Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:6777

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
9 juli 2025
Publicatiedatum
11 juli 2025
Zaaknummer
11353258 CV EXPL 24-5176
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:44 lid 1 BWArt. 6:119 BWArt. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurkoopovereenkomst en veroordeling tot betaling achterstallige leasetermijnen

In deze zaak tussen Hiltermann Lease B.V. en de gedaagde staat de ontbinding van een huurkoopovereenkomst centraal. De gedaagde kon de auto niet meer inleveren omdat deze total loss was verklaard na een ongeval in augustus 2023. De kantonrechter stelt vast dat de gedaagde in verzuim is geraakt door niet tijdig te betalen en dat Hiltermann de overeenkomst terecht buitengerechtelijk heeft ontbonden.

De gedaagde werd veroordeeld tot betaling van de hoofdsom van €3.767,56 plus contractuele rente van 1,5% per maand tot 22 augustus 2024, en vanaf die datum rente over het volledige bedrag. Daarnaast werden buitengerechtelijke incassokosten van €376,76 toegewezen, gebaseerd op redelijke forfaitaire tarieven. Verzoeken tot afgifte van de auto en kosten voor inname of politieaangifte werden afgewezen wegens gebrek aan belang.

De kantonrechter veroordeelde de gedaagde tevens tot betaling van proceskosten van €1.286,54 en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad. Het incidentverzoek van de gedaagde om ontslag uit de veroordeling werd afgewezen wegens gebrek aan belang. De kosten van het incident werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.

Uitkomst: De huurkoopovereenkomst is ontbonden en de gedaagde is veroordeeld tot betaling van achterstallige leasetermijnen, rente en incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11353258 CV EXPL 24-5176
Vonnis van 9 juli 2025
in de zaak van
HILTERMANN LEASE B.V.,
te Hoofddorp,
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het (nieuwe) incident,
hierna te noemen: Hiltermann,
gemachtigde: mr. J. Rietman,
tegen
[gedaagde], voorheen handelend onder de naam
[handelsnaam],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het (nieuwe) incident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. F.H.I. Hundscheid.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het incidenteel vonnis van 13 november 2024, waarin is beslist op het eerste incident
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek tevens houdend incidentele vordering ex artikel 223 Rv Pro
- de conclusie van antwoord in het (nieuwe) incident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten en het geschil

2.1.
Voor de feiten en het geschil wordt verwezen naar het incidenteel vonnis.
2.2.
In het incidenteel vonnis heeft de kantonrechter de incidentele vorderingen van Hiltermann, strekkende tot onder meer afgifte van de auto, met dwangsom, toegewezen.
in het incident
2.3.
In het (onderhavige) incident heeft [gedaagde] de kantonrechter verzocht hem te ontslaan uit de veroordeling in het (eerste) incident, met veroordeling van Hiltermann in de kosten van dit incident.
2.4.
[gedaagde] heeft thans zijn stelling, dat de auto total loss is, met stukken onderbouwd.
2.5.
Hiltermann betwist daarmee niet langer dat de auto total loss is en kan zodoende instemmen met het incidenteel verzochte. Verzocht is om compensatie van de kosten.
in de hoofzaak
2.6.
Bij dupliek is uitsluitend nog verweer gevoerd tegen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten.

3.De beoordeling

in de hoofdzaak
3.1.
Gezien de in het incident gegeven onderbouwing, staat thans (ook in de hoofdzaak) vast dat [gedaagde] de auto niet kan inleveren. De kantonrechter begrijpt uit de door [gedaagde] ingebrachte brief van het RDW van 16 augustus 2023 en de factuur van het bergingsbedrijf van 11 augustus 2023 dat het ongeval, waarbij de auto total loss is verklaard, al in augustus 2023 is geschied (en niet augustus 2024, zoals neergelegd in de schriftelijke weergave van het mondelinge antwoord). [gedaagde] heeft zich daarnaast per 22 september 2023 al uitgeschreven uit het Handelsregister van de Kamer van Koophandel. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] in 2023 - of in ieder geval na ontvangst van de brieven en emailberichten in 2024 - Hiltermann over het ongeval en/of de uitschrijving heeft geïnformeerd, terwijl dit (uiteraard) destijds wel op de weg van [gedaagde] had gelegen.
De kantonrechter zal hiermee bij de proceskostenveroordeling rekening houden.
3.2.
De vordering om voor recht te verklaren dat de huurkoopovereenkomst tussen partijen is ontbonden, is toewijsbaar. Er is immers niet betwist dat de algemene voorwaarden van toepassing zijn, dat [gedaagde] de leasetermijnen niet (tijdig) heeft betaald, dat hij in verzuim is komen te verkeren en dat Hiltermann de overeenkomst buitengerechtelijk heeft ontbonden en heeft mogen ontbinden.
3.3.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen tot het betalen van € 3.767,56 aan hoofdsom, is toewijsbaar omdat erkend althans niet betwist is dat [gedaagde] dit bedrag aan achterstallige en resterende termijnen moet betalen.
3.4.
De vordering om de hoofdsom te vermeerderen met
primairde contractuele rente van 1,5 % per maand, tot en met 22 augustus 2024 door Hiltermann berekend op een bedrag van € 188,51, is niet betwist en daarmee eveneens toewijsbaar. De toe te wijzen som bedraagt tot zover € 3.956,07.
3.5.
De kantonrechter begrijpt dat vanaf 23 augustus 2024 de contractuele rente is gevorderd over een bedrag van € 4.000,00. De kantonrechter kan dit bedrag, zonder toelichting die niet is gegeven, niet plaatsen. Zo is contractuele rente over verschenen contractuele rente alleen verschuldigd, indien partijen dit zijn overeengekomen. Hierover is door Hiltermann niets gesteld. De kantonrechter zal daarmee de
primairgevorderde contractuele rente vanaf 23 augustus 2024 toewijzen over de hoofdsom van € 3.767,56 (en niet: € 4.000,00). Hetgeen meer of anders is gevorderd, zal worden afgewezen.
3.6.
De situatie dat de auto wordt ingeleverd en verkocht, en daarmee nog een bedrag ex artikel 6:44 lid 1 BW Pro in mindering wordt gebracht op de openstaande vordering, zal zich niet meer voordoen. Deze vordering zal worden afgewezen bij gebrek aan belang.
3.7.
Hiltermann vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten,
primaireen bedrag van € 376,76 op grond van de algemene voorwaarden (zijnde 10% van de hoofdsom)
subsidiaireen bedrag van € 501,76 op grond van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Partijen zijn in de algemene voorwaarden een vergoeding overeengekomen die van de wettelijke regeling afwijkt. Omdat [gedaagde] heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf, mag van de wettelijke regeling worden afgeweken. Daarom zal de vordering worden getoetst aan de oriëntatiepunten in het Rapport BGK-integraal, maar met toepassing van de wettelijke tarieven die geacht worden redelijk te zijn. Het door Hiltermann
primairgevorderde bedrag ad € 376,76 gaat het door kantonrechters landelijk gehanteerde forfaitaire tarief, dat redelijk wordt geacht, in dít geval - bij een redelijk beperkte hoofdsom - (nog) niet te boven (en anders zou het
subsidiairgevorderde, maar juist hogere, bedrag toewijsbaar zijn). [gedaagde] stelt dat er slechts twee standaardbrieven zijn verstuurd, maar dit maakt het vorenstaande niet anders. Daarom zal een bedrag van € 376,76 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten wordt toegewezen.
3.8.
De vordering om [gedaagde] te veroordelen tot afgifte van de auto, is niet toewijsbaar. [gedaagde] verkeert in de onmogelijkheid om de auto terug te geven. Daarnaast heeft Hiltermann aangegeven ook geen belang te hebben bij afgifte van een wrak.
De gevorderde betaling van € 1.040,60, indien en voor zover Hiltermann tot inname van de auto moet overgaan, en de gevorderde betaling van € 217,80, in het geval Hiltermann tot aangifte bij de politie moet overgaan, zijn niet toewijsbaar omdat duidelijk is dat ook die kosten niet gemaakt zullen worden. Ook deze vorderingen worden zodoende afgewezen bij gebrek aan belang.
3.9.
Hiltermann heeft nog aangegeven dat niet duidelijk is wat er is gebeurd met de verzekeringsuitkering, maar dit maakt geen onderdeel uit van deze procedure.
3.10.
[gedaagde] is als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te beschouwen (c.q. wat betreft de vorderingen die worden afgewezen is het aan het nalaten van [gedaagde] te wijten dat Hiltermann de procedure heeft aangevangen) en moet daarom de proceskosten inclusief nakosten betalen. De proceskosten van Hiltermann worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
113,54
- griffierecht
496,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.286,54
3.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3.12.
De kantonrechter zal dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
in het incident
3.13.
Met deze beslissing in de hoofdzaak, hoeft geen beslissing meer te worden genomen op het door [gedaagde] opgeworpen incident om [gedaagde] uit de veroordeling in het incident te ontslaan. De kantonrechter zal deze vordering afwijzen bij gebrek aan belang.
De kantonrechter zal wat betreft het incident de proceskosten compenseren, omdat [gedaagde] eerder verzuimd heeft ter zake deugdelijk verweer te voeren.

4.De beslissing

De kantonrechter
in de hoofzaak
4.1.
verklaart voor recht dat de huurkoopovereenkomst met betrekking tot de Mercedes-Benz Citan met kenteken [kenteken] is ontbonden,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen een bedrag van € 3.956,07, te vermeerderen met de overeengekomen rente van 1,5% per maand over een bedrag van € 3.767,56, vanaf 23 augustus 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] om aan Hiltermann te betalen een bedrag van € 376,76 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro indien betaling niet na de door de deurwaarder te vermelden termijn plaatsvindt tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.286,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.5.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.6.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af,
in het incident
4.8.
wijst de vordering af,
4.9.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.J. Otto en in het openbaar uitgesproken op 9 juli 2025.
NIv