ECLI:NL:RBLIM:2026:1640

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 februari 2026
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
03.2709885.19 + 03.212857.23 (ttz gev.)
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 47 SrArt. 57 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor handel in hennep met gedeeltelijke vrijspraak wegens onvoldoende bewijs

De rechtbank Limburg heeft op 17 februari 2026 uitspraak gedaan in een strafzaak tegen verdachte wegens handel in hennep. De verdachte werd beschuldigd van het bezit en de handel in hennep in twee verschillende periodes. Voor het eerste parketnummer werd bewezen verklaard dat verdachte in de periode van 1 januari 2019 tot 11 november 2019 hennep verhandelde en op 11 november 2019 een hoeveelheid van 835,8 gram in bezit had. Voor het tweede parketnummer werd verdachte vrijgesproken wegens onvoldoende bewijs en schending van het recht op een eerlijk proces, omdat een cruciale getuigenverklaring niet kon worden getoetst door de verdediging.

De rechtbank oordeelde dat de verklaring van de verdachte en andere bewijsmiddelen het eerste feit wettig en overtuigend bewezen maakten. De tenlastelegging voor de periode van november tot en met december 2018 werd echter niet bewezen verklaard, waardoor verdachte partieel werd vrijgesproken voor die periode. Voor het tweede feit werd de verklaring van een getuige uitgesloten omdat de verdediging geen effectieve mogelijkheid had om deze te ondervragen, waardoor het bewijs onvoldoende was.

De straf werd bepaald op 100 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van één jaar, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, de ernst van de feiten, de persoonlijke omstandigheden van verdachte en zijn positieve gedragsverandering. Daarnaast werd de teruggave van een inbeslaggenomen heuptas met €130 gelast. De rechtbank achtte de handel in hennep ernstig vanwege de schadelijke effecten en de maatschappelijke gevolgen van de illegale drugshandel.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 100 dagen gevangenisstraf, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, en vrijgesproken van een tweede tenlastelegging wegens onvoldoende bewijs.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Roermond
Strafrecht
Parketnummers: 03.270985.19 + 03.212857.23 (ttz.gev.)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 17 februari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te Venlo op [geboorte datum] 1990,
wonende te [woonplaats] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. H. van der Ende, advocaat te Venlo.

1.Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 3 februari 2026. De verdachte en zijn raadsvrouw zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
Deze zaak is gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de strafzaken tegen medeverdachten [medeverdachte 1] (03.267458.19 + 03.309129.24) en [medeverdachte 2] (03.267463.19 + 03.309104.24).

2.De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat de verdachte:
in de zaak met parketnummer 03.270985.19:
Feit 1: op 11 november 2019 in de gemeente Venlo samen met (een) ander(en) opzettelijk 835,8 gram hennep aanwezig heeft gehad;
Feit 2: in de periode van 1 november 2018 tot en met 11 november 2019 in de gemeente Venlo samen met (een) ander(en), in de uitoefening van een bedrijf of beroep, opzettelijk hennep heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval voorhanden heeft gehad;
in de zaak met parketnummer 03.212857.23:
in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2020 in de gemeente Venlo opzettelijk 70,1 gram hennep heeft verkocht, afgeleverd en/of verstrekt, althans aanwezig heeft gehad.

3.De beoordeling van het bewijs

3.1
Het standpunt van de officier van justitie
parketnummer 03.270985.19
De officier van justitie acht feit 1 en feit 2 wettig en overtuigend bewezen, mede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte.
parketnummer 03.212857.23
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde. Dat blijkt volgens de officier van justitie uit de verklaring van de getuige [getuige] , uit de berichten tussen de verdachte en de getuige [getuige] en uit het feit dat het DNA van de verdachte is aangetroffen op de kleinere gripzak.
3.2
Het standpunt van de verdediging
parketnummer 03.270985.19
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van feit 1 gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsvrouw zich ook gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met dien verstande dat de tenlastegelegde periode dient aan te vangen op 1 januari 2019. Op basis van het dossier kan namelijk niet worden bewezen dat de verdachte ook daarvoor heeft gehandeld in drugs.
parketnummer 03.212857.23
De raadsvrouw heeft aangevoerd dat er genoeg reden is om te twijfelen aan de betrokkenheid van de verdachte bij dit feit. De berichten tussen de verdachte en de getuige [getuige] zijn van twee maanden voor de vondst en hebben dus geen evident verband met de aangetroffen hennep. De verdachte heeft over het aantreffen van zijn DNA verklaard dat hij weleens bij de getuige [getuige] komt en dat het kan dat hij de zak heeft gepakt om samen met haar een jointje te roken. Deze verklaring is concreet, aannemelijk en verifieerbaar. Het DNA van de verdachte kan daarom niet als ondersteunend bewijs worden gezien voor de verklaring van de getuige [getuige] dat de verdachte haar de hennep heeft verstrekt of verkocht. De raadsvrouw heeft verzocht om hem van dit feit vrij te spreken.
3.3
Het oordeel van de rechtbank
3.3.1
Ten aanzien van de zaak met parketnummer 03.270985.19 [1]
Feit 1
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit bij de politie heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie op 12 november 2019; [2]
- het proces-verbaal aanhouding verdachte d.d. 11 november 2019; [3]
- het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2019; [4]
- het proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 11 november 2019; [5]
- de lijst van inbeslaggenomen goederen d.d. 12 november 2019; [6]
- de verklaring van [naam] afgelegd bij de politie op 12 november 2019. [7]
Feit 2
De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen. Nu de verdachte dit feit ter terechtzitting en bij de politie heeft bekend en geen vrijspraak is bepleit, zal de rechtbank overeenkomstig artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:
- de bekennende verklaring van de verdachte afgelegd tijdens de zitting van 3 februari 2026;
- de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie op 12 november 2019; [8]
- de verklaring van de verdachte afgelegd bij de rechter-commissaris op 14 november 2019; [9]
- de verklaring van de verdachte afgelegd bij de politie op 19 november 2019; [10]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd bij de politie op 9 november 2019; [11]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 1] afgelegd bij de politie op 10 november 2019; [12]
- de verklaring van de medeverdachte [medeverdachte 2] afgelegd bij de politie op 10 november 2019. [13]
Partiële vrijspraak tenlastegelegde periode
De rechtbank zal de verdachte partieel vrijspreken van de handel in hennep in de periode van 1 november 2018 tot en met 31 december 2018. Gelet op de verklaring van de verdachte staat vast dat de verdachte samen met de medeverdachte [medeverdachte 1] in ieder geval vanaf 1 januari 2019 is gestart met de handel in hennep. Het dossier bevat onvoldoende bewijs dat zij reeds vanaf 1 november 2018 actief waren. De opsteller van de tenlastelegging heeft die startdatum kennelijk gebaseerd op de verklaring van de verdachte op 19 november 2019 dat hij ‘één jaar echt actief’ is in de softdrugshandel. De raadsvrouw heeft overtuigend bepleit dat uit de overige verklaringen van de verdachte blijkt dat hij daarmee het toen lopende kalenderjaar heeft bedoeld.
3.3.2
Vrijspraak ten aanzien van het feit in de zaak met parketnummer 03.212857.23
De rechtbank acht - anders dan de officier van justitie - niet bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde feit heeft gepleegd en overweegt daartoe als volgt.
De rechtbank heeft vastgesteld dat [getuige] , op verzoek van de verdediging daartoe opgeroepen door het openbaar ministerie, niet als getuige ter terechtzitting is verschenen. De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat de verdediging gebruik had willen maken van het ondervragingsrecht. De verdediging wenste echter geen verdere vertraging en heeft daarom afstand gedaan van deze getuige.
De rechtbank dient te beoordelen of het proces jegens de verdachte als geheel voldoet aan het door artikel 6 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Deze wijze van beoordeling sluit aan bij de drie stappen die in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens deel uitmaken van de beoordeling of, in gevallen waarin de verdediging ondanks het nodige initiatief niet een behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen, het proces als geheel eerlijk is verlopen. Van belang hierbij zijn, naast (i) het bestaan van een goede reden dat het ondervragingsrecht niet kan worden uitgeoefend, (ii) het gewicht van de verklaring van de getuige, binnen het geheel van de resultaten van het strafvorderlijke onderzoek, voor de bewezenverklaring van het feit, en (iii) het bestaan van compenserende factoren, waaronder ook procedurele waarborgen, die compensatie bieden voor het ontbreken van een ondervragings-gelegenheid. [14]
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de getuige [getuige] dient te worden uitgesloten van het bewijs, omdat de verdediging geen behoorlijke en effectieve mogelijkheid heeft gehad om het ondervragingsrecht uit te oefenen. De verklaring van de getuige is ‘sole or decisive’ [15] voor het bewijs, gelet op de ontkennende verklaring van de verdachte en omdat voldoende zwaarwegend steunbewijs in andere bewijsmiddelen ontbreekt. Als de rechtbank de belastende verklaring van de getuige toch voor het bewijs zou gebruiken, dan zou dit het ‘decisive’ bewijs vormen en levert dit – gelet op wat hiervoor is overwogen – een schending van artikel 6 EVRM Pro op.
Zonder de verklaring van de getuige [getuige] bevat het dossier onvoldoende bewijs dat de verdachte in de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2020 opzettelijk 70,1 gram hennep heeft verkocht, afgeleverd, verstrekt of aanwezig heeft gehad. Het aangetroffen DNA-spoor is onvoldoende, gelet op de verklaring van de verdachte over de mogelijke oorsprong van dit spoor, om daarop een veroordeling te baseren. De rechtbank zal hem daarom van dit feit vrijspreken.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
t.a.v. 03.270985.19, feit 1:
op 11 november 2019 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van 835,8 (814,7 + 21,1) gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II;
t.a.v. 03.270985.19, feit 2:
in de periode van 1 januari 2019 tot en met 11 november 2019 in de gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd, een hoeveelheid hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
t.a.v. 03.270985.19, feit 1:
medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 3 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod;
t.a.v. 03.270985.19, feit 2:
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5.De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6.De straf

6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 120 dagen, waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar en met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht. De officier van justitie heeft bij het bepalen van zijn strafeis rekening gehouden met de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de overschrijding van de redelijke termijn.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft verzocht om bij het bepalen van de straf rekening te houden met het tijdsverloop in beide zaken en met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Hij heeft van begin 2020 tot en met 2024 schorsingstoezicht gehad, heeft een positieve gedragsverandering laten zien en maakt in moeilijke situaties de juiste keuzes. In de visie van de verdediging kan bij een bewezenverklaring van de feiten primair worden volstaan met een onvoorwaardelijke gevangenisstraf, gelijk aan de duur van het reeds ondergane voorarrest van 40 dagen, subsidiair in combinatie met een taakstraf of meer subsidiair in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsvrouw heeft verzocht om in het geval van oplegging van een deels voorwaardelijke straf, de duur van de proeftijd vast te stellen op één jaar.
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
De verdachte heeft zich gedurende een periode van ongeveer een jaar bezig gehouden met de handel in hennep. In die periode heeft de verdachte een aantal maanden met één van de medeverdachten samengewerkt, daarna heeft de verdachte kort met beide medeverdachten samengewerkt en – nadat er een conflict met één van de medeverdachten is ontstaan – is de verdachte alleen verder gegaan.
Met zijn handelen heeft de verdachte een essentiële bijdrage geleverd aan het in stand houden van de illegale softdrugshandel met alle kwalijke neveneffecten van dien. Het is een feit van algemene bekendheid dat hennep, althans de werkzame stof THC, een zeer schadelijke werking heeft voor de gezondheid van gebruikers en tot ernstige verslavingsproblematiek kan leiden. Tevens gaan illegale hennepactiviteiten vaak gepaard met andere vormen van (gewelds-, vermogens- en andere) criminaliteit. De verdachte heeft geen oog gehad voor deze kwalijke gevolgen en is kennelijk puur gericht geweest op financieel voordeel voor zichzelf.
Gezien de ernst van de feiten kan in beginsel niet anders worden gereageerd dan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf. Gelet op hetgeen de rechtbank bewezen heeft verklaard, acht de rechtbank in principe een gevangenisstraf van 5 maanden passend. De rechtbank ziet echter voldoende reden om van dit uitgangspunt af te wijken.
Met betrekking tot de redelijke termijn en het procesverloop in deze zaak overweegt de rechtbank allereerst het volgende. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. In deze zaak is de redelijke termijn met ruim 4 jaar overschreden. Dat betekent dat het in dit vonnis gaat om de bestraffing voor strafbare feiten die al meer dan 6 jaar geleden hebben plaatsgevonden.
De rechtbank heeft ook acht geslagen op het strafblad van de verdachte en kennisgenomen van zijn persoonlijke omstandigheden. Hij is eerder met justitie in aanraking gekomen in verband met het overtreden van de Opiumwet en is sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis in deze zaak in 2019 nog twee keer veroordeeld in 2020. Inmiddels lijkt hij te zijn gestopt met de handel in hennep, is hij vader geworden en maakt hij keuzes die hem beschermen tegen recidive. Hij is rustiger en minder impulsief geworden.
Het tijdsverloop in deze zaak en de voornoemde omstandigheden maken dat de rechtbank zal afwijken van het uitgangspunt om een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf op te leggen. De rechtbank zal aan de verdachte opleggen een gevangenisstraf van 100 dagen, waarvan 90 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 1 jaar. Deze straf is lager dan de officier van justitie heeft gevorderd, omdat de rechtbank tot een andere bewezenverklaring is gekomen.

7.Het beslag

7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de heuptas moet worden teruggegeven aan de verdachte.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich niet uitgelaten over het beslag.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de inbeslaggenomen heuptas, waarin volgens het dossier € 130,- zat, aan de verdachte.

8.De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 57 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9.De beslissing

De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van het tenlastegelegde in de zaak met parketnummer 03.212857.23;
Bewezenverklaring
  • verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder
  • spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
  • verklaart dat het bewezenverklaarde de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder
  • verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
  • veroordeelt de verdachte voor de feiten 1 en 2 onder parketnummer 03.270985.19 tot een
  • beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in
  • bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een
Beslag
-
gelast de teruggavevan het volgende in beslag genomen voorwerp aan de verdachte:
03.270985.19: 1 STK Tas (heuptas waarin € 130,- zat);
Voorlopige hechtenis
-
heft ophet tegen de verdachte verleende geschorste bevel tot
voorlopige hechtenismet ingang van heden.
Dit vonnis is gewezen door mr. L. Bastiaans, voorzitter, mr. N.P.J. van de Pasch en mr. S.S. Vijn, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M.C.G. Taranto, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 17 februari 2026.
Buiten staat
Mr. N.P.J. van de Pasch is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
De griffier is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.
BIJLAGE:
De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat
t.a.v. 03.270985.19, feit 1:
hij op of omstreeks 11 november 2019 te [plaats delict] , gemeente Venlo, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 835,8 (814,7 + 21,1) gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. 03.270985.19, feit 2:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 november 2018 tot en met 11 november 2019 in de gemeente Venlo, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een bedrijf of beroep, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
t.a.v. 03.212857.23, feit 1:
hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 september 2020 tot en met 16 september 2020 in de gemeente Venlo opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van ongeveer 70,1 gram, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voetnoten

1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, District Noord- en Midden-Limburg, basisteam Venlo/Beesel, BHV-nummer PL2321-2019136270 (onderzoek LB13019002 / DELTA), gesloten d.d. 7 april 2020, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 655.
2.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019, pagina 366, 367 en 370.
3.Proces-verbaal aanhouding verdachte d.d. 11 november 2019, pagina 307.
4.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 november 2019, pagina 232-233.
5.Proces-verbaal van binnentreden in woning d.d. 11 november 2019, pagina 344.
6.Lijst van inbeslaggenomen goederen d.d. 12 november 2019, pagina 349-351.
7.Proces-verbaal van verhoor verdachte [naam] d.d. 12 november 2019, pagina 606.
8.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 12 november 2019, pagina 367, 368 en 370.
9.Proces-verbaal van verhoor verdachte toetsing rechtmatigheid inverzekeringstelling en vordering tot bewaring d.d. 14 november 2019.
10.Proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 19 november 2019, pagina 379.
11.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 9 november 2019, pagina 459 en 462.
12.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 1] d.d. 10 november 2019, pagina 469.
13.Proces-verbaal van verhoor verdachte [medeverdachte 2] d.d. 10 november 2019, pagina 549-554.
14.HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576, r.o. 2.12.2.
15.Hiermee wordt bedoeld dat een bewijsmiddel het enige of doorslaggevende bewijs is.