Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.Inleiding
2.De procedure
- de conclusie van antwoord
Rechtbank Limburg
Partijen hadden een affectieve relatie en woonden samen. Tijdens hun relatie heeft eiser twee bedragen overgemaakt aan gedaagde: €7.400 en €38.000. Over de lening van €38.000 is geen geschil; partijen zijn het eens dat dit bedrag terugbetaald moet worden. Over de €7.400 bestaat discussie; eiser stelt dat dit een lening of onverschuldigde betaling betreft, terwijl gedaagde betwist dat het een lening is en stelt dat het bedrag een compensatie is voor haar betaling van de gezamenlijke woonlasten.
De rechtbank oordeelt dat de omschrijvingen op bankafschriften niet aantonen dat de €7.400 een lening betreft en dat gedaagde gemotiveerd heeft betwist dat sprake is van een lening. Eiser heeft onvoldoende gemotiveerd gereageerd op het betoog van gedaagde over de verdeling van de kosten. Ook is onvoldoende onderbouwd dat het bedrag onverschuldigd is betaald. De vordering tot terugbetaling van €7.400 wordt daarom afgewezen.
Voor de lening van €38.000 geldt dat partijen een mondelinge geldleningsovereenkomst hebben gesloten zonder afspraken over aflossing. Eiser heeft gedaagde in verzuim gesteld door een brief waarin hij tot opeising overging. Gedaagde is sindsdien in verzuim en moet het openstaande bedrag van €37.300 terugbetalen met wettelijke rente vanaf 28 februari 2024.
De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten wordt afgewezen omdat eiser niet aan de wettelijke aanmaningsvereiste heeft voldaan. De proceskosten worden gecompenseerd, ieder draagt eigen kosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: Gedaagde moet €37.300 terugbetalen met wettelijke rente, vordering van €7.400 wordt afgewezen.