De zaak betreft een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het gebruik van een bedrijfswoning naar een plattelandswoning binnen een manegebedrijf te Weert. De vergunning werd verleend ondanks strijdigheid met het bestemmingsplan, met toepassing van de Wet plattelandswoningen. Eiseressen voerden aan dat de locatie buiten de bebouwde kom ligt, de procedure onjuist is gevolgd, en dat het onderzoek naar het woon- en leefklimaat onvolledig is, met name door het ontbreken van geluidsonderzoek en onvoldoende onderbouwing van geur- en fijnstofaspecten.
De rechtbank oordeelt dat de percelen binnen de bebouwde kom liggen en dat de juiste procedure is gevolgd, waarbij verweerder bevoegd was af te wijken van het bestemmingsplan. Echter, de rechtbank stelt vast dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of het woon- en leefklimaat aanvaardbaar is, omdat het geluidsonderzoek ontbreekt en de beoordeling niet is gebaseerd op een representatieve invulling van de maximale planologische mogelijkheden van het manegebedrijf.
De rechtbank wijst erop dat bij de beoordeling van het woon- en leefklimaat ook toekomstige uitbreidingsmogelijkheden van het manegebedrijf moeten worden betrokken. Het geuronderzoek is weliswaar gebaseerd op Duitse gegevens, maar dit is niet onzorgvuldig bevonden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en beveelt verweerder nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten en griffierechten aan eiseressen toegewezen.