Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBLIM:2025:3601

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
17 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
C/03/339901 / KG ZA 25/102
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5:1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot ontruiming van woning door eigenaar na relatiebreuk

De zaak betreft een kort geding waarin eiser, eigenaar van een woning, vordert dat gedaagde, zijn voormalige partner, de woning verlaat. Partijen woonden sinds juni 2023 samen, maar de relatie werd in november 2024 verbroken. Eiser stelde zich coulant op door tijdelijk elders te verblijven en gaf gedaagde meerdere termijnen om de woning te verlaten, die zij niet nakwam.

Gedaagde voert onder meer aan dat zij lijdt aan PTSS en hoopte op een herstel van de relatie. Zij ontkent de ontvangst van de sommatiebrief en erkent het eigendom van eiser. De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft bij de vordering omdat hij verstoken blijft van het gebruik van zijn woning.

Op grond van artikel 5:1 BW Pro heeft de eigenaar het recht zijn eigendom te gebruiken en anderen daarvan uit te sluiten. De vordering wordt toegewezen omdat gedaagde geen rechtvaardiging heeft om in de woning te blijven, geen bijdrage levert aan de lasten en een eerdere termijn om te vertrekken niet heeft nageleefd.

De dwangsom wordt gematigd tot € 100,- per dag met een maximum van € 20.000,- om naleving te bevorderen. Proceskosten worden gecompenseerd vanwege de ex-relatie. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld de woning binnen twee weken te verlaten onder oplegging van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/339901 / KG ZA 25-102
Vonnis in kort geding van 17 april 2025
in de zaak van:
[eiser],
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. R.A.C. Snel,
tegen:
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
geen advocaat.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 en 2,
- de mondelinge behandeling van 3 april 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is enig eigenaar van de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] (hierna te noemen: de woning). De woning is vrij van hypotheek.
2.2.
Partijen zijn eind juni 2023 in de woning gaan samenwonen.
2.3.
Op dit moment woont [gedaagde] in de woning en verblijft [eiser] het merendeel van de tijd bij zijn ouders.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren, dat de voorzieningenrechter [gedaagde] veroordeelt:
om de woning uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis, onder medeneming van haar kleding en lijfgoederen en onder afgifte van alle sleutels van de woning aan [eiser] , te verlaten en de woning niet verder te betreden zonder toestemming van [eiser] ;
een dwangsom te betalen van € 200,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan het gevorderde onder 1 voldoet, tot een maximum van € 25.000,- is bereikt, althans een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom in het geval dat zij niet aan het gevorderde onder 1 voldoet;
in – kort gezegd – de kosten van dit geding.
3.2.
[eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag. In november 2024 is de relatie tussen partijen verbroken. In de nasleep van de relatiebreuk heeft [eiser] zich coulant opgesteld naar [gedaagde] door tijdelijk bij zijn moeder onderdak te zoeken, zodat [gedaagde] in alle rust de woning kon verlaten. [eiser] heeft [gedaagde] in eerste instantie gevraagd om de woning uiterlijk op 31 december 2024 te verlaten. Aangezien [gedaagde] de woning niet verliet, heeft [eiser] [gedaagde] een nieuwe termijn geboden tot en met 15 januari 2025. Omdat [gedaagde] de woning ook binnen deze termijn niet had verlaten heeft [eiser] zich eind februari 2025 gewend tot zijn advocaat. De advocaat van [eiser] heeft [gedaagde] op 28 februari 2025 aangeschreven bij brief (verzonden per gewone post en per e-mail) en daarbij gesommeerd om de woning binnen acht dagen te verlaten, bij gebreke waarvan [eiser] [gedaagde] in kort geding zou dagvaarden. Ondanks dit ultimatum is [gedaagde] niet vertrokken uit de woning. [gedaagde] blijft zonder rechtvaardiging in de woning; van [eiser] kan niet langer worden gevergd dat hij dit duldt. [eiser] is van mening dat zijn vordering tot ontruiming van [gedaagde] zwaarder weegt dan haar belang om in de woning te verblijven. In de eerste plaats is de woning eigendom van [eiser] , wat hem in beginsel het exclusieve recht geeft om over te woning te beschikken. Ten tweede betaalt [gedaagde] geen enkele vergoeding voor de woning, terwijl [eiser] de (gebruikers)lasten van de woning betaalt.
3.3.
[gedaagde] voert verweer. Zij heeft onder meer aangevoerd dat zij kampt met PTSS. Pas door de dagvaarding is zij op de hoogte geraakt van het feit dat [eiser] de relatie wenst te verbreken. Het is juist dat het de laatste tijd minder goed ging tussen partijen, dat de onderlinge communicatie minder is geworden en dat [eiser] vaak niet meer aanwezig is in de woning en bij zijn ouders verblijft. [gedaagde] ging er echter van uit dat partijen nog aan de relatie zouden kunnen werken en dat afspraken gemaakt zouden worden over hoe ze het financieel zouden regelen, waaronder de verdeling van de (gezamenlijke) lasten. De brief van de advocaat van [eiser] van 28 februari 2025 heeft [gedaagde] niet ontvangen. Het staat [gedaagde] wel bij dat haar door [eiser] een termijn is gegeven tot en met 15 januari 2025 om de woning te verlaten. Zij is in februari 2025 een woning voor zichzelf gaan bezichtigen, maar de vraagprijs was te hoog. [gedaagde] begrijpt dat de woning eigendom is van [eiser] . [gedaagde] zou het moeilijk vinden indien zij de woning zou moeten verlaten. Volgens [gedaagde] zijn partijen nog niet eens helemaal verhuisd naar de woning en heeft zij nog spullen bij de ouders van [eiser] liggen, die zij graag terug wil hebben.
3.4.
Op de door partijen betrokken stellingen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Het spoedeisend belang
4.1.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Daarom moet de voorzieningenrechter eerst beoordelen of [eiser] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft.
4.2.
[eiser] heeft gesteld dat hij een spoedeisend belang heeft bij de vordering, omdat hij verstoken blijft van het gebruik van zijn eigen woning en van hem niet kan worden verlangd dat hij bij zijn moeder blijft wonen of dat hij kosten zal maken voor het bewonen van een andere woning. Deze stellingen zijn niet door [gedaagde] betwist, zodat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vordering.
De vordering
4.3.
Op grond van artikel 5:1 BW Pro heeft een eigenaar het recht om zijn eigendom te gebruiken en anderen daarvan uit te sluiten. [eiser] doet hier een beroep op en wenst dat [gedaagde] de woning verlaat, zodat [eiser] de woning alleen kan gebruiken.
4.4.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van [eiser] moet worden toegewezen, omdat hetgeen [eiser] aan de vordering ten grondslag heeft gelegd de vordering kan dragen. [eiser] is standvastig in zijn standpunt dat de relatie met [gedaagde] voorbij is en dat hij gebruik wil maken van de woning, die zijn eigendom is. Hoe wrang dit voor [gedaagde] wellicht mag zijn, omdat zij wel openstaat voor een doorstart van de relatie tussen partijen, is dat geen valide argument op grond waarvan zij – met uitsluiting van [eiser] – in de woning zou mogen blijven wonen. [gedaagde] heeft ook erkend dat de woning van [eiser] is en zij heeft aangegeven dat zij niet meer recht heeft op de woning dan [eiser] . Daarnaast is niet gebleken dat zij financieel aan de (gebruikers)lasten van de woning bijdraagt. Bovendien heeft [gedaagde] erkend dat zij een eerdere termijn van [eiser] heeft gekregen tot en met 15 januari 2025 om de woning te verlaten. Dat zij dat tot op heden nog niet heeft gedaan, ligt in haar risicosfeer en kan niet voor rekening van [eiser] komen. Gelet op het voorgaande dient [eiser] conform zijn vordering weer de beschikking te krijgen over de woning. Feiten of omstandigheden die zouden moeten leiden tot een andere (belangen)afweging zijn niet gebleken.
De dwangsom
4.5.
[eiser] is er niet gerust op dat [gedaagde] de woning vrijwillig zal verlaten. Gelet op het debat tijdens de mondelinge behandeling sluit ook de voorzieningenrechter dat niet uit, zodat een prikkel voor [gedaagde] in de vorm van de gevorderde dwangsom is aangewezen om de hierna uit te spreken veroordeling ook daadwerkelijk na te komen. De gevorderde dwangsom zal wel worden gematigd tot € 100,- per dag of dagdeel en zal worden gemaximeerd op de wijze zoals in het dictum is bepaald.
De proceskosten
4.6.
[eiser] heeft gevorderd [gedaagde] in de proceskosten te veroordelen. Dat zal de voorzieningenrechter niet doen. Gelet op de (ex-)relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om de woning, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] , uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit vonnis, onder medeneming van haar kleding en lijfgoederen en onder afgifte van alle sleutels van de woning aan [eiser] , te verlaten en de woning verder niet meer te betreden zonder toestemming van [eiser] ;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 100,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zij niet aan de hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 20.000,- is bereikt,
5.3.
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. E.C.M. Hurkens en in het openbaar uitgesproken op 17 april 2025.
JPW