Verzoekster heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit van de burgemeester om haar woning voor drie maanden te sluiten op grond van artikel 13b van de Opiumwet vanwege de aanwezigheid van een handelshoeveelheid softdrugs. De burgemeester heeft de sluiting opgelegd na politieonderzoek waarbij 5.628 gram hennep en verpakkingsmateriaal werden aangetroffen, evenals contant geld en luxe goederen die duiden op drugshandel.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester bevoegd was tot sluiting omdat de hoeveelheid softdrugs ruim boven de grens voor handelshoeveelheid ligt en er aanwijzingen zijn dat de woning een rol speelt in de drugshandel. De sluiting is noodzakelijk om het woon- en leefklimaat te beschermen en het drugscircuit te ontwrichten.
Verzoekster voerde aan dat zij niets wist van de drugs en dat de sluiting disproportioneel is vanwege haar gezinssituatie en de moeilijkheid om vervangende woonruimte te vinden. De voorzieningenrechter stelt echter vast dat verzoekster onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij geen alternatieve woonruimte kan vinden of dat de financiële situatie zodanig is dat zij de sluiting niet kan dragen.
Daarnaast is door betrokken instanties zorg gedragen voor opvangmogelijkheden en is het belang van het algemene woon- en leefklimaat zwaarder dan de persoonlijke belangen van verzoekster. Daarom wordt het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen en kan de burgemeester de sluiting uitvoeren zonder te wachten op de beslissing op bezwaar.