Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
1.Onderzoek van de zaak
2.De tenlastelegging
3.De beoordeling van het bewijs
"Ik zie/ontmoet die van [woonplaats] dan, hij vroeg het adres". Uit het telecomonderzoek en de tapgesprekken volgt verder dat [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de avond van 28 maart 2023 met elkaar gebeld hebben.
Hij belde, hij gaat rijden.”Vijf minuten later zei [medeverdachte 2] : “
Hij rijdt en als hij komt, rij ik mee”. Uit het onderzoek naar de telefoon van [medeverdachte 2] volgt dat hij in de tussentijd drie keer contact heeft opgenomen met [medeverdachte 1] . Kort na de brandstichting heeft de verdachte contact opgenomen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte 1] heeft tegelijkertijd, met een ander telefoonnummer, naar [medeverdachte 2] gebeld. [medeverdachte 3] heeft rond half 2 en 4 uur ‘s nachts gezocht naar 112 meldingen in Neer. De middag na de brandstichting hebben [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] nog telefonisch contact gehad, waarbij zij hebben gesproken over 500,00 euro betalen en iemand 250,00 euro geven. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij 250,00 euro heeft ontvangen in plaats van de eerder door hem genoemde 500,00 euro.
nietwettig en overtuigend bewezen kan worden. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de verdachte de brandstichting feitelijk alleen heeft uitgevoerd. Blijkens zijn verklaring heeft hij zelf de benzine gehaald, is hij alleen en in zijn eigen auto naar het adres gereden en heeft hij de brand gesticht zonder de aanwezigheid van een of meer anderen. Uit het dossier volgt op geen enkele manier dat er een of meer anderen betrokken zijn geweest bij de feitelijke uitvoering van de brandstichting. Het dossier biedt weliswaar aanwijzingen voor betrokkenheid van een of meer anderen op andere wijze, doch concrete bewijsmiddelen voor een nauwe en bewuste samenwerking en/of een gezamenlijke uitvoering van het feit ontbreken. De omstandigheid dat de verdachte door anderen op het idee is gebracht, hij hiertoe geïnstrueerd is en hiervoor na afloop geld heeft ontvangen, zijn namelijk geen handelingen die de rechtbank in verband brengt met een nauwe en bewuste samenwerking.
4.De strafbaarheid van het bewezenverklaarde
5.De strafbaarheid van de verdachte
6.De straf en/of de maatregel
cocaïne- en alcoholgebruik, beide in (gedeeltelijke) remissie. De psycholoog beschrijft dat de afwegingen van de verdachte om de brand te stichten zijn ingebed in een ernstige PTSS. De verdachte was verhoogd angstig, had herbelevingen en nachtmerries en was zowel fysiek als psychisch uitgeput door een gebrek aan slaap. Hij voelde zich in brede zin onveilig en in het verlengde hiervan voelde hij de noodzaak om geld te verkrijgen om zijn schulden af te lossen, zodat hij niet in staat kan worden geacht om zijn wil geheel in vrijheid te bepalen. De rechtbank houdt in strafmatigende zin rekening met het advies van de psycholoog om het feit in verminderende mate aan de verdachte toe te rekenen.
7.De benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel
niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard.
8.De wettelijke voorschriften
9.De beslissing
- verklaart het tenlastegelegde bewezen zoals hierboven onder 3.4 is omschreven;
- spreekt de verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
- verklaart dat het bewezenverklaarde het strafbare feit oplevert zoals hierboven onder 4 is omschreven;
- verklaart de verdachte strafbaar;
- veroordeelt de verdachte tot een
- beveelt dat de tijd die door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van deze gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- bepaalt dat het voorwaardelijke gedeelte van de straf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat de veroordeelde voor het einde van een proeftijd van 2 jaren zich aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;
- verklaart de benadeelde partijen
- bepaalt dat de vorderingen van de benadeelde partijen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht;
- veroordeelt de benadeelde partijen in de kosten van de verdachte ter verdediging tegen de vordering gemaakt, tot op heden begroot op
Voorlopige hechtenis
heft ophet (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van
heden.