28 februari 2020, pagina 662-665.
3.Tapgesprek d.d. 22 oktober 2019, pagina 94.