Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft een verzoek om een voorlopige voorziening tegen het niet-inhoudelijk beoordelen door het college van burgemeester en wethouders van Echt-Susteren van een aanvraag voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor begeleiding en verblijf van een jeugdige bij verzoekster, een zorgaanbieder en tante van de jeugdige.
De jeugdige is sinds oktober 2022 bij verzoekster in zorg en verblijf, gefinancierd via verschillende besluiten, waarvan de laatste liep tot 31 december 2024. Op 29 november 2024 is de jeugdige door de kinderrechter onder toezicht gesteld van Bureau Jeugdzorg Limburg (BJZ), die sindsdien bevoegd is om te bepalen welke jeugdhulp wordt ingezet. Het college heeft de aanvraag van verzoekster op 3 februari 2025 niet inhoudelijk beoordeeld en gewezen op de bevoegdheid van BJZ en de juiste verwijzingsroutes.
De voorzieningenrechter oordeelt dat de brief van het college geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is, omdat het college niet langer bevoegd is besluiten te nemen over de inzet van jeugdhulp voor de jeugdige. Hierdoor is de bestuursrechter niet bevoegd om te beslissen over de voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter adviseert het college contact te zoeken met BJZ om duidelijkheid te verkrijgen en wijst erop dat de jeugdige in ieder geval recht heeft op een pgb voor maximaal 40 uur begeleiding per week tegen het geldende tarief.
De voorzieningenrechter verklaart zich daarom onbevoegd en ziet af van inhoudelijke beoordeling, waarbij geen griffierecht is verschuldigd en geen proceskostenveroordeling wordt uitgesproken.