Verzoekster was sinds mei 2023 in dienst bij de Staat met een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die op 1 april 2025 eindigde. De Staat stuurde op 27 februari 2025 een brief waarin werd meegedeeld dat de arbeidsovereenkomst niet zou worden voortgezet. Deze brief moest uiterlijk een maand voor het einde van het contract zijn ontvangen om aan de aanzegverplichting te voldoen.
De brief werd per gewone en aangetekende post verzonden, maar bereikte verzoekster niet tijdig. Door sluiting van de afhaallocatie vanwege carnaval kon de brief pas op 11 maart 2025 worden afgehaald, ruim na de uiterste datum van 28 februari 2025. De rechtbank oordeelt dat dit niet aan verzoekster kan worden toegerekend en dat de Staat daarom een aanzegvergoeding verschuldigd is.
De vergoeding wordt berekend naar rato van vijf dagen loon, € 649,05 bruto, plus wettelijke rente vanaf 1 mei 2025. Daarnaast worden de proceskosten van € 1.039,00 en rente daarop aan de Staat opgelegd. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en is op 21 augustus 2025 uitgesproken.