Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.De procedure
- de conclusie van antwoord
Rechtbank Limburg
In deze zaak vordert Martel B.V. betaling van achterstallige huur van een bedrijfsruimte, gehuurd sinds 1994 door [gedaagde], die sinds 2015 de huur vanaf zijn eigen rekening betaalde. De huurovereenkomst is geëindigd per 1 december 2024 na inlevering van de sleutels.
[gedaagde] heeft vanaf maart 2024 geen huur meer betaald, ondanks meerdere betalingsherinneringen en aanmaningen, waaronder een sommatiebrief van juni 2024. Martel vordert de huurachterstand vanaf 1 juli 2019 tot 30 november 2024, vermeerderd met wettelijke handelsrente en buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] als huurder geldt, ondanks dat de oorspronkelijke huurovereenkomst met een vennootschap was gesloten. De huurachterstand is voldoende onderbouwd en niet effectief betwist. Betalingsonmacht wordt niet aanvaard als verweer. De buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen conform het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten.
De kantonrechter veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de achterstallige huur, rente, incassokosten en proceskosten en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De huurder wordt veroordeeld tot betaling van achterstallige huur, rente, incassokosten en proceskosten.