ECLI:NL:RBLIM:2025:6960

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
29 juli 2025
Publicatiedatum
16 juli 2025
Zaaknummer
C/03/341469 / FT RK 25/207
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 284 FwArt. 288 lid 1 onder b FwArt. 288 lid 1 onder c FwArt. 288 lid 2 onder c Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek toepassing schuldsaneringsregeling wegens onvoldoende inspanning tot werk en aflossing

Verzoekster diende op 1 mei 2025 een verzoek in tot toepassing van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank hield op 9 juli 2025 een mondelinge behandeling waarbij verzoekster, haar beschermingsbewindvoerder en schuldhulpverlener aanwezig waren. De rechtbank toetste het verzoek aan de criteria van artikel 288 Faillissementswet Pro, die onder meer vereisen dat de schuldenaar te goeder trouw is geweest in de drie jaar voorafgaand aan het verzoek en zich zal inspannen om de arbeids- en sollicitatieplicht na te komen.

Verzoekster had eerder in 2014 en 2019 soortgelijke verzoeken ingediend die beide waren afgewezen. De rechtbank haalde uit het vonnis van 2019 aan dat verzoekster onvoldoende had aangetoond dat zij zich had ingespannen om haar schulden af te lossen, mede gelet op de aard van de schulden die voortkwamen uit hennepkwekerijen in 2008. Hoewel verzoekster verklaarde vrijwilligerswerk te doen en recent op zoek te zijn naar een betaalde baan, bleek uit het dossier dat zij sinds 2019 niet had gewerkt of gesolliciteerd, en dat er geen medisch advies was dat haar arbeidsongeschiktheid bevestigde.

De rechtbank oordeelde dat het ontbreken van een medisch advies en het gebrek aan sollicitatie-inspanningen niet verenigbaar zijn met de eisen van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank benadrukte dat het traject een zwaar saneringstraject is waarbij schuldeisers mogen verwachten dat toelatingscriteria strikt worden nageleefd. Daarom wees de rechtbank het verzoek af. De uitspraak werd gedaan door rechter P. Hoekstra op 30 juli 2025.

Uitkomst: Het verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van te goeder trouw zijn en onvoldoende inspanning tot werk en aflossing.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Zittingsplaats Maastricht
afwijzing toepassing schuldsaneringsregeling
Toezicht / insolventies
rekestnummer: C/03/341469 / FT RK 25/207
datum vonnis: 29 juli 2025
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [adres]
[woonplaats] ,
hierna: verzoekster.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
Verzoekster heeft op 1 mei 2025 een verzoekschrift ingediend tot toepassing van de schuldsaneringsregeling.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 9 juli 2025. Daarbij zijn verschenen:
- verzoekster;
- [naam beschermingsbewindvoerder] , beschermingsbewindvoerder;
- [naam schuldhulpverlener] , schuldhulpverlener.
1.3.
De uitspraak is bepaald op heden.

2.De beoordeling

2.1.
De rechtbank dient het verzoek te toetsen aan de criteria genoemd in artikel 288 Faillissementswet Pro (‘Fw’).
2.2.
Uit dat wetsartikel volgt - voor zover relevant voor deze zaak, zie verderop - dat een toelatingsverzoek sléchts wordt toegewezen indien voldoende aannemelijk is:
a. dat de schuldenaar ten aanzien van het (ontstaan of) onbetaald laten van zijn/haar schulden in de drie jaar voorafgaande aan indiening van het toelatingsverzoek te goeder trouw is geweest;
dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen - waaronder de arbeids- en sollicitatieplicht - naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.
2.3.
Verzoekster heeft tweemaal eerder een verzoek als het onderhavige bij de rechtbank gedaan, eenmaal in 2014 en eenmaal in 2019. In beide gevallen is het verzoek afgewezen. Uit het vonnis uit 2019 wordt de volgende overweging aangehaald:

2.4. Ten aanzien van het onderhavige verzoekschrift neemt de rechtbank in overweging
dat de aard en het ontstaan van de vorderingen die voortkomen uit de hennepkwekerij in
2008 niet zonder meer aan verzoekster tegengeworpen kunnen blijven worden. Door
tijdsverloop zou op enig moment het voordeel aan de zijde van verzoekster dienen te komen
liggen. Ten aanzien van die beoordeling acht de rechtbank relevant wat de gedragingen van
verzoekster zijn geweest sinds de beide hennepplantages om haar schulden af te betalen.
Verzoekster heeft ter zitting verklaard dat zij met behoud van uitkering vrijwilligerswerk
verricht en dat zij recent via ISD-BOL op zoek is naar een betaalde baan. Hoewel
verzoekster heeft verklaard dat zij problemen heeft met haar schouder, is gesteld noch
gebleken dat zij de afgelopen jaren niet in staat is geweest om betaald werk te verrichten en
daarmee haar schuldeisers tegemoet te komen. Het had op de weg van verzoekster gelegen,
mede gelet op de aard van de schulden, zich zo veel mogelijk in te zetten om deze schulden
- hoe gering ook - af te betalen. In dit licht acht de rechtbank, ingevolge het bepaalde in
artikel 288 lid 2 onder Pro c, een langere termijn dan de vijfjaarstermijn aangewezen en kan niet
worden geoordeeld dat voldoende aannemelijk is dat verzoekster ten aanzien van het
ontstaan en onbetaald laten van haar schulden te goeder trouw is geweest.
2.4.
Van verzoekster mocht na die duidelijk gemotiveerde afwijzing in 2019 worden verwacht dat ze, indien ze weer eens een toelatingsverzoek zou willen indienen, zou kunnen laten zien dat ze in de tussentijd, na 2019, inmiddels wél haar best zou hebben gedaan om betaald werk te vinden - waarmee ze dan dus meer ruimte zou hebben gehad om iets van de schulden af te betalen - en dat ze zo zou laten zien dat ze ook na toelating in de Wsnp vast wel de arbeidsverplichting die daarbij hoort, zou nakomen om zoveel mogelijk baten voor de boedel (de schuldeisers) te verwerven.
2.5.
En voor alle duidelijkheid: bij “betaald werk” gaat het dan steeds om fulltime werk. Dat is natuurlijk anders indien verzoekster niet in staat is om geheel of gedeeltelijk te werken. Maar dat moet dan wel zijn vastgesteld door een keuringsarts of zo.
2.6.
Ter zitting daarnaar gevraagd heeft verzoekster aangegeven dat zij ook na 2019 niet heeft gewerkt en niet heeft gesolliciteerd. Dat kwam volgens haar omdat haar hoofd daar wegens persoonlijke omstandigheden (overlijden vader van haar kinderen, problemen dochter, ernstige ziekte van partner) niet naar gestaan heeft. In het dossier ligt alleen een betrekkelijk oud Plan van Aanpak van ISD Bol uit 2021, waarin staat: “Wij achten u op dit moment niet in staat om deel te nemen aan een traject gericht op werk of participatie. Wel kan er begeleiding worden ingezet ter verbetering van uw persoonlijke situatie.”
2.7.
Meer is er niet in het dossier hierover. Dat verzoekster om medische redenen tot op heden niet in staat is geweest om geheel of gedeeltelijk te werken, blijkt nergens uit.
2.8.
De rechtbank kan dat niet volgen en kan het ook niet billijken. Het kan best zijn dat verzoekster veel aan haar hoofd heeft gehad na 2019, maar dat overkomt helaas meer mensen, het kan heel erg tegenzitten in het leven, maar wie - zoals verzoekster - van al zijn of haar schulden af wil komen en een schone lei voor al die oude schulden wil krijgen van de rechtbank, van zo iemand wordt wel verwacht dat hij/zij laat zien dat ze er alles aan heeft gedaan om werk te vinden, om minstens iets van haar oude schulden af te betalen. En als iemand echt niet geheel of gedeeltelijk kan werken - dat kan natuurlijk ook - dan valt dat hem of haar niet te verwijten, maar dan moet er wel een medisch advies liggen waaruit blijkt dat iemand niet geheel of gedeeltelijk kán werken. En zo’n advies ligt er niet.
2.9.
Dat blijkens het zogenoemde Plan van Aanpak d.d. 7 juli 2021 de bijstands-uitkerende instantie ISD Bol verzoekster volgens de betreffende bijstandsconsulent op dat moment niet in staat achtte om deel te nemen aan een traject gericht op werk of participatie, is daarvoor onvoldoende. De bijstandsconsulent is geen medicus.
2.10.
De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting aan de rechtbank voorgehouden dat bij afwijzing de situatie voor verzoekster uitzichtloos zal zijn. Daar kan de rechtbank best wel inkomen, maar het is belangrijk om te benadrukken dat dat dan het gevolg is van het eigen stilzitten van verzoekster, zelfs na de duidelijke afwijzing in 2019. Ze had moeten gaan solliciteren/werken of ze had een medische keuring moeten aanvragen waarbij zou worden vastgesteld dat ze niet kón werken. Juist van schuldhulpverlening mocht ook worden verwacht dat er na de afwijzing van 2019 juist voor dit punt aandacht zou zijn. Dat is niet gebeurd. Het verzoek moet weer worden afgewezen.
2.11.
Dat is een harde beslissing, dat realiseert de rechtbank zich ook wel. Het is toch ter rechtvaardiging van haar beslissing goed om er nog eens op te wijzen dat het bij de Wsnp niet in eerste instantie gaat om een hulpverleningstraject, om alleen maar de behartiging van het belang van een verzoeker die van zijn of haar schulden af wil komen, maar om een hard en zwaar saneringstraject, waarbij schuldeisers - die vaak na een Wsnp-traject maar een fractie van hun vordering nog terugkrijgen, voor het restant geeft de rechtbank aan een verzoeker dan “de schone lei” - mogen verwachten dat de rechtbank ten behoeve van hun belangen de toelatingscriteria in elk geval scherp in de gaten houdt.

3.De beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Hoekstra, rechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juli 2025 in aanwezigheid van mr. R.H. Kessels, griffier.
Tegen deze uitspraak kan degene aan wie de Faillissementswet dat recht toekent, uitsluitend via een advocaat binnen acht dagen na de dag van deze uitspraak hoger beroep instellen bij een verzoekschrift, in te dienen ter griffie van het gerechtshof dat van deze zaak kennis moet nemen.