Uitspraak
1.De procedure
- de verzetdagvaarding met producties 1 tot en met 8
- de brief waarin een mondelinge behandeling is bepaald
Rechtbank Limburg
De zaak betreft een geschil tussen twee partijen over een overeenkomst voor boekhoudkundige werkzaamheden die per 11 januari 2023 is aangegaan voor zes maanden en stilzwijgend is verlengd. Eiseres vordert betaling wegens vermeende fouten van gedaagde bij de uitvoering van deze werkzaamheden, waaronder de aanvraag van de Kleineondernemersregeling (KOR) en het opstellen van een jaarrekening.
Bij verstekvonnis was gedaagde veroordeeld tot betaling, maar gedaagde stelde verzet in. De kantonrechter oordeelt dat het verzet tijdig en ontvankelijk is. Vervolgens wordt onderzocht of gedaagde tekortgeschoten is in haar verplichtingen. De kantonrechter constateert dat eiseres onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat gedaagde de KOR-aanvraag heeft ingediend of dat zij tekort is geschoten bij het opstellen van een jaarrekening. De communicatie in het Papiaments en het ontbreken van bewijsstukken spelen hierbij een rol.
De kantonrechter concludeert dat partijen overeenkwamen dat gedaagde een financieel overzicht zou opstellen voor een uitkeringsaanvraag, maar dat gedaagde niet tekort is geschoten in de nakoming daarvan. Hierdoor is gedaagde niet aansprakelijk voor schade en worden de vorderingen afgewezen. Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten, die deels voor rekening van gedaagde komen vanwege het verzet.
Uitkomst: Het verzet is gegrond verklaard en de vorderingen van eiseres worden afgewezen wegens onvoldoende bewijs van tekortkoming door gedaagde.