De rechtbank Limburg heeft op 4 februari 2026 uitspraak gedaan in twee strafzaken tegen de verdachte, geboren in 1987 en gedetineerd in een penitentiaire inrichting. De eerste zaak betrof diefstal met geweld op 12 september 2025, waarbij de verdachte een tas, paspoort, sleutels en contant geld van het slachtoffer heeft weggenomen en het slachtoffer in hulpeloze toestand achterliet. De tweede zaak betrof diefstal op 8 augustus 2025 in een woning waar de verdachte zich tegen de wil van de bewoner bevond.
De verdachte heeft beide feiten ter terechtzitting bekend. De rechtbank achtte de tenlasteleggingen wettig en overtuigend bewezen op basis van de bekennende verklaringen, aangifteprocessen-verbaal en getuigenverhoren. De verdediging voerde onder meer aan dat het slachtoffer snel hulp zou krijgen vanwege thuiszorg, maar dit weerhield de rechtbank niet van een bewezenverklaring.
De rechtbank nam bij de strafoplegging de ernst van de feiten, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, het recidivegevaar en het strafblad van de verdachte mee. De verdachte had de tweede diefstal gepleegd tijdens schorsing van voorlopige hechtenis voor de eerste. De rechtbank wees een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van twaalf maanden toe, met aftrek van voorarrest. Een zorgmachtiging werd niet ambtshalve afgegeven, maar de rechtbank achtte een klinische behandeling binnen een gedwongen kader wenselijk aan het einde van de detentie.