Uitspraak
RECHTBANK LIMBURG
uitspraak van de meervoudige kamer van 23 april 2025 in de zaak tussen
het college van gedeputeerde staten van de provincie Limburg, verweerder
[derde partij]uit [vestigingsplaats] (vergunninghoudster)
Rechtbank Limburg
Eisers verzochten op grond van artikel 2.4, eerste lid, van de Wet natuurbescherming (Wnb) om een activiteit te verbieden voor een varkenshouderij aan een locatie in Limburg. Verweerder wees dit verzoek af met het argument dat passende maatregelen zijn genomen en het Natura 2000-gebied op circa 1,5 km afstand geen deel uitmaakt van de leefomgeving van eisers.
De rechtbank oordeelt dat de aanschrijvingsbevoegdheid van artikel 2.4 Wnb alleen ziet op feitelijke handelingen die gestaakt moeten worden, en niet op het verbieden van het gebruik van resterende stikstofrechten uit een milieuvergunning voor toekomstige ontwikkelingen. Bovendien is de varkenshouderij sinds 2019 beëindigd en is er geen natuurvergunning verleend voor de locatie.
De rechtbank stelt vast dat het beroep van eisers niet gericht is op het stoppen van feitelijke activiteiten, maar op het verhinderen van toekomstige saldering van stikstofrechten, hetgeen niet valt onder de aanschrijvingsbevoegdheid. Daarnaast is het Natura 2000-gebied te ver verwijderd om het individuele belang van eisers te beschermen volgens artikel 8:69a Awb. Daarom wordt het beroep ongegrond verklaard en blijft het bestreden besluit in stand.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit om het verbod op de varkenshouderij niet toe te passen wordt ongegrond verklaard.