Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de incidentele conclusie tot niet ontvankelijkheidverklaring tevens conclusie van antwoord in oppositie tevens akte tot vermeerdering van eis, met producties,
Rechtbank Limburg
In deze civiele bodemzaak is eiseres in verzet gekomen tegen een verstekvonnis dat op 15 januari 2025 tegen haar was gewezen. Zij stelde dat de verzettermijn pas op 27 februari 2025 was aangevangen omdat het vonnis niet persoonlijk was betekend en zij het vonnis pas toen ontving.
De wederpartij betoogde dat de verzettermijn eerder was begonnen, namelijk op 24 februari 2025 door derdenbeslag en op 25 februari 2025 door een daad van bekendheid, omdat eiseres telefonisch contact had opgenomen met de deurwaarder over het beslag. De kantonrechter oordeelde dat het derdenbeslag pas op 14 maart 2025 ten uitvoer was gelegd, waardoor de termijn daarvoor niet eerder begon.
Echter, de kantonrechter stelde vast dat de telefonische navraag van eiseres een ondubbelzinnige daad van bekendheid vormde, omdat zij daarmee aangaf op de hoogte te zijn van de inhoud en strekking van het verstekvonnis. Hierdoor begon de verzettermijn op 25 februari 2025 en was het verzet van 26 maart 2025 te laat ingediend.
De kantonrechter verklaarde het verzet niet-ontvankelijk, bekrachtigde het verstekvonnis en veroordeelde eiseres in de proceskosten van het incident. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het verzet is niet-ontvankelijk verklaard wegens overschrijding van de verzettermijn na een daad van bekendheid.