Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.[eiser in conventie, verweerder in reconventie sub 1] , en
[eiseres in conventie, verweerster in reconventie sub 2] ,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een geschil tussen broers die erfgenamen zijn van een nalatenschap met een woning die via een akte van verdeling aan één broer is toegekend met een aanbiedingsplicht aan de andere broer. In de akte is een kettingbeding opgenomen dat inhoudt dat ook derden bij verkoop aan het voorkeursrecht gebonden zijn. De eisers vorderen rectificatie van dit kettingbeding en medewerking aan inschrijving daarvan, omdat zij stellen dat dit beding ten onrechte is opgenomen en niet de bedoeling was.
De gedaagde betwist dit en stelt dat het kettingbeding juist de mogelijkheid biedt om de woning te verkrijgen vanwege de emotionele waarde. Tevens vordert hij betaling van een boetebedrag van € 50.000 wegens vermeende niet-nakoming van de aanbiedingsplicht. De voorzieningenrechter beoordeelt het spoedeisend belang van beide partijen en concludeert dat dit ontbreekt, mede omdat de woning reeds aan derden is verkocht en het depotbedrag van € 50.000 niet direct noodzakelijk is.
De voorzieningenrechter wijst daarom zowel de vorderingen in conventie als in reconventie af en compenseert de proceskosten tussen partijen, waarbij ieder zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is gewezen door rechter V.E.J. Noelmans en op 5 juni 2025 openbaar uitgesproken.
Uitkomst: Vorderingen tot rectificatie van het kettingbeding en betaling van boete worden afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.