De rechtbank Limburg behandelde op 21 maart 2025 het verzoek tot opheffing van het beschermingsbewind ten behoeve van betrokkene, een jongvolwassene die volgens verzoeker, zijn vader, steeds beter zelfstandig met zijn financiën omgaat. Betrokkene ontvangt maandgeld en boodschappengeld en bespreekt grotere uitgaven met zijn vader, die ook ondersteuning blijft bieden.
De bewindvoerder, betrokkene's moeder, is het niet eens met het verzoek en stelt dat betrokkene nog niet zelfstandig zijn financiën kan beheren vanwege afhankelijkheid van PGB-zorg en het risico op fouten. De kantonrechter stelt vast dat de ouders het niet eens zijn over het beste belang van betrokkene en is niet volledig overtuigd van volledige zelfstandigheid van betrokkene.
Echter, de kantonrechter benadrukt dat de inbreuk van het bewind op het privéleven zo beperkt mogelijk moet zijn. Daarom wordt een minder ingrijpend alternatief toegestaan: betrokkene beheert zijn financiën samen met zijn vader. Dit alternatief biedt voldoende bescherming en is minder belastend dan het huidige bewind met beide ouders als bewindvoerders.
Op grond hiervan acht de rechtbank de noodzaak voor het beschermingsbewind niet langer aanwezig en wijst het verzoek tot opheffing toe, met de verplichting tot eindverantwoording door de bewindvoerders binnen twee maanden na het einde van het bewind.