ECLI:NL:RBLIM:2026:1330

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
4 maart 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
11462008 CV EXPL 25-56
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
  • Bisscheroux
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 7:224 lid 1 BWArt. 128 lid 3 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedaagde aansprakelijk voor huurpenningen en schade wegens niet geretourneerde bouwmaterialen

In deze civiele bodemzaak stond centraal of de eisende partij materialen had gehuurd van de gedaagde partij en of hij gehouden was tot betaling van huurpenningen en schadevergoeding wegens het niet terugbrengen van deze materialen.

De kantonrechter stelde vast dat de eisende partij gebonden was aan de eerste huurovereenkomst, waarbij hij zijn ID-kaart had verstrekt en de overeenkomst had getekend, wat een duidelijke wilsuiting was om de verplichtingen na te komen. De eisende partij slaagde niet in het tegenbewijs dat hij niet verantwoordelijk was. De gedaagde partij had geen bewijs geleverd dat de eisende partij ook gebonden was aan de tweede huurovereenkomst, zodat hiervoor geen betaling of schadevergoeding verschuldigd was.

De kantonrechter veroordeelde de eisende partij tot betaling van de huurpenningen van de eerste overeenkomst, een schadevergoeding voor het niet terugbrengen van het steigermateriaal en de aanhangwagen, en de buitengerechtelijke incassokosten. De wettelijke rente werd toegewezen vanaf de vervaldata van de facturen of de dagvaarding. Het eerdere verstekvonnis werd deels vernietigd en de eisende partij werd veroordeeld in de proceskosten.

De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke contractuele binding en de gevolgen van het niet nakomen van huurverplichtingen in de bouwmaterialenbranche.

Uitkomst: Eiser wordt veroordeeld tot betaling van huurpenningen, schadevergoeding en incassokosten voor de eerste huurovereenkomst, maar niet voor de tweede huurovereenkomst.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11462008 \ CV EXPL 25-56
Vonnis van 4 maart 2026
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats 1] ,
eisende partij in het verzet,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
gemachtigde: mr. R.R.F.J. Palmen,
tegen
[gedaagde partij] B.V.,
te [plaats 2] ,
gedaagde partij in het verzet,
hierna te noemen: [gedaagde partij] ,
gemachtigde: mr. A.L. Stegeman.

1.De procedure

1.1.
Het verdere verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 18 juni 2025
- het getuigenverhoor van 10 oktober 2025
- het getuigenverhoor van 1 december 2025
- de conclusie na getuigenverhoor van [eisende partij]
- de conclusie na getuigenverhoor van [gedaagde partij] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De zaak in het kort
2.1.
Samengevat gaat deze zaak over de vraag of [eisende partij] bij [gedaagde partij] materialen heeft gehuurd, die niet zijn teruggebracht en of hij de huurpenningen, schadevergoeding en overige kosten moet betalen. Er zouden volgens [gedaagde partij] op twee verschillende dagen huurovereenkomsten met [eisende partij] zijn gesloten: op 2 september 2023 betreffende steigermateriaal en een aanhanger (Huurovereenkomst I) en op 4 september 2023 betreffende een toplift (Huurovereenkomst II).
2.2.
In het tussenvonnis is ten aanzien van Huurovereenkomst I overwogen dat de door [eisende partij] getekende huurovereenkomst dwingend bewijs oplevert van het feit dat [eisende partij] zich als wederpartij bij deze huurovereenkomst heeft willen binden en dat [gedaagde partij] dat ook zo heeft mogen begrijpen. [eisende partij] is toegelaten om daartegen tegenbewijs te leveren.
2.3.
Ten aanzien van Huurovereenkomst II is overwogen [eisende partij] in beginsel niet aan de huurovereenkomst is gebonden, tenzij [gedaagde partij] zou kunnen bewijzen dat zij erop mocht vertrouwen dat [naam 1] (die deze overeenkomst heeft getekend) een toereikende volmacht had om namens [eisende partij] de overeenkomst met [gedaagde partij] te sluiten. [gedaagde partij] is toegelaten om dit bewijs te leveren, maar heeft daarvan afgezien.
2.4.
De kantonrechter komt tot het oordeel dat [eisende partij] niet is geslaagd in het door hem te leveren tegenbewijs, zodat hij aan Huurovereenkomst I is gebonden. [gedaagde partij] heeft geen bewijs geleverd dat [eisende partij] partij is bij Huurovereenkomst II, zodat [eisende partij] geen huurpenningen verschuldigd is voor de toplift en ook niet aansprakelijk is voor de schade wegens het niet terugbrengen daarvan.
In het onderstaande zal de kantonrechter uitleggen hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dat heeft voor de in het verstekvonnis uitgesproken veroordeling.
[eisende partij] is partij bij Huurovereenkomst I en moet zijn verplichtingen nakomen
2.5.
Als getuigen zijn gehoord [eisende partij] zelf en de heer [naam 2] (in enquête) en mevrouw [gedaagde partij] en de heer [naam 3] (in contra-enquête). De getuigenverklaringen komen in de kern op hetzelfde neer: [eisende partij] en [naam 1] zijn samen bij [gedaagde partij] geweest om steigermateriaal te huren. [naam 1] had geen ID-kaart bij zich en daarom wilde [gedaagde partij] het materiaal niet aan hem meegeven. [eisende partij] heeft toen zijn ID-kaart gegeven om de huurovereenkomst op zijn naam te laten zetten en het materiaal mee te kunnen krijgen. Dat de verklaringen op details verschillen, moge zo zijn, maar uit deze gang van zaken alleen al, staat voor de kantonrechter vast – en had ook [eisende partij] moeten begrijpen – dat [gedaagde partij] alleen een huurovereenkomst wilde sluiten met iemand die zich kon legitimeren. Dat [eisende partij] zijn ID-kaart vervolgens heeft gegeven, zijn gegevens heeft verstrekt voor het huurcontract en de overeenkomst heeft getekend, heeft [gedaagde partij] mogen opvatten als een wilsuiting van [eisende partij] om niet alleen de materialen mee te nemen, maar om ook de verantwoordelijkheid te dragen voor de uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Nergens blijkt uit dat [eisende partij] zelf te kennen heeft gegeven dat hij dat laatste níet wilde (wat tot gevolg zou hebben gehad dat hij en [naam 1] de materialen niet mee hadden gekregen). Het had voor [eisende partij] duidelijk kunnen en moeten zijn dat hij zich door het tekenen van de overeenkomst jegens [gedaagde partij] verbond als contractspartij bij de overeenkomst. [gedaagde partij] heeft daar door de hele gang van zaken ook niet aan hoeven twijfelen.
2.6.
Reeds hieruit volgt dat [eisende partij] niet in het tegenbewijs is geslaagd. Dat het in zijn verhouding met [naam 1] (en indirect [naam 2] ) duidelijk was dat hij níet verantwoordelijk was voor het huren en betalen van de steiger, wil de kantonrechter graag geloven, maar dat is iets waar [gedaagde partij] geheel buiten staat. [eisende partij] is degene die zich ten opzichte van [gedaagde partij] heeft verbonden en hij is ook de enige die door [gedaagde partij] kan worden aangesproken. De nadelige gevolgen daarvan zal [eisende partij] zelf moeten zien af te wentelen op [naam 1] .
[eisende partij] moet de huurpenningen betalen
2.7.
Dat betekent dat [eisende partij] gehouden is Huurovereenkomst I na te komen, dus in de eerste plaats de huurpenningen voor de steiger en de aanhangwagen te betalen.
Daarop zagen de volgende facturen:
Factuurnummer
Datum
Vervaldatum
Bedrag
[factuurnummer 1]
09-11-2023
23-11-2023
€ 3.379,41
[factuurnummer 2]
25-03-2024
08-04-2024
€ 7.586,70
[factuurnummer 3]
18-07-2024
26-07-2024
€ 4.931,36 [1]
Totaal
€ 15.897,47
2.8.
[eisende partij] zal dit bedrag aan [gedaagde partij] moeten betalen en zal daartoe worden veroordeeld. Hij is ook wettelijke rente verschuldigd, steeds vanaf de vervaldata van de betreffende factuur. Het door [gedaagde partij] berekende bedrag aan rente is niet juist, zodat dit wordt toegewezen zoals in het dictum is verwoord.
[eisende partij] moet een schadevergoeding betalen voor het niet geretourneerde steigermateriaal
2.9.
[gedaagde partij] heeft gesteld dat het steigermateriaal nooit is geretourneerd. [gedaagde partij] heeft gevorderd om [eisende partij] te veroordelen tot het retourneren van de steigermaterialen, op straffe van een dwangsom. [eisende partij] heeft aangevoerd dat hij deze steigermaterialen niet in zijn bezit heeft en niet kan retourneren.
2.10.
Eén van de hoofdverplichtingen van een huurder is om het gehuurde bij het einde van de huur weer ter beschikking van de verhuurder te stellen [2] . Door [eisende partij] is niet betwist dat hij de steigermaterialen en aanhanger niet zelf heeft teruggebracht aan [gedaagde partij] . De kantonrechter acht voldoende aannemelijk dat [eisende partij] de steigermaterialen niet in zijn bezit heeft en dat het daarom voor hem niet mogelijk is om aan een veroordeling tot retournering van deze materialen te voldoen. Om [eisende partij] op straffe van een dwangsom dan toch daartoe te veroordelen, acht de kantonrechter niet opportuun.
2.11.
[gedaagde partij] heeft (onder V. van haar vordering) subsidiair gevorderd dat [eisende partij] wordt veroordeeld tot het betalen van vervangende schadevergoeding, bestaande uit de waarde van het steigermateriaal, door haar gesteld op een bedrag van € 23.541,55 [3] . In de conclusie van antwoord is daarover geen verweer gevoerd. Pas op de mondelinge behandeling heeft [eisende partij] aangevoerd dat [gedaagde partij] de steigermaterialen al terug heeft, omdat die na het faillissement van [naam 2] bij de curator van [naam 2] zijn opgehaald. [gedaagde partij] heeft betwist dat dit de aan [eisende partij] verhuurde steigermaterialen betrof. De kantonrechter is van oordeel dat dit een tardief verweer is, omdat dat dit bij antwoord (in dit geval in de verzetdagvaarding) gevoerd had kunnen en moeten worden. [4] Daarom gaat de kantonrechter daaraan voorbij. Tegen de hoogte van de gevorderde schadevergoeding is geen verweer gevoerd, zodat [eisende partij] zal worden veroordeeld dit bedrag te betalen.
2.12.
[gedaagde partij] heeft de wettelijke rente over dit bedrag gevorderd vanaf 14 augustus 2024. Nu [gedaagde partij] niet eerder dan in de dagvaarding aanspraak heeft gemaakt op schadevergoeding, zal de kantonrechter de ingangsdatum van de wettelijke rente vaststellen op 27 augustus 2024, de dag waarop de dagvaarding is betekend.
[eisende partij] moet de schade in verband met de aanhangwagen betalen
2.13.
Wat betreft de aanhangwagen heeft [gedaagde partij] (onderbouwd met facturen en door [eisende partij] onbetwist) gesteld dat zij € 242,00 aan kosten heeft gemaakt om die op te halen en te legen. Deze aanhangwagen is immers (vol met puin) ergens door de politie gevonden en door [gedaagde partij] opgehaald. Ook dit bedrag zal als schadevergoeding worden toegewezen, omdat die schade het gevolg is van het feit dat [eisende partij] deze aanhangwagen niet zelf heeft geretourneerd. De wettelijke rente over dit bedrag is gevorderd vanaf 14 augustus 2024. Omdat deze kosten bij [eisende partij] in rekening zijn gebracht in de factuur van 18 juli 2024, met vervaldatum 26 juli 2024 en [gedaagde partij] op 14 augustus 2024 nogmaals heeft gesommeerd, is de rente vanaf deze datum toewijsbaar.
[eisende partij] is niet gebonden aan Huurovereenkomst II en hoeft geen huurpenningen en schadevergoeding voor de toplift te betalen.
2.14.
Omdat [eisende partij] niet gebonden is aan huurovereenkomst II betreffende de huur van de toplift, hoeft hij ook de huurpenningen niet te betalen en is hij niet aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van het niet inleveren van deze toplift. Voor zover de vorderingen daarop zien, worden deze afgewezen.
Buitengerechtelijke kosten
2.15.
Op 19 april 2024 heeft [gedaagde partij] aan [eisende partij] een zogeheten “veertiendagenbrief” gestuurd, waarin [eisende partij] de kans is gegeven het op dat moment openstaande bedrag van
€ 15.378,38 zonder bijkomende kosten te betalen. In deze brief is een bedrag van € 928,78 aan incassokosten aangezegd als [eisende partij] niet binnen zeventien dagen zou betalen.
2.16.
De kantonrechter overweegt dat op dat moment alleen de facturen van 9 november 2023 en 25 maart 2024 openstonden en de door [eisende partij] verschuldigde som € 10.966,11 bedroeg. De incassokosten worden op grond van de staffel als bedoeld in het Besluit vergoeding buitengerechtelijk incassokosten toegewezen tot een bedrag van € 884,66.
Het verstekvonnis wordt (deels) vernietigd
2.17.
Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het verstekvonnis niet geheel in stand kan blijven, maar dat de veroordelingen onder 3.2. en 3.3. worden vernietigd. Omdat [eisende partij] ondanks alles toch als de grotendeels in het ongelijk gestelde partijen wordt aangemerkt, zal hij wel in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten van [gedaagde partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
112,99
- griffierecht
1.409,00
- salaris gemachtigde
2.019,50
(3,5 punten × € 577,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
3.685,49
2.18.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
verklaart het verzet van [eisende partij] gedeeltelijk gegrond;
3.2.
vernietigt het door de kantonrechter op 6 november 2024 onder zaaknummer 11319607 CV EXPL 24-4857 tussen [gedaagde partij] als eisende partij en [eisende partij] als gedaagde partij gewezen verstekvonnis, behoudens de daarin uitgesproken verklaring voor recht onder 3.1.,
en
opnieuw rechtdoende:
3.3.
veroordeelt [eisende partij] om aan [gedaagde partij] te betalen:
- een bedrag van € 15.897,47 aan huurpenningen, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf de respectieve vervaldata van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling ,
- een bedrag van € 23.541,55 aan schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
- een bedrag van € 242,00 aan schadevergoeding te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 14 augustus 2024 van de onderliggende facturen tot de dag van volledige betaling;
- een bedrag van € 884,66 aan buitengerechtelijk kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro vanaf 27 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling;
3.4.
veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten van € 3.685,49, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eisende partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.5.
veroordeelt [eisende partij] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. Bisscheroux en in het openbaar uitgesproken op 4 maart 2026.

Voetnoten

1.Na aftrek conform voetnoot 1 bij de inleidende dagvaarding
2.Artikel 7:224 lid 1 BW Pro
3.Productie 14 bij dagvaarding: totaalbedrag van € 30.041,55-€ 6.500,00 waarde Toplift
4.Artikel 128 lid 3 Rv Pro