AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Veroordeling poging zware mishandeling en vernieling met taakstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf
Op 14 december 2023 stak verdachte met een mes in het hoofd van de benadeelde partij, waarbij deze een forse wond opliep. De rechtbank achtte bewezen dat verdachte poging tot zware mishandeling pleegde, maar sprak hem vrij van poging tot doodslag wegens onvoldoende bewijs van opzet.
Daarnaast werd verdachte veroordeeld voor het opzettelijk beschadigen van de auto van een andere benadeelde partij op 26 september 2025. Het beroep op noodweer werd verworpen omdat de verdediging niet proportioneel en subsidiar was; verdachte had vluchtmogelijkheden.
De rechtbank legde een taakstraf van 180 uur op, subsidiair 90 dagen hechtenis, en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaar. Tevens werd schadevergoeding toegekend aan beide benadeelden, waarbij eigen schuld van de eerste benadeelde werd meegewogen.
Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 180 uur taakstraf, subsidiair 90 dagen hechtenis, en 5 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens poging zware mishandeling en vernieling; beroep op noodweer verworpen.
Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Strafrecht
Parketnummers : 03.333301.23, 03.253631.25 (ttz.gev.) en 03.004486.25 (tul)
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 28 januari 2026
in de strafzaak tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboortestad] op [geboortedag] 1990,
wonende te [woonplaats] .
De verdachte wordt bijgestaan door mr. B.J.J. Schins, advocaat te Heerlen.
1.Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 14 januari 2026. De verdachte en zijn raadsman zijn verschenen. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.
In de zaak met parketnummer 03.333301.23 is de [benadeelde partij] niet verschenen. Namens de benadeelde partij is op de zitting gehoord mr. H.E.P. van Geelkerken, advocaat te Brunssum.
In de zaak met parketnummer 03.253631.25 heeft [naam 1] zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces. De benadeelde partij is op de zitting gehoord.
De rechtbank heeft de vorderingen tot schadevergoeding behandeld.
2.De tenlastelegging
De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.
De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, - na wijziging van de tenlastelegging tijdens het onderzoek ter terechtzitting - op neer dat de verdachte:
parketnummer 03.333301.23:
heeft geprobeerd om [benadeelde partij] te doden door met een mes in de richting van zijn hoofd te steken en/of te snijden althans zwaaiende bewegingen te maken (primair), dan wel heeft geprobeerd aan [benadeelde partij] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen (subsidiair) dan wel [benadeelde partij] heeft mishandeld (meer subsidiair).
parketnummer 03.253631.25:
feit 1:de auto van [naam 1] heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt
feit 2:tijdschriften en/of een politiecel van de Nationale Politie heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.
3.De beoordeling van het bewijs
3.1
Het standpunt van de officier van justitie
Zaak 03.333301.23
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de poging tot doodslag op [benadeelde partij] (primair ten laste gelegde). Volgens de officier van justitie kan worden vastgesteld dat tussen [benadeelde partij] en verdachte een incident heeft plaatsgevonden waarbij de verdachte met een mes een zwaaiende, stekende of snijdende beweging heeft gemaakt waarbij [benadeelde partij] is geraakt aan de zijkant van zijn hoofd en een snee heeft opgelopen. In de visie van de officier van justitie betreft een dergelijke handeling een poging tot doodslag, nu de aanmerkelijke kans bestaat dat door het maken van een onbeheerste beweging met een mes tijdens een gevecht vitale delen van het hoofd of de hals kunnen worden geraakt.
Zaak 03.253631.25:
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de beschadiging van de auto van [naam 1] (feit 1) en het onbruikbaar maken van de politiecel en vernieling van de tijdschriften (feit 2).
3.2
Het standpunt van de verdediging
Zaak 03.333301.23:
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van het primair en subsidiair ten laste gelegde wegens het ontbreken van bewijs dat verdachte met een mes in het hoofd van [benadeelde partij] heeft gestoken. Subsidiair heeft verdachte ook geen (voorwaardelijk) opzet gehad op het steken in (de richting van) het hoofd, nu het een afwerende beweging betrof. Meer subsidiair heeft de raadsman betoogd dat voor de ten laste gelegde mishandeling de wederrechtelijkheid van de handeling ontbreekt, nu in de visie van de verdediging sprake is van noodweer.
Zaak 03.253631.25:
De raadsman heeft vrijspraak bepleit van beide vernielingen, nu in beide gevallen het bewijsminimum niet wordt gehaald.
Ten aanzien van feit 1 hebben de getuigen alleen een klap gehoord, maar hebben zij de vernieling niet zelf waargenomen of kunnen waarnemen. Evenmin is deze te zien op de camerabeelden, waardoor steunbewijs voor de aangifte ontbreekt.
Ook met betrekking tot feit 2 bevat het dossier alleen de aangifte van de politie en geen steunbewijs.
[benadeelde partij] [2] heeft aangifte gedaan en heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Op 14 december 2023 iets voor 21:00 uur, bevond ik mij op de [straatnaam 1] te Kerkrade ter hoogte van [huisnummer] , op de galerij. Ik was daar met een vriend van mij, genaamd [naam 2] . Wij waren bezig met het afschieten van een zogeheten carbid-melkbus. Op een gegeven moment zag ik [verdachte] ( de rechtbank begrijpt: de verdachte) plotseling aankomen. Hij woont op [huisnummer] van de [straatnaam 1] . Vervolgens stak [verdachte] mij met een mes in mijn hoofd. Hij stak mij gelijk, met zijn rechterhand. Ik had dat mes niet eens gezien. Toen hij aan het steken was, hoorde ik [naam 2] zeggen: “Hij heeft een mes!”, maar toen was het al te laat. Hij stak één keer aan de linkerkant van mijn hoofd.
Het dossier bevat foto’s [3] van het letsel van aangever waarop een wond van ongeveer 6 centimeter aan de linker zijkant boven het oor van aangever zichtbaar is.
[getuige 1] [4] die aanwezig was bij de confrontatie tussen aangever en verdachte heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Omstreeks 20.55 uur, vrijwel meteen na de knal, zag ik een hond op ons afrennen. Ik zag dat in een van de deuren van de flat een man stond die ik herkende als de buurman van [benadeelde partij] . Op een gegeven moment liep de buurman terug naar zijn woning en verdween even naar binnen. Toen de buurman wederom naar buiten kwam, zag ik dat hij op [benadeelde partij] en mij af kwam lopen. Tevens zag ik een zilveren voorwerp in zijn rechterhand. Ik zag dat het zilveren voorwerp een steekwapen betrof. Op dat moment waarschuwde ik [benadeelde partij] dat de buurman een mes vasthield. Ik denk echter niet dat hij dit heeft meegekregen, omdat hij bezig was om de hond op afstand te houden. Ik liep achter [benadeelde partij] aan en zag dat hij neus aan neus ging staan met de buurman. Ik zag toen dat het steekwapen een smeermes betrof. Voor ik het wist, hoorde ik [benadeelde partij] roepen dat hij was gestoken en ik zag dat hij hevig begon te bloeden.
Bij de doorzoeking [5] van de woning van verdachte is een mes in beslaggenomen.
Bij het forensisch onderzoek [6] is op de punt van het mes een bloedspoor aangetroffen en bemonsterd.
Uit DNA-onderzoek [7] blijkt dat in dit bloedspoor het DNA-profiel van een man is aangetroffen. De mogelijke donor van het celmateriaal is [benadeelde partij] . De frequentie van het DNA-profiel is kleiner dan één op één miljard.
Overwegingen
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor weergegeven bewijsmiddelen vast dat op
14 december 2023 een confrontatie is ontstaan tussen aangever [benadeelde partij] en verdachte. Tijdens die confrontatie heeft verdachte op enig moment een mes in zijn handen gepakt en heeft aangever een wond aan de linkerkant van zijn hoofd opgelopen.
Hoewel verdachte heeft verklaard dat hij niet heeft gemerkt dat hij aangever heeft geraakt met het mes, leidt de rechtbank uit het aantreffen van bloedsporen van aangever op de punt van het mes en de foto’s van het letsel af dat verdachte aangever aan de linkerkant van zijn hoofd heeft geraakt met het mes dat in zijn wasbak is aangetroffen.
De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden, is op welke wijze het letsel is veroorzaakt. Hoewel het dossier camerabeelden bevat van de confrontatie tussen aangever en verdachte, heeft het moment waarop aangever deze verwonding moet hebben opgelopen zich buiten het bereik van deze camera afgespeeld. De rechtbank moet zich derhalve voor de beantwoording van deze vraag baseren op de verklaringen van de verdachte, de aangever en de verklaring van [getuige 1] . De rechtbank zal behoedzaamheid betrachten bij het gebruik van deze verklaringen, aangezien deze op punten niet overeenstemmen met hetgeen op de camerabeelden is waargenomen. Echter, nu aangever verklaart over een stekende beweging en [getuige 1] hem op dat moment hoorde roepen dat hij was gestoken en zag dat hij daarna hevig begon te bloeden, hetgeen naar oordeel van de rechtbank ook past bij de wond van aangever, acht de rechtbank – anders dan de raadsman – bewezen dat verdachte aangever met een mes in zijn hoofd heeft gestoken.
Opzet
De rechtbank ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of het opzet van de verdachte – al dan niet in voorwaardelijke vorm – was gericht op het doden van aangever (het primair tenlastegelegde) dan wel op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (het subsidiair tenlastegelegde) of hem te mishandelen (het meer subsidiair tenlastegelegde).
Voor een bewezenverklaring van vol opzet gericht op het overlijden van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan aangever bevat het dossier geen aanknopingspunt. De rechtbank dient dus te beoordelen of er sprake is geweest van voorwaardelijk opzet aan de kant van verdachte. Daarvoor dient te worden vastgesteld dat verdachte met zijn handelen bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de dood van aangever als gevolg van zijn handelen zal intreden dan wel dat hij als gevolg daarvan zwaar lichamelijk letsel zou bekomen.
Vrijspraak poging tot doodslag
Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat het primair tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen kan worden, nu niet is vast komen te staan op welke wijze het steken precies heeft plaatsgevonden en evenmin met welke kracht dat is gebeurd en bovendien niet is gebleken dat de wond van het slachtoffer van een zodanige aard was en op een zodanige plaats is toegebracht dat hierdoor de dood zou kunnen intreden.
Bewezenverklaring poging tot zware mishandeling
De rechtbank acht wel bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om aangever zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.
De rechtbank heeft op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat verdachte met een mes in het hoofd van aangever heeft gestoken met een forse verwonding aan de zijkant van het hoofd van aangever tot gevolg. Het is een feit van algemene bekendheid dat het hoofd een zeer kwetsbaar deel van het menselijk lichaam is en dat het steken met een mes in het hoofd, ook met een geringe kracht, tot ernstig letsel kan leiden. Door het steken met een mes in het hoofd van aangever was er derhalve een aanmerkelijke kans dat hij hierdoor zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Bovendien is deze handeling naar uiterlijke verschijningsvorm zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat verdachte daarmee de aanmerkelijke kans op dit gevolg bewust heeft aanvaard.
De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde daarom wettig en overtuigend bewezen.
De rechtbank is van oordeel dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder feit 2 ten laste gelegde. De rechtbank overweegt daartoe als volgt:
Het dossier bevat met betrekking tot de vernieling alleen de aangifte van verbalisant
[naam 3] namens de Nationale Politie. Hoewel ingevolge het tweede lid van artikel 344 vanPro het Wetboek van Strafvordering (Sv) het bewijs dat verdachte een tenlastegelegd feit heeft gepleegd kan worden aangenomen enkel op basis van een op ambtseed opgemaakte proces-verbaal van een verbalisant, is dat in dit geval anders. De betreffende aangifte kan niet worden aangemerkt als een dergelijk proces-verbaal, nu hierin niet de eigen bevindingen van de betreffende verbalisant ter zake de betrokkenheid van verdachte zijn opgenomen. Er wordt slechts gerelateerd wat hij van een collega hieromtrent heeft gehoord. Nu de aangifte geen steun vindt in andere bewijsmiddelen, is niet voldaan aan het wettelijk bewijsminimum van het tweede lid van artikel 342 SvPro.
Bewijsmiddelen voor het onder 1 ten laste gelegde
[naam 1] heeft aangifte [9] gedaan van vernieling van haar auto. Zij heeft – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Op 26 september 2025 omstreeks 20.55 à 21.00 uur reed ik de [straatnaam 1] te Kerkrade in. Ik had het raam aan de bestuurderszijde geopend. Ik zag na enkele meters een manspersoon naar mijn auto lopen. Ik zag dat de man aan de bestuurderszijde kwam staan. Ik zag dat de man zijn linkerzijde richting de bestuurderskant draaide. Ik zag dat de man zijn linkerbeen omhoog tilde en een trappende beweging maakte tegen het portier aan de bestuurderskant. Ik hoorde een harde knal tegen mijn portier. Ik zag dat de man hierna weg liep in de richting van [straatnaam 2] .
[naam 4] [10] was getuige van deze confrontatie en heeft – zakelijk weergegeven – verklaard:
Ik ben op 26 september 2025 met mijn zoon naar de [straatnaam 1] in Kerkrade gegaan. Ik zag toen een man op een scooter aan komen rijden. Hij stapte af en
kwam in mijn richting lopen. Op een bepaald moment komt mijn ex de straat in gereden en ik zag toen dat hij meteen in de richting van de auto van haar liep en bleef schreeuwen. Ik hoorde toen een harde klap.
De politie die ter plaatse komt heeft – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd: [11]
Op de [straatnaam 1] in Kerkrade werden wij aangesproken door een vrouw in een auto met Nederlands kenteken [nummer] . Deze vrouw betrof: [naam 1] . Niet veel later zagen wij een man aan komen lopen vanuit [straatnaam 2] . Wij hoorden
dat de vrouw zei dat dit de man was die tegen haar auto trapte en haar had bedreigd.
Ik, verbalisant [naam 5] , liep richting deze man. Ik vroeg de man wie hij was. Ik
hoorde dat de man mij de volgende naam gaf: [verdachte] .
Het dossier bevat een beschrijving van de camerabeelden van de [straatnaam 1] te Kerkrade, inhoudende: [12]
De camerabeelden starten op 26 september 2025 om 20:59:33. Bij 00:09 seconden rijdt een donkerkleurige personenauto, komende vanuit de richting [straatnaam 3] in beeld en stopt op de rijbaan van de [straatnaam 1] . Vanuit de richting [straatnaam 2] komt een persoon aanlopen. Deze man loopt naar de bestuurderszijde van de genoemde auto, waarbij hij onverstaanbare dingen roept en opzichtig met zijn armen zwaait c.q. wijst. De man blijft in beweging bij de auto. Alles lijkt op een gesprek dan wel discussie tussen die man en de bestuurder van de personenauto. Bij 00:23 is een harde klap hoorbaar, welke direct wordt gevolgd door een schreeuw.
Tevens bevat het dossier foto’s [13] van de schade aan de auto van [naam 1] . Hierop is op bestuurdersportier een kras en een deuk zichtbaar.
Overwegingen
Op basis van bovenstaande bewijsmiddelen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 26 september 2025 de auto van [naam 1] heeft beschadigd door een trap tegen het bestuurdersportier te geven. De rechtbank acht ziet – anders dan de raadsman – in de verklaring van [getuige 3] alsmede de camerabeelden en de foto’s van de schade aan het bestuurdersportier voldoende steunbewijs voor de aangifte van [naam 1] .
Het voorwaardelijke verzoek van de raadsman tot het horen van [getuige 2] behoeft geen bespreking, nu de rechtbank deze verklaring niet gebruikt voor het bewijs en de voorwaarde voor het verzoek derhalve niet is in getreden.
3.4
De bewezenverklaring
De rechtbank acht bewezen dat de verdachte
parketnummer 03.333301.23
subsidiair
op 14 december 2023 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voornoemd opzet met een mes in het hoofd van die [benadeelde partij] te steken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
parketnummer 03.253631.25:
feit 1:
op 26 september 2025 in de gemeente Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 1] , toebehoorde heeft beschadigd.
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. De verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het bewezenverklaarde levert de volgende strafbare feiten op:
zaak 03.333301.23 subsidiair:poging tot zware mishandeling
zaak 03.253631.25 feit 1:opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen.
Noodweer
Door de raadsman is aangevoerd dat verdachte in de zaak met parketnummer 03.333301.23 moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging omdat hij handelde uit zelfverdediging tegen een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat aangever tijdens de confrontatie dreigend tegen verdachte schreeuwde en hem heeft gevolgd naar zijn woning, waarbij aangever herhaaldelijk met de hamer naar verdachte zwaaide. Op enig moment heeft aangever ook de hond van verdachte met de hamer geslagen. Vervolgens zwaaide aangever met de hamer in zijn hand richting verdachte, terwijl hij ook nog een schoppende beweging maakte. Pas op dat moment heeft verdachte zich verdedigd door de volgende klap met de hamer niet af te wachten. Hij had een mes in zijn hand en weerde zich eenmaal af. Verdachte had niet de mogelijkheid om te vluchten. Op het moment dat aangever zijn aanval stopt, eindigt de verdediging van verdachte. De raadsman is dan ook van mening dat de verdediging van verdachte voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit en verzoekt verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging, omdat hij handelde uit noodweer.
De officier van justitie heeft gesteld dat er geen sprake was van een noodweersituatie en zodoende ook geen sprake van een noodzakelijke verdediging. Verdachte is teruggegaan zijn woning en heeft een mes gepakt. Vervolgens heeft hij zelf weer de confrontatie met aangever opgezocht.
De rechtbank overweegt als volgt.
Voor een geslaagd beroep op noodweer is in eerste instantie vereist dat sprake is van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van iemands eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed. Van een ogenblikkelijke aanranding kan ook sprake zijn bij een onmiddellijk dreigend gevaar voor aanranding. Vervolgens dient de verdediging tegen deze (onmiddellijk dreigende) aanranding noodzakelijk en geboden zijn door de omstandigheden. Bij de beoordeling van een noodweerverweer dient de rechtbank allereerst te onderzoeken of de feitelijke grondslag van dat beroep, gelet op wat daarover door of namens de verdachte is aangevoerd en in het licht van het verhandelde ter terechtzitting, voldoende aannemelijk is geworden.
De rechtbank is bij deze beoordeling uitgegaan van het volgende feitencomplex.
Hoewel op grond van het dossier niet in detail vastgesteld kan worden hoe de confrontatie tussen verdachte en aangever precies heeft plaatsgevonden op 14 december 2023, is op basis van de camerabeelden wel vast te stellen dat verdachte op enig moment zijn woning ingaat en wanneer hij weer naar buiten komt, een mes in zijn hand heeft en tweemaal met het mes in zijn hand in de richting van aangever loopt. Vervolgens loopt verdachte achteruit weer richting zijn voordeur, terwijl hij wordt gevolgd door aangever die met een hamer in zijn hand meerdere slaande bewegingen maakt in de richting van verdachte. Daarbij maakt aangever ook een slaande beweging naar de hond van verdachte die naast hem staat en raakt hij deze ook. Daarna maakt aangever een schoppende beweging richting verdachte, die nog verder achteruit loopt en buiten beeld verdwijnt. Vervolgens heeft – zoals de rechtbank eerder heeft vastgesteld – verdachte met het mes in het hoofd van aangever gestoken. Aangever heeft hierbij letsel opgelopen.
Hoewel verdachte twee keer in de richting van aangever is gelopen en op dat moment zelf de confrontatie is aangegaan, zoals de officier van justitie naar voren heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat deze situatie een andere wending krijgt op het moment dat verdachte weer achteruit naar zijn voordeur loopt, waarbij op dat moment het handelen van aangever kan worden aangemerkt als een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangever.
Op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is echter niet aannemelijk geworden dat dat de situatie zodanig is geweest dat de gedragingen van de verdachte geboden waren ter noodzakelijke verdediging. De rechtbank acht onvoldoende aannemelijk dat verdachte onder de gegeven omstandigheden geen reële en redelijke mogelijkheid had om zich aan de situatie te onttrekken, bijvoorbeeld door te vluchten, dan wel dat hij zich niet op een minder ingrijpende manier had kunnen verdedigen.
Nu naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk is geworden dat is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, kan het beroep op noodweer niet slagen.
Er is ook geen andere omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.
5.De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is strafbaar, omdat geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6.De straf
6.1
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht, gevorderd aan de verdachte op te leggen een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis met aftrek van de inverzekeringstelling, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 maanden met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals geformuleerd door de reclassering.
6.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft in het kader van de strafoplegging bepleit te volstaan met een korte voorwaardelijke taakstraf met bijzondere voorwaarden of een schuldigverklaring zonder strafoplegging. Daartoe heeft hij verwezen naar de overschrijding van de redelijke termijn alsmede de positieve inhoud van het reclasseringsadvies .
6.3
Het oordeel van de rechtbank
Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.
Ernst van de feiten
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling door één keer met een mes in het hoofd van het slachtoffer te steken. Daarbij heeft het slachtoffer een flinke wond aan de zijkant van zijn hoofd opgelopen. Verdachte heeft daarmee een ernstige inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van aangever. Door de handelingen van verdachte had aangever zwaar lichamelijk letsel op kunnen lopen. Naast de lichamelijke en psychische gevolgen die de aangever heeft ondervonden, zorgen feiten als dit voor gevoelens van angst en onveiligheid.
Aan de andere kant heeft de rechtbank oog voor de context waarin dit feit zich heeft afgespeeld. De confrontatie is ontstaan, omdat aangever op een avond besloot op straat carbid te gaan afschieten, hetgeen op zichzelf al niet is toegestaan. Op het moment dat hij daarop werd aangesproken door verdachte was zijn reactie dat deze zich niet moest aanstellen en heeft hij zich bedreigend gedragen, waardoor de situatie uiteindelijk is geëscaleerd. Hoewel aangever niet had kunnen verwachten dat verdachte een mes zou pakken, heeft hij wel een aanzienlijk aandeel gehad in het ontstaan en laten escaleren van de confrontatie. De rechtbank weegt dit in strafverminderende zin mee.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan vernieling van een auto. Uit het dossier blijkt dat er eerder die dag een incident zou zijn geweest tussen de honden van aangeefster en verdachte, waarna verdachte zich bij de woning van aangeefster meldt om verhaal te halen. Wanneer aangeefster later die avond in haar auto zit, spreekt hij haar nogmaals aan en geeft hij uiteindelijk een trap tegen het bestuurdersportier van de auto, waardoor deze wordt beschadigd. De verdachte heeft hiermee aangetoond geen enkel respect te hebben voor de eigendommen van anderen.
Beide confrontaties met buurtgenoten van verdachte hebben in de avond op straat plaatsgevonden. Feiten als deze zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid, niet alleen bij aangevers, maar ook bij de buurtbewoners en in de maatschappij in het algemeen.
De persoon van verdachte
Bij haar beslissing heeft de rechtbank ook rekening gehouden met het strafblad van verdachte van 5 december 2025. Hieruit volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Bovendien is het onder 03.253631.25 bewezenverklaarde feit gepleegd gedurende een lopende proeftijd in verband met de voorwaardelijke veroordeling voor een soortgelijk feit. Kennelijk heeft dit verdachte er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Ook heeft de rechtbank kennisgenomen van het reclasseringsadvies, opgesteld op
31 december 2025. De reclassering rapporteert dat de in het verleden gediagnostiseerde psychische problemen nog steeds op de voorgrond lijken te staan en dit in combinatie met het middelengebruik, het geïsoleerde bestaan en het beperkte zelfinzicht er aan heeft bijgedragen dat verdachte de laatste jaren steeds in conflict komt met zijn woonomgeving. De reclassering schat het recidiverisico in als hoog en acht begeleiding noodzakelijk. Binnen deze begeleiding wil de reclassering verdachte leiden naar een ambulante forensische behandelsetting (met de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname), inzetten op middelencontrole en het verkrijgen van dagbesteding alsmede - indien geïndiceerd - de mogelijkheid hebben om ambulante forensische begeleiding in te zetten.
Redelijke termijn
De rechtbank is van oordeel dat door het tijdverloop in deze zaak, van de aanhouding van de verdachte op 14 december 2023 tot en met de uiteindelijke berechting van de verdachte, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 vanPro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is overschreden. Gelet op de uitspraakdatum van 28 januari 2026 komt de rechtbank op een overschrijding van de redelijke termijn van ruim één maand. Gezien deze geringe overschrijding volstaat de rechtbank met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden.
Oplegging van straf
Alles overwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde strafsoorten en -modaliteiten, te weten een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf, passend zijn en een bijdrage kunnen leveren aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.
De rechtbank zal voor wat betreft de duur van de taakstraf aansluiten bij de eis van de officier. Nu de rechtbank tot een andere bewezenverklaring komt dan aan de eis van de officier van justitie ten grondslag ligt, zal zij een kortere duur van de voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen dan gevorderd. De rechtbank zal daarom aan verdachte opleggen een taakstraf voor de duur van 180 uur, subsidiair 90 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering heeft doorgebracht (te weten: 2 dagen), alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 5 maanden met een proeftijd van 3 jaar en de bijzondere voorwaarden zoals door de reclassering geformuleerd, met uitzondering van de mogelijkheid tot een kortdurende klinische opname. De rechtbank ziet hiervoor op basis van het reclasseringsadvies geen aanleiding.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
7.1
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij]
De benadeelde partij [benadeelde partij] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 6.000 euro aan immateriële schade ter zake van het in de zaak 03.333301.23 ten laste gelegde feit.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Daarnaast verzoekt de benadeelde vergoeding van de proceskosten ten bedrage van 672 euro.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij in de vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, nu er sprake van eigen schuld van benadeelde en onderzoek naar de mate waarin deze van invloed is op de toewijzing van immateriële schadevergoeding een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij in de vordering tot immateriële schadevergoeding. In de eerste plaats wijst de verdediging daartoe op de bepleite vrijspraak dan het wel ontslag van alle rechtsvervolging. Ten tweede omdat de behandeling van deze vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert, nu sprake is van eigen schuld van de benadeelde en verdachte zelf ook schade heeft geleden die hij niet in reconventie in deze zaak naar burgerlijk recht kan vorderen. Ook is de vordering niet door de benadeelde partij ondertekend, hetgeen volgens vast jurisprudentie wel is vereist. Ook ontbreekt een toelichting van de benadeelde bij het schadeverzoek, zodat de advocaat niet rechtsgeldig gemachtigd was en doet zich evenmin de situatie voor dat benadeelde uitdrukkelijk de wens heeft geuit schadevergoeding te willen en nadien de gemachtigde geen contact meer heeft gehad met zijn cliënt, zodat hij daarom zelf heeft getekend.
Subsidiair stelt de raadsman zich op het standpunt dat de schade in het geheel niet is onderbouwd. Er is geen onderbouwing van de stelling dat benadeelde hulp heeft gezocht voor zijn psychische klachten en de aangehaalde jurisprudentie is niet vergelijkbaar. Ook hierbij dient de eigen schuld van benadeelde te worden meegenomen.
Uiterst subsidiair acht de raadsman een bedrag van 250 euro redelijk en voor toewijzing vatbaar.
Ten aanzien van de kosten voor de rechtsbijstand heeft de raadasman bepleit dat deze dienen te worden afgewezen, nu benadeelde recht had op een toevoeging waarbij de gemeente binnen de bijzondere bijstand de eigen bijdrage vergoedt. In het kader van de schadebeperkingsplicht had de benadeelde hiervan gebruik moeten maken.
Het oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid
De rechtbank constateert dat het voegingformulier ten name van [benadeelde partij] niet is ondertekend door [benadeelde partij] zelf en dat hij evenmin heeft getekend voor het verlenen van een machtiging aan mr. M.E.P. van Geelkerken. De ingediende vordering is wel getekend door mr. Van Geelkerken, advocaat van [benadeelde partij] , die zich bij brief van 24 januari 2024 heeft gesteld als advocaat van [benadeelde partij] . In deze brief heeft mr. Van Geelkerken uitdrukkelijk aangegeven dat [benadeelde partij] hem heeft medegedeeld dat [benadeelde partij] zich via hem als benadeelde partij wenst te stellen. Voorts heeft mr. Van Geelkerken ter zitting van 14 januari 2026 medegedeeld dat hij beschikt over communicatie per e-mail van 10 december 2025 waarin hij de vordering zoals ingediend naar [benadeelde partij] heeft gestuurd en [benadeelde partij] hem vervolgens uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven om de vordering namens hem in te dienen.
De rechtbank leidt daaruit af, dat de mr. Van Geelkerken zich als advocaat gemachtigd heeft geacht om de vordering namens [benadeelde partij] in te dienen. De rechtbank is gelet op voorgaande feiten en omstandigheden van oordeel, dat de vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij] op juiste wijze is ingediend en dat [benadeelde partij] – anders dan de raadsman heeft bepleit – in zijn vordering kan worden ontvangen.
Immateriële schade
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b vanPro het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) onder meer mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen. In dit geval staat vast dat de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen als gevolg van het door de verdachte gepleegde strafbare feit, te weten een wond aan de zijkant van zijn hoofd, welke is gehecht en waaraan hij een litteken heeft overgehouden.
De rechtbank zal de omvang van de immateriële schade op een lager bedrag vaststellen, omdat het gevorderde bedrag niet in overeenstemming is met wat wordt toegekend in soortgelijke zaken. Voor het vaststellen van het smartengeld zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de Rotterdamse schaal, een ordening van smartengeldbedragen bij letsel en andere persoonsaantastingen.
Anders dan de raadsman van de benadeelde is de rechtbank van oordeel dat categorie 9.2 onder d (“minder ernstig littekenweefsel in het gezicht”) in dit geval niet van toepassing is, nu er geen sprake is van een ontsierend litteken in het gezicht, maar een litteken aan de zijkant van het hoofd, onder het haar, met geringe cosmetische gevolgen. De immateriële schade in verband met dit litteken wordt naar oordeel van de rechtbank op basis van categorie 10 (“Littekens aan andere delen van het lichaam”) (c) (“minder ernstige littekenvorming”) naar billijkheid begroot op 4.000 euro.
Namens de verdachte is aangevoerd dat de benadeelde partij eigen schuld treft. Ingevolge artikel 6:101 BWPro kan de vergoedingsplicht van de verdachte worden verminderd als de schade mede een gevolg is van een omstandigheid die aan de benadeelde kan worden toegerekend (‘eigen schuld’). Ten aanzien van het beroep op eigen schuld rusten volgens de hoofdregel van bewijslastverdeling de stelplicht en bewijslast op de verdachte, die zich beroept op het rechtsgevolg van zijn stellingen, namelijk de vermindering van zijn schadevergoedingsplicht tot nihil.
De rechtbank stelt voorop dat het uitgangspunt bij eigen schuld is dat de schade wordt verdeeld over de benadeelde en de aansprakelijke in evenredigheid met de mate waarin de aan ieder toe te rekenen omstandigheden aan de schade hebben bijgedragen. Toepassing van deze primaire maatstaf van artikel 6:101 BWPro houdt een causaliteitsafweging in, die in een geval als dit erop neerkomt dat moet worden beoordeeld in welke mate enerzijds het gedrag van de verdachte en anderzijds het gedrag van de benadeelde aan het ontstaan van de schade heeft bijgedragen. Bij deze beoordeling komt het (nog) niet aan op de mate van verwijtbaarheid van een en ander. Een beoordeling van de mate van verwijtbaarheid kan pas aan de orde komen bij de toepassing van de ook in artikel 6:101 lid 1 BWPro vervatte billijkheidscorrectie.
De rechtbank is met de verdediging van oordeel dat op verdachte een verminderde schadevergoedingsplicht rust, omdat de schade mede het gevolg is van een omstandigheid die aan benadeelde kan worden toegerekend. De rechtbank heeft hiervoor, bij het bepalen van de op te leggen straf, reeds overwogen dat de benadeelde een aanzienlijk aandeel heeft gehad in de gebeurtenissen die tot het steekincident hebben geleid. Zijn gedragingen houden zo nauw verband met de bewezenverklaarde poging tot zware mishandeling en de daardoor ontstane schade dat deze naar het oordeel van de rechtbank voor 50% aan de benadeelde te wijten valt. De rechtbank ziet geen aanleiding om in het kader van een billijkheidscorrectie tot een andere verdeling te komen. Dit oordeel leidt aldus tot een schadevergoedingsplicht van 50%.
De rechtbank zal daarom de vordering tot een bedrag van (50 % 4.000 euro =) 2.000 euro toewijzen, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente vanaf 14 december 2023 tot de dag van volledige betaling.
De rechtbank wijst het meergevorderde af.
De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Kosten rechtsbijstand
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. In dit geval moeten beide partijen elk hun eigen kosten betalen, omdat zowel de verdachte als de benadeelde partij op punten ongelijk heeft gekregen. De gevraagde vergoeding voor de proceskosten wordt derhalve afgewezen.
7.2
De vordering van de benadeelde partij [naam 1]
De benadeelde partij [naam 1] vordert schadevergoeding tot een bedrag van 1.034,55 euro ter zake van feit 1 in de zaak 03.253631.25. Deze vordering betreft materiële schade bestaande uit reparatiekosten van de auto.
De benadeelde heeft verzocht om vermeerdering van het toe te wijzen bedrag met de wettelijke rente en om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij, gelet op de bepleite vrijspraak, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vordering.
Subsidiair heeft de raadsman bepleit dat de schade niet is veroorzaakt door het beweerdelijk handelen van verdachte. Op de foto’s in het dossier is enkel een kras te zien, terwijl bij het trappen tegen een deur naar verwachting een deuk zou ontstaan. Tevens wordt de hoogte van de vordering betwist, nu niet duidelijk is wat de dagwaarde van de auto is en de bijbehorende waardevermindering door een kras. Bovendien is er slechts een offerte overgelegd en geen factuur, welke bovendien reparaties betreft voor schade die niet in rechtstreeks verband staat met het verweten feit.
Meer subsidiair acht de verdediging een bedrag van maximaal 250 euro redelijk en voor toewijzing vatbaar.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is, mede gelet op artikel 6:96 BWPro, voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het in de zaak 03.253631.25 onder 1 bewezenverklaarde feit (artikel 350 vanPro het Wetboek van Strafrecht) rechtstreeks schade heeft geleden tot het bedrag zoals gevorderd. Daarbij overweegt de rechtbank dat zij onder 3 . 3 .2 reeds heeft vastgesteld dat verdachte tegen de auto van benadeelde heeft getrapt. Op de foto’s in het dossier (pagina 51-53) gemaakt bij daglicht is er – anders dan de raadsman heeft aangevoerd – naast een kras ook een deuk in het bestuurdersportier waar te nemen.
Nu de vordering de rechtbank ook niet onredelijk of ongegrond voorkomt en deze – in weerwil van de betwisting van de raadsman – naar oordeel van de rechtbank voldoende is onderbouwd, acht de rechtbank de vordering toewijsbaar voor het gevorderde bedrag van 1.034,55 euro, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot de dag van algehele voldoening.
De rechtbank ziet verder aanleiding om de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen.
Verdachte wordt tevens veroordeeld in de proceskosten die door of namens de benadeelde partij zijn gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog zijn te maken.
8.Het beslag
Teruggave
De rechtbank zal de teruggave gelasten van de in de zaak 03.333301.23 in beslag genomen een hamer (G1663330) aan de beslagene, nu geen strafvorderlijk belang als bedoeld in artikel 94 vanPro het Wetboek van Strafvordering zich daartegen nog verzet.
Verbeurdverklaring
De rechtbank zal het in de zaak 03.333301.23 in beslag genomen een mes (G1663313) verbeurdverklaren, nu met behulp van dit voorwerp het subsidiair bewezenverklaarde feit is begaan.
9.De vordering tot tenuitvoerlegging
Ter terechtzitting is gelijktijdig behandeld de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen hechtenis, aan de verdachte opgelegd bij onherroepelijk vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 5 maart 2025, gewezen onder parketnummer 03.004486.25. De vordering voldoet aan de bij de wet gestelde eisen.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft ter terechtzitting gepersisteerd bij de vordering.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft bepleit de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen, nu de onderhavige zaken andersoortige feiten betreffen dan waarvoor de voorwaardelijke straf is opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
Nu gebleken is dat de verdachte zich in de zaak 03.253631.25 voor het einde van de proeftijd aan strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, is de rechtbank van oordeel dat in de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf op zijn plaats is. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht geen aanleiding tot afwijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging, eens temeer nu deze voorwaardelijke straf mede ter zake van vernieling is opgelegd. De rechtbank zal derhalve de tenuitvoerlegging gelasten van de voorwaardelijk opgelegde taakstraf van 30 uren, subsidiair 15 dagen vervangende hechtenis.
10.De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 36f, 45, 57, 63, 302 en 350 Wetboek van Strafrecht.
11.De beslissing
De rechtbank:
Vrijspraak
- spreekt de verdachte vrij van de in de zaak 03.333301.23 primair en in de zaak 03.253631.25 onder 2ten laste gelegde feiten;
Bewezenverklaring
verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3 .4 is omschreven;
spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
verklaart dat het bewezenverklaarde het de strafbare feiten oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
verklaart de verdachte strafbaar;
Straf
veroordeelt de verdachte voor het
beveelt dat indien de veroordeelde de taakstraf niet of niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, bij de uitvoering van deze taakstraf in mindering zal worden gebracht, naar rato van twee uren per dag;
veroordeelt de verdachte voor het
bepaalt dat de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van
stelt de volgende bijzondere voorwaarden, waaraan de veroordeelde gedurende de proeftijd heeft te voldoen:
verdachte meldt zich binnen drie dagen na het onherroepelijk worden van het vonnis bij de SVG reclassering Limburg (Mondriaan) op het telefoonnummer 088-5068888. Verdachte blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt. Betrokkene houdt zich aan de regels en de aanwijzingen die de reclassering hem geeft;
verdachte laat zich behandelen door een ambulante forensische zorgaanbieder (zoals Stevig, Mondriaan Forensische Zorg of een soortgelijke instelling), te bepalen door de reclassering. Verdachte houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt;
verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van dagbesteding met een vaste structuur;
verdachte verleent zijn medewerking aan middelencontrole om eventueel middelen-gebruik te beheersen en bespreekbaar te maken. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak verdachte wordt gecontroleerd;
verdachte werkt mee aan de ambulante forensische begeleiding van een instelling zoals Levanto, Kracht in Zorg of een soortgelijke instelling;
geeft aan de reclassering de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;
voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:
ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 vanPro de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;
medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen;
Benadeelde partijen en schadevergoedingsmaatregelen
Ten aanzien van 03.333301-23 subsidiair:
wijst de vordering van de benadeelde partij
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [benadeelde partij] , van een bedrag van
wijst de vordering voor het overige af;
bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [benadeelde partij] , van een bedrag van 2.000 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 december 2023 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Ten aanzien van 03-253631-25 feit 1:
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij
veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij, [naam 1] , van een bedrag van
veroordeelt verdachte tevens in de proceskosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de proceskosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken;
legt aan de verdachte op de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van [naam 1] , van een bedrag van 1.034,55 euro, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 september 2025 tot aan de dag der algehele voldoening;
bepaalt dat indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt gijzeling kan worden toegepast voor de duur van
bepaalt dat verdachte van zijn schadevergoedingsplicht jegens de benadeelde is bevrijd voorzover hij heeft voldaan aan een van de hem opgelegde verplichtingen tot vergoeding van deze schade;
Beslag
- verklaart verbeurd het volgende in beslag genomen voorwerp:
- een mes (G1663313);
- gelast de teruggave van het volgende in beslag genomen voorwerp aan verdachte:
- een hamer (G1663330);
Beslissing na voorwaardelijke veroordeling:
- gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voor zover voorwaardelijk opgelegd bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg van 5 maart 2025, gewezen onder parketnummer 03-004486-25, te weten: een taakstraf voor de duur van 30 uren subsidiair 15 dagen hechtenis.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.E.M. Hendriks, voorzitter, mr. C.J.M. Brands en
mr. S.L.M. van Venrooij, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.M.E. de Beukelaer, griffier, en uitgesproken ter openbare zitting van 28 januari 2026.
BIJLAGE I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging tenlastelegging – ten laste gelegd dat
parketnummer 03.333301.23
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [benadeelde partij] opzettelijk van het leven te beroven,
met een mes in (de richting van) het hoofd van die [benadeelde partij] heeft gestoken en/of gesneden althans zwaaiende bewegingen heeft gemaakt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou
kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Kerkrade ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [benadeelde partij] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met voornoemd opzet met een mes in (de richting van) het hoofd van die [benadeelde partij] te steken en/of te snijden althans zwaaiende bewegingen heeft gemaakt
en/of te snijden, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of
zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 14 december 2023 te Kerkrade [benadeelde partij] heeft mishandeld door met een mes in het hoofd van die [benadeelde partij] te steken;
parketnummer 03.253631.25:
1.
hij, op of omstreeks 26 september 2025 in de gemeente Kerkrade opzettelijk en wederrechtelijk een auto, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan [naam 1] , toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
2.
hij, op of omstreeks 26 september 2025 in de gemeente Heerlen opzettelijk en wederrechtelijk tijdschriften en/of een politiecel, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan een ander, te weten aan de Nationale Politie, toebehoorde heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;
Voetnoten
1.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg, proces-verbaalnummer R023129/ ARAGORN, gesloten d.d. 7 februari 2024, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 276.
2.Proces-verbaal van aangifte van [benadeelde partij] d.d. 15 december 2023, pagina 81-83.
3.Pagina 71-74.
4.Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 15 december 2023, pagina 87-88.
5.Proces-verbaal van doorzoeking d.d. 15 december 2023, pagina 90-91.
6.Proces-verbaal van forensisch onderzoek plaats delict ( [straatnaam 1] [huisnummer] Kerkrade) d.d. 19 januari 2024, pagina 98-102.
7.Rapport forensisch DNA-onderzoek van het TMFI d.d. 22 december 2023 2023, pagina 240-241.
8.Waar hierna wordt verwezen naar paginanummers, wordt - tenzij anders vermeld - gedoeld op paginanummers uit het proces-verbaal van politie Eenheid Limburg proces-verbaalnummer PL2300-2025164036, gesloten d.d. 28 september 2025, doorgenummerd van pagina 1 tot en met pagina 61.
9.Proces-verbaal van aangifte van [naam 1] d.d. 26 september 2025, pagina 6-9.
10.Proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 27 september 2025, pagina 10-11.
11.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2025, pagina 17-18.
12.Proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2025, pagina 20-21.