ECLI:NL:RBLIM:2025:8516

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
25 juni 2025
Publicatiedatum
29 augustus 2025
Zaaknummer
C/03/340153 / HA ZA 25-119
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:302 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid rechtbank bij verklaring voor recht inzake nalatenschap

In deze civiele procedure heeft de gedaagde verzocht om de rechtbank, kamer voor andere zaken dan kantonzaken, zich onbevoegd te verklaren en de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken. Dit omdat de legitieme portie waarop eiseres aanspraak maakt, volgens gedaagde niet meer bedraagt dan € 25.000 en de verklaring voor recht ex artikel 3:302 BW Pro ook bij de kantonrechter kan worden gevorderd.

Eiseres sluit zich aan bij het verzoek van gedaagde, verwijzend naar de hoogte van de geldvordering. De rechtbank oordeelt echter dat de vordering onder 1 een verklaring voor recht betreft die van onbepaalde waarde is en niet in geld is uit te drukken. Hierdoor is de rechtbank, kamer voor andere zaken dan kantonzaken, bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen.

Omdat geen van de partijen in het ongelijk is gesteld in dit incident, worden de proceskosten gecompenseerd zodat iedere partij haar eigen kosten draagt. De rechtbank wijst het gevorderde in het incident af, bepaalt een nieuwe rolzitting en houdt verdere beslissingen aan.

Uitkomst: De rechtbank wijst het incident tot onbevoegdverklaring af en bevestigt haar bevoegdheid.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht
Zittingsplaats Maastricht
zaaknummer / rolnummer: C/03/340153 / HA ZA 25-119
Vonnis in incident van 25 juni 2025
in de zaak van
[eiseres in hoofdzaak, verweerster in incident],
wonende te [woonplaats 1] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R.A.C. Snel,
tegen
[gedaagde in hoofdzaak, eiser in incident],
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiser in het incident,
advocaat mr. L.H. Steehouwer-Mollema.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding met akte houdende producties 1 t/m 9,
  • de conclusie van antwoord tevens houdende de incidentele vordering tot verwijzing naar de kantonrechter met producties 1 t/m 3,
  • de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
Gedaagde vordert dat de rechtbank, kamer voor andere zaken dan kantonzaken, zich onbevoegd verklaart en de zaak verwijst naar de kamer voor kantonzaken. Volgens gedaagde bedraagt de legitieme portie, waarop eiseres aanspraak maakt, niet meer dan € 25.000,00 en kan de verzochte verklaring voor recht ex artikel 3:302 BW Pro ook gevorderd worden bij de kantonrechter.
2.2.
Eiseres is het met gedaagde eens dat de zaak – gelet op de hoogte van de vordering (€ 8.138,15, te vermeerderen met de wettelijke rente, de proceskosten en de nakosten) – niet bij de juiste rechter in behandeling is en sluit zich aan bij het verzoek van gedaagde de zaak te verwijzen naar de kamer voor kantonzaken.
2.3.
De rechtbank is van oordeel dat de incidentele vordering moet worden afgewezen. Daartoe geldt dat de vordering onder 1 een verklaring voor recht behelst (te verklaren voor recht dat gedaagde de nalatenschap van [erflaatster] zuiver heeft aanvaard), welke vordering van onbepaalde waarde is en niet in geld is uit te drukken. Om die reden is de rechtbank, kamer voor andere zaken dan kantonzaken, bevoegd om van de vorderingen kennis te nemen. Dat eiseres – enkel refererend aan de hoogte van haar geldvordering (de vordering onder 2 en 3) – zich aansluit bij het standpunt van gedaagde voor wat betreft de bevoegdheid van de rechtbank, maakt het voorgaande niet anders.
2.4.
Naar het oordeel van de rechtbank kan in het incident geen van partijen als de in het ongelijk gestelde partij worden beschouwd. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst het gevorderde af,
3.2.
compenseert de kosten van het incident tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
3.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
9 juli 2025voor opgave verhinderdata door beide partijen over de maanden oktober 2025 tot en met maart 2026,
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. B.R.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 25 juni 2025. [1]

Voetnoten

1.type: RJ