De zaak betreft een geschil tussen een verzekerde en zijn verzekeraar Nationale-Nederlanden (NN) over vermeende verzekeringsfraude. De verzekeraar stelde dat de verzekerde op of omstreeks 7 maart 2022 heeft geprobeerd een hogere schade-uitkering te verkrijgen dan waarop hij recht had. De verzekerde ontkende dit en vorderde onder meer schadevergoeding.
De kantonrechter verwees naar een tussenvonnis waarin werd geoordeeld dat de verzekeraar voorshands haar bewijslast had voldaan. De verzekerde kreeg de gelegenheid tegenbewijs te leveren, wat hij deed door het horen van getuigen. De kantonrechter achtte de verklaringen van de verzekerde en zijn getuigen echter niet geloofwaardig en concludeerde dat de verzekerde niet slaagde in het ontzenuwen van het bewijsvermoeden.
De feiten toonden aan dat de verzekerde onjuiste verklaringen had afgelegd over de voortgang van herstelwerkzaamheden aan zijn poort, wat werd bevestigd door een onderzoek door Confid. De verzekerde had de werkzaamheden pas na het bezoek van Confid conform offerte laten uitvoeren, terwijl hij eerder had verklaard dat dit al op 7 maart 2022 was afgerond.
De kantonrechter wees alle vorderingen van de verzekerde af en veroordeelde hem tot terugbetaling van het reeds uitgekeerde bedrag, alsmede tot vergoeding van onderzoekskosten en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard.