3.3Het oordeel van de rechtbank
Het strafrechtelijk onderzoek, met de naam Recuerdo, ziet op een vijftal brandstichtingen, dan wel pogingen daartoe, in de periode van donderdag 29 december 2022 tot en met woensdag 29 maart 2023. Gedurende het onderzoek zijn zeven personen als verdachte aangemerkt, te weten [medeverdachte 1] , [verdachte] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 2] , [naam 9] , [naam 10] en [naam 8] . In de loop van het onderzoek komt naar voren dat deze (pogingen tot) brandstichtingen vermoedelijk verband met elkaar hebben en dat in wisselende samenstelling één of meerdere verdachten daarbij betrokken waren. Daarbij is telkens dezelfde familie slachtoffer geworden, te weten de familie [naam 1] / [naam 3] , bestaande uit mevrouw [naam 1] (en haar echtgenoot de heer [naam 2] ) en haar dochter mevrouw [naam 3] met haar gezin (bestaande uit haar echtgenoot de heer [naam 4] en hun drie kinderen).
Uit de verklaringen van de aangevers in het dossier blijkt dat in mei 2016 mevrouw [naam 1] [woning] , gelegen aan de [adres 2] te Haelen, aan [naam 12] en zijn echtgenote heeft verkocht. Contractueel werd vastgelegd dat mevrouw [naam 1] in het [woning] mocht blijven wonen. Sinds 2018 wonen (ook) mevrouw [naam 3] en haar gezin in het bijgebouw van het [woning] .
Volgens de verklaringen van aangevers verslechterde de relatie tussen de familie [naam 1] / [naam 3] en [naam 12] na het overlijden van de echtgenote van [naam 12] . Daarnaast kwam de kleinzoon van [naam 12] in het [woning] wonen, wat leidde tot overlast. Volgens aangevers uitte [naam 12] sindsdien diverse beschuldigingen van diefstal aan het adres van [naam 1] . Ook was sprake van verbale agressie en bedreigingen richting [naam 1] en [naam 3] , waarbij hij onder andere dreigde ‘zigeuners op hen af te sturen’. Op basis van dit conflict bestaat bij aangevers het vermoeden dat [naam 12] vervolgens personen heeft ingezet om de branden te stichten en de familie [naam 1] / [naam 3] schrik aan te jagen. Naar aanleiding van analyse van zendmast- en telecomgegevens werden diverse telefoonnummers afgeluisterd en opgenomen en zijn de verschillende verdachten bij de politie in beeld gekomen.
De rechtbank zal eerst de afzonderlijke branden bespreken en daarbij acht slaan op wie daarbij betrokkenheid had. Vervolgens zal de rechtbank bepalen wat de onderlinge rolverdeling was en of er al dan niet sprake was van medeplegen.
Ter bevordering van de leesbaarheid van dit vonnis, mede gelet op de omvang van de bewijsmiddelen, zijn de relevante bewijsmiddelen apart opgenomen in bijlage II. Op grond van die bewijsmiddelen zijn volgens de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden naar voren gekomen.
29 december 2022 (feit 1)
Op donderdag 29 december 2022 omstreeks 01:57 uur werden aangeefster [naam 1] en haar echtgenoot [naam 2] in hun woning aan de [adres 3] te Neer, gewekt door een telefoontje van hun dochter, die op camerabeelden zag dat hun auto in brand stond. Vanaf de overloop nam de aangeefster waar dat twee auto’s op de oprit in brand stonden, waarbij de vlammen een hoogte van twee meter hadden bereikt. Vanwege de hevige rookontwikkeling, het dreigende ontploffingsgevaar en de vrees dat het vuur zou overslaan naar de woning, hebben de bewoners de woning niet verlaten. De brand aan de twee auto’s is vervolgens door de brandweer geblust.
Uit forensisch onderzoek bleek dat de auto’s door het vuur waren aangetast en gesmolten. Daarnaast werd schade aan de woning geconstateerd, waaronder hittebreuken in de ruiten naast de voordeur en aangetaste, bruin verkleurde kozijnen. De onderzoekers stelden vast dat er twee afzonderlijke brandhaarden waren tussen de voertuigen aan de voor- en achterzijde en dat zeer waarschijnlijk sprake is van brandstichting. Omdat motorvoertuigen doorgaans zeer fel branden met een grote hitteontwikkeling, bestond gezien de locatie van de auto’s een direct gevaar voor uitbreiding van de brand. Geconcludeerd werd dat sprake is geweest van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen. Op het moment van het uitbreken van de brand lagen de bewoners in de woning te slapen.
Op basis van de verklaringen van [medeverdachte 1] en [verdachte] kan worden geconcludeerd dat [medeverdachte 1] destijds gebruikmaakte van het telefoonnummer [telefoonnummer 1] en [verdachte] van [telefoonnummer 2] . Het politieonderzoek heeft voorts uitgewezen dat [medeverdachte 3] de gebruiker was van het telefoonnummer [telefoonnummer 3] . Dit volgt uit het feit dat [medeverdachte 3] met dit telefoonnummer op donderdag 24 november 2022 om 01:12 uur een melding heeft gedaan bij de politiemeldkamer met betrekking tot een incident op het adres [adres 4] in Eindhoven. Daarnaast had, zoals hierna zal worden geoordeeld, dit telefoonnummer in de nacht van 21 januari 2023 (feit 3) veelvuldig contact met [medeverdachte 1] , verplaatste dit telefoonnummer zich die nacht gelijktijdig met de bij feit 3 gebruikte Opel Vectra en concludeert de rechtbank dat [medeverdachte 3] in deze Opel Vectra heeft gezeten. Daarnaast heeft [medeverdachte 1] het rond die tijd in een bericht naar [verdachte] erover dat ze beter op ‘die lange’ kunnen wachten, want die wil het wel doen en [medeverdachte 3] is lang, te weten 2.10 meter. Ook noemde [medeverdachte 3] zichzelf ‘lange’ toen hij de telefoon met het telefoonnummer [telefoonnummer 4] (dat aan hem gekoppeld is door middel van stemherkenning) opnam met ‘Advocatenkantoor De Lange’.
Met deze vaststellingen kan worden geconstateerd op basis van de informatie uit de telefoon van [verdachte] dat [verdachte] en [medeverdachte 1] op 28 december 2022 met elkaar belden rond 17.21 uur. [medeverdachte 1] heeft in een van die gesprekken gezegd dat hij ‘hem’ niet kan bereiken en dat hij anders voor niets rijdt. [verdachte] antwoordde daarop dat hij tot 18:00 uur afwacht, dan komt en ernaartoe rijdt. Vervolgens laten de onderzochte telecomgegevens en zendmastgegevens zien dat de telefoons van [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en [verdachte] op 28 december 2022 vanaf 11:00 uur veelvuldig contact met elkaar hadden. Die middag bevonden de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1]zich eerst in Veghel tussen 11:47 en 13:13 uur, waarna zij zich aan het eind van de middag, tussen 17:22 en 17:56 uur, allebei in Sint-Oedenrode bevonden. In de vroege avond verplaatsten zij zich richting het zuiden. Terwijl [verdachte] vanaf 18:47 uur vanuit Eindhoven richting Limburg reisde, volgden [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] rond 18:53 uur dezelfde route. [medeverdachte 3] werd om 19:42 uur en 19:56 uur gesignaleerd door een zendmast in Neer ( [straat 1] ). Ook [medeverdachte 1] bevond zich in de omgeving van Neer en Haelen en belde toen met [medeverdachte 3] . Van 20:32 uur tot halverwege de nacht (00:29 uur op 29 december 2022) bevonden [verdachte] en [medeverdachte 1] zich in Nederweert. Vervolgens bevonden [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 3] zich alle drie rond 01:30 uur op de [adres 3] in Neer. Nadat [medeverdachte 3] rond 01:10 uur al in de nabijheid is gesignaleerd, bevonden ook [medeverdachte 1] en [verdachte] zich omstreeks 01:27 uur onder de zendmast die direct dekking biedt aan de betreffende woning [adres 3] te Neer. Op dat specifieke moment zocht [medeverdachte 1] contact met [medeverdachte 3] , hetgeen niet lukte. Vervolgens reisden [medeverdachte 1] en [verdachte] terug naar Noord-Brabant, waarbij [medeverdachte 1] om 02.00 uur is gesignaleerd in Eindhoven en [verdachte] om 02:37 uur in Best. [medeverdachte 3] is nog rond 02.00 uur gesignaleerd in Leende en Heeze. Hij is dan nog op de terugreis naar Eindhoven.
Deze bewegingen in Neer zijn ook vastgelegd op de camerabeelden van [adres 5] te Neer. Daaruit volgt dat vanaf 01:27 uur meermaals twee auto’s, een Volvo V40 (van [verdachte] ) en een Volkswagen Golf (waarin [medeverdachte 3] dan moet hebben gereden), door de straat reden. Om 01:40 uur kwam de Volkswagen Golf uit de richting van de plaats delict rijden, maar dan opvallend genoeg met de verlichting uit. Vervolgens wordt de verlichting weer aangezet. Daarna zijn er geen auto’s meer te zien. Op de camerabeelden is te zien dat rond 01.40 uur de brand aan de auto’s is ontstaan.
[medeverdachte 1] heeft over de feiten niet verklaard. [verdachte] heeft over 28 en 29 december 2022 verklaard dat hij op voorverkenning was met zijn Volvo V40, die op naam staat van zijn partner [naam 13] . Hem werd gevraagd of hij die nacht naar de [adres 3] in Neer kon rijden. Het adres kreeg hij in de middag van 28 december 2022 op een briefje. De opdracht was dat hij moest doorgeven of op dat adres iets verdachts was en of er auto’s bij dat adres stonden. Dit heeft hij gedaan en hiervoor kreeg hij geld. Hij verklaarde dat hij toen niet wist dat er brand zou worden gesticht, wel dat er mogelijk iets strafbaar zou plaatsvinden. Achteraf is hem verteld over de brandstichting en heeft hij het ook via zijn telefoon op internet opgezocht. Hij heeft bij alle feiten altijd contact gehad met maar één persoon, die hem de opdrachten gaf. Op basis van het veelvuldige contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] die dag en nacht, komt de rechtbank tot de conclusie dat deze ene persoon [medeverdachte 1] is geweest, die hem de opdrachten met betrekking tot de brandstichtingen heeft gegeven.
Tussenconclusie
De rechtbank acht op basis van het forensisch onderzoek wettig en overtuigend bewezen dat op 29 december 2022, omstreeks 01:40 uur, brand is gesticht aan twee auto’s op de oprit van het adres [adres 3] te Neer, gemeente Leudal. Gelet op de onderbouwing van de forensisch onderzoekers is de rechtbank van oordeel dat sprake was van gemeen gevaar voor in de auto gelegen goederen, de nabijgelegen woning en levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.
[medeverdachte 1] heeft [verdachte] opdracht gegeven om de voorverkenning te doen. Hij heeft hem ook het briefje met het adres gegeven. Gedurende 28 december 2022 hadden [verdachte] , [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] meerdere keren telefonisch contact. Omstreeks 20:00 uur zijn [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] in afzonderlijke voertuigen langs het adres [adres 3] te Neer gereden om de locatie aan te wijzen en te bekijken. De uitvoering vond vervolgens plaats in de nacht: omstreeks 01:30 uur op 29 december 2022 voerde [verdachte] in zijn Volvo V40 de voorverkenning uit en rapporteerde aan [medeverdachte 1] . Ook [medeverdachte 1] was in de buurt van de locatie. Vervolgens vertrokken [verdachte] en [medeverdachte 1] beiden richting Noord-Brabant. Kort daarna stichtte [medeverdachte 3] de brand aan de voertuigen op de oprit en vertrok vervolgens naar Eindhoven. Dit laatste baseert de rechtbank op basis van het tijdstip van de brand, 01:40 uur, en de aanwezigheid van [medeverdachte 3] in Leende en Heeze rond 02:00 uur.
15 januari 2023 (feit 2)
Op 15 januari 2023 omstreeks 01:50 uur zag aangeefster [naam 1] dat een personenauto voor haar huis aan de [adres 3] te Neer stopte. Daarin zaten drie personen. De bestuurder stapte uit en goot een kan benzine over een van haar personenauto’s, die op de oprit stond. Toen [naam 1] begon te schreeuwen is de persoon snel in de auto gestapt en weggereden.
De forensisch onderzoekers concluderen dat het zeer waarschijnlijk is dat de auto overgoten is met benzine om hem vervolgens in brand te steken.
Uit de telecomgegevens blijkt dat een dag eerder, op 14 januari 2023, [verdachte] en [medeverdachte 1] telefonisch contact hadden over dat [verdachte] met ‘ [bijnaam 1] ’ ernaartoe rijdt om de weg te wijzen. [verdachte] gaf aan dat ze er vanavond naartoe zouden rijden. [medeverdachte 1] gaf [verdachte] de opdracht om de kentekenplaten van de auto af te halen en meldt dat hij dat zelf ook doet.
Uit de camerabeelden van het tankstation Tinq volgde dat er om 01:44 uur een Opel Vectra langsreed.
De onderzochte telecom- en zendmastgegevens tonen aan dat [medeverdachte 1] zich omstreeks 00:31 uur bevond in Son en Breugel. [verdachte] was in dezelfde omgeving om 00:54 uur. Om 01:01 uur verplaatsten zij zich vanuit Noord-Brabant naar Limburg. Om 01:33 en 01:53 uur belde [medeverdachte 1] naar de telefoon van de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ). Om 01:33 uur was [medeverdachte 1] in Haelen (onder bereik van een mast die de N273 bestrijkt). Tussen 01:53 uur en 01:57 uur bevond [medeverdachte 1] zich in de directe omgeving van Neer ( [straat 2] en de [straat 3] ). Om 01:57 uur straalde ook de telefoon van de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) een mast aan in Neer. Deze mast, de [straat 1] , biedt dekking aan de [adres 3] te Neer. Dit was ook het moment dat [naam 1] zag dat er benzine over haar auto werd gegoten. De telefoon van de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) belde toen [medeverdachte 1] , die zich op ditzelfde moment bevond in de directe nabijheid (onder bereik van de masten in Kessel/Beesel die de N273 in Neer bestrijken). Vervolgens werd de terugreis ingezet: [verdachte] is om 01:59 uur gesignaleerd in Reuver/Kessel, nabij de verbindingswegen richting de A67. En zowel [medeverdachte 1] als de telefoon van gebruiker [nummer 1] bevond zich om 02:11 uur op de A67 ter hoogte van Liessel, rijdend in de richting van Eindhoven. Omstreeks 02:33 uur zijn [verdachte] en [medeverdachte 1] terug in Best respectievelijk Son en Breugel.
[verdachte] heeft verklaard dat hij op 15 januari 2023 naar Neer is gereden voor een voorverkenning en dat hij heeft vernomen dat het niet was gelukt om brand te stichten. Hij wist nu wel dat er brandgesticht zou worden.
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat - mede gelet op de samenhangende feiten en omstandigheden in deze zaak - op 15 januari 2023 benzine over de auto op de oprit van [adres 3] te Neer, gemeente Leudal, is gegoten met als doel om deze in brand te steken. Het enige wat nog nodig was, was het aansteken van de benzine. Er is naar het oordeel van de rechtbank zodoende sprake van een poging tot brandstichting. Voor de vraag of van de brand gemeen gevaar voor goederen te duchten was, dient te worden beoordeeld of dat gevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar is geweest. In dit geval stond naast de met benzine overgoten auto nog een auto geparkeerd op de oprit. Gelet op de situatie dat een auto fel kan branden met forse hitteontwikkeling, is de rechtbank van oordeel dat gemeen gevaar voor goederen te duchten was, te weten voor de goederen gelegen in de met benzine overgoten personenauto en de nabij geparkeerde personenauto.
De rechtbank stelt voorts vast dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en een onbekend gebleven persoon ( [nummer 1] ) naar Neer zijn gereden en ten tijde van de poging tot brandstichting in de buurt van de plaats delict zijn. [verdachte] was daar om de situatie vooraf te verkennen. [medeverdachte 1] heeft op 14 januari 2023 aan [verdachte] de opdracht gegeven om samen met ‘ [bijnaam 1] ’ ernaartoe te rijden om de weg te wijzen. Ook heeft hij de opdracht gegeven aan [verdachte] om de kentekenplaten van de auto te halen en zei hij dat hij dat zelf ook zou doen. Daarnaast reed [medeverdachte 1] ook naar Neer die nacht en onderhield hij contact met de telefoon van de onbekende gebleven persoon ( [nummer 1] ). De onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) was door [medeverdachte 1] ingeschakeld om de brand te stichten en heeft de benzine over de auto gegoten.
Op basis van de gesprekken die [medeverdachte 1] heeft gevoerd rondom feit 3 en feit 5, is de rechtbank van oordeel dat [medeverdachte 1] de opdracht tot brandstichting aan de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) heeft gegeven, zoals hij dit ook heeft gedaan bij [medeverdachte 3] (feiten 1 en 3) en [naam 8] (feit 5).
21 januari 2023 (feit 3)
Op 21 januari 2023 omstreeks 03:30 uur is brandgesticht bij de toegangspoort van [woning] , gevestigd op de [adres 6] te Haelen, gemeente Leudal. De uitbater [naam 4] heeft hiervan aangifte gedaan. Uit het forensisch onderzoek is vast komen te staan dat de linkerhelft van de toegangspoort beroet was en delen van het hout door vuur en hitte waren aangetast. Ook op de keien van het pad voor de poort zat zwarte aanslag/beroeting. Daarbij was sprake van een positieve indicatie van een brandbare vloeistof op de linkerhelft van de poort en het straatwerk voor deze poorthelft. Geconcludeerd werd dat de brand hoogstwaarschijnlijk is veroorzaakt door het opzettelijk inbrengen van vuur bij een brandbare vloeistof en dat bij deze brand gemeen gevaar voor goederen was te duchten.
Uit de beschrijving van de camerabeelden van die nacht van de toegangspoort van het [woning] volgt dat er om 03.27 uur een Opel Vectra met kenteken [kenteken 1] achteruit de loopbrug opreed. De bestuurder van de auto stapte uit en liep met een zwartkleurig voorwerp, gelijkend op een jerrycan, in de richting van de houten toegangspoort en liep toen het beeld uit. Hij stak vervolgens de houten toegangspoort in brand. Immers, op het moment dat hij weer in beeld kwam, had hij het zwartkleurige voorwerp niet meer bij zich en was een oranjekleurige gloed te zien die steeds feller werd. Hij liep met versnelde pas/rende naar de auto en reed weg.
De Opel Vectra is drie weken later in Boxtel aangetroffen. Aan de achterzijde zat de kentekenplaat [kenteken 1] en aan de voorzijde kentekenplaat [kenteken 2] . De kentekenplaat [kenteken 2] was van een ander voertuig gestolen in Eindhoven tussen 14 en 15 januari 2025. Uit de ANPR-gegevens is gebleken dat een auto met kentekenplaat [kenteken 2] in de nacht van de brandstichting op 21 januari 2025 om 02:34 uur van Eindhoven naar het zuiden reed en om 03:50 uur weer onderweg was in de richting van Eindhoven. Uit de historische telefoon- en mastgegevens is gebleken dat ook de telefoon van [medeverdachte 3] die nacht omstreeks 02:45 uur van Eindhoven naar het zuiden reed: omstreeks dat tijdstip straalde hij een zendmast aan de [straat 27] A2 in Waalre aan welke zendmast dekking geeft aan de [straat 27] A2, onder andere een gedeelte van de A2 tussen knooppunt Leenderheide (Eindhoven) en Valkenswaard. Om 02:48 uur passeerde ook de Opel Vectra de ANPR-camera op de A2 bij Leende/Valkenswaard in de richting Weert.
In de woning in Eindhoven waar [medeverdachte 3] omstreeks 10 februari 2023 verbleef, is ook een kentekenplaat met het kenteken [kenteken 2] aangetroffen. Verder is uit DNA-onderzoek gebleken dat op het stuurwiel, de deurklink van de bestuurder van de aangetroffen Opel Vectra en op de schenktuit van een jerrycan, die in de deze auto lag, celmateriaal zat dat mogelijk afkomstig is van [medeverdachte 3] .
Voorts komt uit onderzoek naar voren dat de Opel Vectra vanaf 14 november 2022 op naam had gestaan van [naam 14] : [medeverdachte 1] logistiek, KVK [nummer 2] , [adres 7] Son en Breugel. Uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt dat dit het bedrijf van zijn vader is.
Een dag na de brandstichting heeft [medeverdachte 1] gebeld met [naam 12] . Na beëindiging van dit gesprek, heeft [medeverdachte 1] direct [medeverdachte 3] gebeld. Verder hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] op 19, 20 en 21 januari 2023 telefonisch contact gehad. Voorafgaand aan de brand zei [medeverdachte 1] tegen [verdachte] dat ze beter op ‘die lange’ kunnen wachten want die anderen durven toch niet, die weten wat er allemaal al is gebeurd. [verdachte] antwoordde daarop dat [medeverdachte 1] de baas is. Op 20 januari 2023 bespreken ze hoe laat ze zullen gaan en hoe laat ze verwacht worden bij ‘hem’. [verdachte] was om 21 januari 2023 om 01:00 uur in de nacht bij [medeverdachte 1] om hem op te halen. Om 03:38 uur, vlak na de brandstichting, stuurde [verdachte] aan [medeverdachte 1] : 100% neef. De rechtbank maakt uit de context op dat dit zoiets moet betekenen als: [medeverdachte 3] is erheen gereden. Vervolgens zei [verdachte] dat [medeverdachte 1] moet proberen om ‘hem’ te bereiken om te vragen of alles goed is gegaan. Een paar minuten later stuurde [verdachte] aan “ [nummer 3] ” dat hij niet meegaat omdat hij kapot is: hij was vanochtend pas weer thuisgekomen en dat dit al de hele week zo is.
Tussenconclusie
De rechtbank is van oordeel dat er in de vroege ochtend van 21 januari 2023 brand is gesticht bij de toegangspoort van [woning] in Haelen, gemeente Leudal. De rechtbank is daarbij tevens van oordeel dat er gemeen gevaar te duchten was voor het [woning] en de goederen in het [woning] , op basis van de conclusies van het forensisch onderzoek.
Gelet op het dossier is de rechtbank van oordeel dat het [medeverdachte 3] is geweest die met de Opel Vectra van de vader van [medeverdachte 1] naar het [woning] is gereden om de brand te stichten en dat hij de kentekenplaat van de Opel Vectra heeft verwisseld. [medeverdachte 1] heeft in de dagen voorafgaand aan de brandstichting en ook daarna met [verdachte] contact gehad over de uitvoering. [medeverdachte 1] bepaalde dat ze beter op ‘die lange’ konden wachten en hij regelde naar alle waarschijnlijkheid de Opel Vectra waarmee [medeverdachte 3] naar het [woning] is gereden. De Opel Vectra stond immers niet lang voor de brandstichting nog op naam van zijn vader. Voorts kreeg hij van [verdachte] te horen dat de uitvoering van de brandstichting was gebeurd. Bij dit feit wordt de hiërarchische positie van [medeverdachte 1] expliciet bevestigd door [verdachte] , die hem in het onderling contact als ‘de baas’ aanmerkt. De regierol van [medeverdachte 1] blijkt bovendien uit de communicatielijn direct na het delict: hij onderhield eerst telefonisch contact met de vermoedelijke opdrachtgever [naam 12] en trad onmiddellijk daarna in contact met de uitvoerder [medeverdachte 3] .
Ten aanzien van [verdachte] overweegt de rechtbank dat, hoewel hij ontkent een voorverkenning te hebben verricht en zijn telefoon niet ter plaatse een zendmast heeft aangestraald, de feiten en omstandigheden tot een andere conclusie leiden. [verdachte] onderhield immers contact met [medeverdachte 1] over de planning van die avond (hoe laat ze zullen gaan) en verzond vrijwel direct na de brandstichting het bericht ‘100%’. De rechtbank leidt hieruit af dat [verdachte] kennelijk op de hoogte was van de (geslaagde) uitvoering van het delict, hetgeen duidt op zijn aanwezigheid in de nabijheid van de brandstichting, dan wel direct contact met de uitvoerder [medeverdachte 3] . Nu er van contact met [medeverdachte 3] op basis van de analyse van de telefoon van [verdachte] niet is bleken, moet sprake zijn geweest van het eerste: hij was in de buurt. De betrokkenheid van [verdachte] wordt voorts gestaafd door zijn berichten aan [bijnaam 2] , waarin hij aangaf pas die ochtend thuis te zijn gekomen.
4 maart 2023: vrijspraak (feit 4)
Op 4 maart 2023 is op de [adres 3] te Neer geprobeerd brand te stichten aan een auto die geparkeerd stond de oprit. Aan [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 2] is tenlastegelegd dat zij dit feit hebben gepleegd dan wel hierbij betrokken zijn geweest.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Hoewel de onderhavige poging tot brandstichting past binnen de bredere context van het dossier en er sterke aanwijzingen voor betrokkenheid van de verdachten bestaan, is de rechtbank van oordeel dat het procesdossier onvoldoende wettig en overtuigend bewijs bevat om tot een veroordeling van [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] te komen. Ten eerste stelt de rechtbank vast dat de telefoons van [verdachte] en [medeverdachte 1] geen masten in de directe omgeving van de plaats delict hebben aangestraald. Ten tweede bieden de telecomgegevens van de bewuste nacht of de voorafgaande dag geen aanknopingspunten die duiden op de voorbereiding van een brandstichting. Het feit dat er na het incident een video van de woning tussen de verdachten is verzonden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om de betrokkenheid bij het delict zelf aan te tonen.
De rechtbank merkt op dat de bewegingen van [medeverdachte 2] - die van Best naar Limburg reed, rondom het tijdstip van de poging een zendmast in de omgeving van de plaats delict aanstraalde en telefonisch contact zocht met zijn zoon [verdachte] - weliswaar uiterst opmerkelijk zijn, maar dat dit onvoldoende basis biedt om het daderschap van [medeverdachte 2] , [verdachte] of [medeverdachte 1] onomstotelijk vast te stellen. Tot slot is de signalering van een voertuig dat vijftien minuten voorafgaand aan de poging langs de locatie reed, onvoldoende specifiek. Hoewel dit voertuig gelijkenissen vertoont met de auto die drie dagen later werd aangetroffen op het woonwagenkamp waar [verdachte] verblijft, ontbreken in het dossier specifieke identificerende gegevens om te kunnen vaststellen dat het om exact hetzelfde voertuig gaat. Ook dit biedt onvoldoende basis voor een bewezenverklaring. De rechtbank spreekt [medeverdachte 2] , [verdachte] en [medeverdachte 1] dan ook vrij van dit feit.
29 maart 2023 (feit 5)
Op 29 maart 2023 omstreeks 01.30 uur is er op de oprit van de [adres 3] te Neer een Seat Inca in brand gestoken. [naam 1] heeft daarvan aangifte gedaan namens de eigenaar van de auto, [naam 15] . Er waren vlammen te zien bij de auto en de echtgenoot van [naam 1] heeft de brand zelfstandig geblust. Volgens het forensisch onderzoek was de auto aan de linkerzijde beroet en was er gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar te duchten.
De rechtbank stelt vast op basis van een eenvoudige zoekslag op het internet dat de Seat Inca grote gelijkenissen vertoont met een Volkswagen Caddy. De kleinzoon van [naam 1] die haar belde om te zeggen dat ‘de Caddy’ in brand stond, had het dus over de Seat Inca.
Op basis van de camerabeelden van de oprit blijkt dat er die nacht een auto stopte nabij de oprit en dat er vanaf die auto een persoon naar de Seat Inca liep met een voorwerp in zijn handen. Hij maakte bij de auto een schenkende beweging waarna er een felle oplichting, de rechtbank begrijpt brand, ontstond.
[naam 8] heeft bekend dat hij de persoon was die de brand heeft gesticht. Hij heeft de opdracht tot brandstichting uit geldnood aanvaard. [naam 16] heeft hem in contact gebracht met mensen. Hij ontving twee briefjes in de brievenbus, een met daarop het adres, het voertuig en dat deze in brand moest en een ander briefje met dat het nu moest gaan gebeuren. Met de brandstichting heeft hij 500 euro verdiend, wat hij achteraf per briefje heeft ontvangen.
Uit historische verkeersgegevens en mastverkeersgegevens bleek dat niet alleen [naam 8] in de nacht van 29 maart 2023 vanuit Eindhoven naar Limburg reed, maar dat ook [verdachte] dat deed. Zijn telefoon straalde omstreeks 00.30 uur een zendmast aan in Neer die dekking geeft aan onder andere de woning [adres 3] te Neer en vertrok vervolgens weer naar Best. [medeverdachte 1] bleef in Son en Breugel die nacht, maar onderhield wel intensief telefonisch contact met [verdachte] .
Uit de tapgesprekken en audio-opnames van [medeverdachte 1] en [verdachte] volgt dat ze iemand hadden gevonden die een brand wilde stichten. Op 20 maart 2023 vroeg [medeverdachte 1] aan [verdachte] wat de straat en het huisnummer ook alweer was. [medeverdachte 1] gaf aan dat het ‘die van Helmond’ is en dat ze naar het adres gaan rijden rond een uur of één. [verdachte] gaf het adres [adres 3] te Neer en een instructie over het voorbijrijden. [verdachte] was kennelijk die avond om 22.22 uur ook nog in Neer geweest, want hij gaf aan [medeverdachte 1] aan dat van de twee auto’s nog een auto op het terrein stond en dat [medeverdachte 1] dit moest doorgeven aan de Roma-man. Op 22 maart 2023 heeft [medeverdachte 1] ook nog een telefoongesprek gehad met een onbekend gebleven persoon die aangaf dat er een auto in brand gaat en dat dat niet verkeerd is.
Op 27 maart 2023 in de ochtend spreken [medeverdachte 1] en [verdachte] audio-opnames voor elkaar in. Genoemd werd dat [naam 16] wilde gaan, alleen dat ‘de lange’ het vanavond zou doen en hij de week daarop. En dat hij ook meegaat vanavond. Vervolgens gaf [verdachte] aan dat [naam 16] ‘hem’ meteen moet appen dat hij vanavond komt omdat ‘die lange’ ‘full’ is. De rechtbank maakt daaruit op dat ‘de lange’ niet langer van plan was het te doen en dat [naam 16] wordt ingezet. [verdachte] en [medeverdachte 1] belden in de avond nog met elkaar waarbij [verdachte] aan [medeverdachte 1] vroeg of hij al iets weet. [medeverdachte 1] gaf aan dat ‘hij’ zei dat hij er morgen naartoe gaat. Een dag later op 28 maart 2023 bespreken [verdachte] en [medeverdachte 1] de verdere planning van die dag tijdens een telefoongesprek, waarbij [verdachte] aangaf dat die man er naartoe rijdt. [medeverdachte 1] rijdt dan mee. [verdachte] wilde ook dat hij meerijdt want hij zei: 100 procent… [medeverdachte 1] gaf aan dat hij de man de weg gaat wijzen en dan teruggaat. [medeverdachte 1] gaf vervolgens aan dat de man eerst met de neger die bij hem zit, gaat. [medeverdachte 1] rijdt hem daarheen en dan rijden ze met zijn tweeën. [verdachte] vond dit een goed plan. Later op de dag bellen ze weer met elkaar. [verdachte] gaf op de vraag van [medeverdachte 1] of hij morgen gaat (29 maart 2023) aan dat hij vandaag al wilde. [medeverdachte 1] deed verslag van hoe de rit was geweest: [medeverdachte 1] is met hen daarnaartoe gereden en ‘hij’ had gezegd dat hij het 100% doet. [medeverdachte 1] heeft aangegeven dat hij eerst moet doorrijden, stoppen en nog een keer rijden. Vervolgens aansteken en wegrijden. [medeverdachte 1] en [verdachte] bespraken tevens dat er iemand mee moet ter controle. Op 29 maart 2023 om 00.28 uur belde [verdachte] naar [medeverdachte 1] . Hij is kennelijk op voorverkenning geweest die nacht, want hij gaf aan dat er een Caddy staat op hun terrein/grondstuk. Hij heeft ‘hem’, de rechtbank begrijpt de uitvoerder, zojuist langs zien rijden, dus hij is daar. [medeverdachte 1] gaf aan dat hij ‘hem’ zal bellen en daarna [verdachte] terugbelt. [medeverdachte 1] belde vervolgens [verdachte] weer en koppelde terug dat ‘hij’ gaat rijden. De volgende middag bellen [verdachte] en [medeverdachte 1] met elkaar over een betaling. [medeverdachte 1] zei dat hij die jongen sowieso gaat betalen. [verdachte] vroeg of het 500 was.
Tussenconclusie
De rechtbank stelt vast dat er op 29 maart 2023 brand is gesticht aan de Seat Inca die geparkeerd stond op de oprit van [adres 3] te Neer. De rechtbank volgt de analyse van de forensisch onderzoekers en is van oordeel dat er gemeen gevaar te duchten was voor de in de auto gelegen goederen, de nabijgelegen woning en levensgevaar, dan wel gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen.
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] en [medeverdachte 1] intensief met elkaar een plan opstelden over de brandstichting. [medeverdachte 1] had iemand gevonden die het 100% wilde doen en het contact verliep via [naam 16] . In de dagen voorafgaand aan de brandstichting en op de dag zelf hebben [verdachte] en [medeverdachte 1] contact over hoe laat ze gaan en welke handelingen er moeten plaatsvinden. [verdachte] is zelf ook daar geweest ter voorverkenning. [naam 8] was de uitvoerder van de brandstichting. Hij heeft verklaard dat hij die avond brand aan de auto in Neer heeft aangestoken en daarvoor 500 euro heeft gekregen. Over die betaling hebben [medeverdachte 1] en [verdachte] met elkaar gesproken. [medeverdachte 1] heeft ook nog achteraf contact met [naam 16] . Uit het dossier blijkt ten slotte dat waar gesproken wordt over [naam 16] het [naam 10] betreft.
Modus operandi en rolverdeling
Op basis van het voorgaande stelt de rechtbank vast dat de drie brandstichtingen en de poging daartoe een duidelijke, samenhangende
modus operandivertonen. Alle incidenten waren gericht tegen de familie [naam 1] / [naam 3] uit de gemeente Leudal en volgden een vast patroon: na de voorverkenningen reden de verdachten vanuit Noord-Brabant naar Neer of Haelen om met brandversnellende middelen brand te stichten aan auto’s of toegangspoort, om vervolgens direct terug te keren naar Noord-Brabant. De brandstichtingen zijn in wisselende samenstellingen gepleegd, waarbij toch sprake was van een duidelijke kernbezetting, te weten [medeverdachte 1] en [verdachte] . Om de rol van de verschillende verdachten nader te duiden, bespreekt de rechtbank hieronder de onderlinge rolverdeling.
[medeverdachte 1]
was de organisator/regisseur van de brandstichtingen en had ook contact met (de mogelijke opdrachtgever) [naam 12] , zijnde een oom van [medeverdachte 1] . Hij had de volledige regie in handen: hij regelde een voorverkenner en de uitvoerders, bepaalde de planning en de wijze van uitvoering, was op momenten aanwezig op de plaats delict, gaf aanwijzingen en faciliteerde een auto om naar de plaats delict te komen. Deze rol wordt verder bevestigd rondom 21 januari 2023 toen hij instructies gaf over de uitvoering en waarbij medeverdachte [verdachte] hem expliciet als ‘de baas’ aanmerkte. [medeverdachte 1] fungeerde als de cruciale schakel tussen opdracht en uitvoering; hij heeft contact gehad met [naam 12] na de brandstichting aan de toegangspoort van het [woning] en sprak over de beloning voor de uitvoerder. Hiermee staat vast dat [medeverdachte 1] niet slechts betrokken was, maar de leidende en organiserende kracht was.
Om de rol van [medeverdachte 1] vast te stellen heeft de rechtbank de bewijsmiddelen van de verschillende brandstichtingen over en weer als steunbewijs gebruikt. Uit de telefoongesprekken en audiobestanden van de brandstichtingen van 21 januari en 29 maart 2023 blijkt uitdrukkelijk dat [medeverdachte 1] een leidende rol had achter de brandstichtingen. Gelet op deze omstandigheden en het telefonische contact dat [medeverdachte 1] onderhield met [medeverdachte 3] en de onbekende gebruiker ( [nummer 1] ) bij de brandstichtingen van 29 december 2022 en 15 januari 2023 stelt de rechtbank vast dat [medeverdachte 1] toen ook al dezelfde rol had. De rechtbank is van mening dat zij deze bewijsmiddelen over en weer kan gebruiken omdat de feiten en omstandigheden op essentiële punten (de modus operandi en het contact van [medeverdachte 1] met de andere betrokkenen) overeenkomen.
[verdachte]
was in eerste instantie de voorverkenner. Hij voerde een omgevingscheck uit en gaf aan [medeverdachte 1] door of er voertuigen voor de woning van aangeefster stonden. Hij wist naar eigen zeggen pas na de brandstichting op 29 december 2022 wat de reden was van deze voorverkenningen. Anders dan [verdachte] heeft verklaard, is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] met het verstrijken van de tijd een grotere rol krijgt. Er vindt rond 21 januari 2023 steeds meer overleg plaats tussen hem en [medeverdachte 1] over de planning en welke uitvoerder er ingezet gaat worden. [verdachte] deed nog steeds de voorverkenning, maar gaf ook door dat de uitvoerder, [medeverdachte 3] , ter plaatse was. Vervolgens gaf hij ook aan [medeverdachte 1] de opdracht om contact te zoeken met [medeverdachte 3] om te vragen of alles goed is gegaan. Op 29 maart 2023 is de rol van [verdachte] nog groter en kan hij als mede-organisator worden aangemerkt. Hij voerde toen intensief overleg met [medeverdachte 1] over de uitvoering en de planning. Ook besliste hij bij die brandstichting mee over de beloning voor uitvoerder [naam 8] .
[medeverdachte 3]
De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 3] de uitvoerder is geweest van de brandstichtingen op 29 december 2022 en 21 januari 2023. Hij is telkens naar de plaats delict gereden, reed weg nadat er brand was ontstaan en had contact met [medeverdachte 1] .
[naam 8]
De rechtbank is voorts van oordeel dat [naam 8] de uitvoerder is geweest van de brandstichting op 29 maart 2023. [naam 10] regelde het indirecte contact tussen [medeverdachte 1] en [naam 8] .
Deelnemingsvorm
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld bij welke brandstichtingen de verdachte als medepleger, medeplichtige of uitlokker gezien moeten worden.
De rol van [verdachte] ontwikkelde zich gedurende de betreffende periode, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank ook gevolgen heeft voor de juridische kwalificatie van zijn betrokkenheid.
De rechtbank zal allereerst [verdachte] vrijspreken van de brandstichting van 29 december 2022 (feit 1), voor zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. Voor een bewezenverklaring van medeplegen of medeplichtigheid is immers ‘dubbel opzet’ vereist. Dit impliceert dat het opzet niet alleen gericht moet zijn op de onderlinge samenwerking of het verlenen van hulp, maar ook op het gronddelict zelf: de brandstichting. Nu op basis van het procesdossier en de verklaring van [verdachte] zelf niet kan worden vastgesteld dat hij bij deze eerste brandstichting wist wat het daadwerkelijke doel van de voorverkenning was, ontbreekt het opzet - al dan niet in voorwaardelijke zin - op het delict brandstichting. De enkele omstandigheid dat [verdachte] wel wist dat er ‘iets strafbaars’ zou plaatsvinden, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot een veroordeling voor betrokkenheid bij brandstichting te komen.
Ten aanzien van de poging tot brandstichting van 15 januari 2023 (feit 2) heeft [verdachte] , in opdracht van [medeverdachte 1] , wederom een voorverkenning uitgevoerd. Ditmaal wist hij dat het de bedoeling was om brand te stichten bij de woning en koppelde hij terug of er geen verdachte situaties waren en of er auto’s op de oprit stonden. [verdachte] had alleen contact met [medeverdachte 1] .
Op grond van het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat bij dit feit de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de medeverdachte(n) niet is komen vast te staan. Er is geen sprake van een gezamenlijke uitvoering en de enkele voorverkenning als bijdrage van [verdachte] is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht. Daarom zal [verdachte] worden vrijgesproken van het onder 2 primair tenlastegelegde medeplegen.
De rechtbank is echter wel van oordeel dat [verdachte] met de voorverkenning behulpzaam is geweest bij en inlichtingen heeft verschaft voor de daaropvolgende brandstichting. De rechtbank is ook van oordeel dat zijn opzet daarop gericht was. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder 2 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid.
Ten aanzien van de brandstichting op 21 januari 2023 (feit 3) heeft [verdachte] wederom een voorverkenning verricht. [medeverdachte 1] bepaalde echter de planning en regelde de uitvoerder. [verdachte] had alleen contact met [medeverdachte 1] en zei tegen hem: “Jij bent de baas.” Direct na de brandstichting heeft [verdachte] een bericht naar [medeverdachte 1] gestuurd met de tekst: “100%”, hetgeen duidt op zijn aanwezigheid in de omgeving van de brandstichting.
De rechtbank is op basis hiervan weliswaar van oordeel dat de bijdrage van [verdachte] aan het geheel groter is geworden ten opzichte van de brandstichting op 15 januari 2023, maar dat dat nog niet voldoende is om te spreken van een dusdanig gewicht dat sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking bij de brandstichting. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde medeplegen. De rechtbank is echter wel van oordeel dat [verdachte] wederom met de voorverkenning en het bericht aan [medeverdachte 1] na de brandstichting behulpzaam is geweest bij en inlichtingen heeft verschaft voor de brandstichting. De rechtbank is ook van oordeel dat zijn opzet daarop gericht was. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van de onder 3 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid.
Ten aanzien van de brandstichting op 29 maart 2023 (feit 5) heeft [verdachte] , zoals eerder al benoemd, intensief overleg gevoerd met [medeverdachte 1] . Er werd overlegd over de planning van de voorverkenningen en de daadwerkelijke uitvoering. [verdachte] gaf aan dat [medeverdachte 3] niet ingezet kon worden en dat [naam 16] de andere uitvoerder, [naam 8] , moest appen. Ook gaf hij instructies aan [medeverdachte 1] over hoe het voorbij de woning rijden moest gebeuren en [medeverdachte 1] koppelde aan hem terug hoe het was gegaan. Vervolgens vond [verdachte] dat er iemand ter controle met uitvoerder [naam 8] mee moest ten tijde van de brandstichting en vroeg hij achteraf aan [medeverdachte 1] of de jongen 500 euro zou krijgen.
De rechtbank is van oordeel - gelet op het intensieve contact tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] , waarbij ook [verdachte] beslissingen nam en opdrachten uitdeelde en de rol van [verdachte] in de voorbereiding en de afhandeling - dat er bij deze brandstichting wel sprake is geweest van een zodanige materiële en/of intellectuele bijdrage die van voldoende gewicht is om te spreken van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [medeverdachte 1] en [naam 8] . Daarmee acht de rechtbank het onder 5 primair tenlastegelegde medeplegen bewezen.