Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] ,
CATHARINA BASTIANA [gedaagde sub 2],
1.De procedure
2.De feiten
Art. 1.
Rechtbank Limburg
De eiser verhuurde sinds 1 augustus 2023 een woning aan de gedaagde partijen voor de duur van één jaar met intentie tot verlenging voor onbepaalde tijd. De eiser stelde dat de huurovereenkomst per 1 augustus 2024 van rechtswege zou eindigen, maar de kantonrechter kwalificeerde de overeenkomst als een huurovereenkomst voor onbepaalde tijd met een minimale duur van één jaar.
De eiser heeft de huurovereenkomst opgezegd wegens dringend eigen gebruik per 1 november 2024, omdat hij geen eigen woonruimte meer heeft na het beëindigen van zijn samenwoning. De gedaagde betwistte de opzegging en stelde dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt vanwege medische beperkingen en de noodzaak van passende woonruimte.
De kantonrechter oordeelde dat de eiser aannemelijk heeft gemaakt dat hij de woning dringend nodig heeft en dat de belangenafweging in zijn voordeel uitvalt, ondanks de medische situatie van de gedaagde. Verder is vastgesteld dat de gedaagde andere passende woonruimte kan verkrijgen. De kantonrechter stelde de einddatum van de huurovereenkomst vast op 1 juli 2025 en veroordeelde de gedaagde tot ontruiming en betaling van proceskosten.
Uitkomst: De huurovereenkomst eindigt op 1 juli 2025 en de huurder wordt veroordeeld tot ontruiming en betaling van proceskosten.