ECLI:NL:RBLIM:2025:2111

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
5 maart 2025
Publicatiedatum
7 maart 2025
Zaaknummer
11321685 \ CV EXPL 24-4878
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:96 lid 6 BWArt. 6:119 BW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding onverschuldigde medische kosten en incassokosten door verzekerde

CZ Zorgverzekeringen heeft medische kosten vergoed die betrekking hadden op een periode waarin de verzekerde niet verzekerd was. Na ontdekking hiervan vorderde CZ terugbetaling van €1.388,11 plus incassokosten en wettelijke rente. De verzekerde betwistte de vordering niet inhoudelijk en stelde alleen een betalingsregeling te willen treffen.

De kantonrechter oordeelde dat CZ onverschuldigd heeft betaald en dat de aanvullende verzekering van de verzekerde deze kosten niet dekt. De gevorderde incassokosten zijn conform het toepasselijke Besluit en de wettelijke rente wordt toegekend vanaf de dagvaarding.

De verzekerde is veroordeeld tot betaling van het totale bedrag van €1.780,47, vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten. Een betalingsregeling kan niet door de rechter worden opgelegd, maar moet in onderling overleg worden getroffen.

Uitkomst: Verzekerde wordt veroordeeld tot betaling van €1.780,47 plus wettelijke rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKLIMBURG
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: 11321685 \ CV EXPL 24-4878
Vonnis van 5 maart 2025
in de zaak van
CZ ZORGVERZEKERINGEN N.V.,
te Tilburg,
eisende partij,
hierna te noemen: CZ,
gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 17 september 2024 met producties 1 tot en met 3
- de conclusie van antwoord
- de conclusie van repliek met producties 1 tot en met 3
- de rolinstructie inhoudende dat het recht van [gedaagde] om te concluderen voor dupliek is vervallen.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
CZ heeft medische kosten van [gedaagde] vergoed die betrekking hadden op de periode 1 maart 2022 tot en met 19 december 2022. Nadien is gebleken dat [gedaagde] hiervoor in die periode niet verzekerd was.
2.2.
Bij brief van 5 december 2023 heeft CZ [gedaagde] geïnformeerd dat hij een bedrag van € 1.388,11 dient terug te betalen aan CZ. [gedaagde] is, na aanmaning, niet overgegaan tot betaling.

3.Het geschil

3.1.
CZ vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 1.780,47 (€ 1.388,11 aan hoofdsom, € 208,22 aan buitengerechtelijke incassokosten en € 184,14 aan wettelijke rente), vermeerderd met de wettelijke rente over € 1.388,11 vanaf datum dagvaarding, alsmede de proceskosten.
3.2.
[gedaagde] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
CZ legt aan haar vordering ten grondslag dat zij een bedrag van € 1.388,11 onverschuldigd betaald heeft aan [gedaagde] . CZ stelt daartoe dat [gedaagde] in de periode van 6 mei 2022 tot en met 30 november 2022 gebruik heeft gemaakt van zorg, dat CZ de kosten van deze behandelingen vergoed heeft en dat later bleek dat [gedaagde] geen basisverzekering had afgesloten bij CZ in voornoemde periode. Volgens CZ dekt de aanvullende Jongerenzorgverzekering die [gedaagde] wel had deze kosten niet.
4.2.
[gedaagde] stelt altijd netjes de verzekeringspremie betaald te hebben. Mocht [gedaagde] het gevorderde bedrag verschuldigd zijn, dan wil hij graag een betalingsregeling treffen met CZ.
4.3.
CZ heeft bij repliek uitgelegd hoe het kwam dat [gedaagde] in de bedoelde periode geen basisverzekering had. Aangezien [gedaagde] niet meer heeft gereageerd op de conclusie van repliek en hij in de conclusie van antwoord de vordering inhoudelijk niet althans onvoldoende betwist heeft, ligt de vordering voor toewijzing gereed. De kantonrechter kan geen betalingsregeling opleggen. Om een betalingsregeling te verkrijgen, moet [gedaagde] zich tot CZ wenden.
4.4.
CZ vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten ter hoogte van € 208,22. De kantonrechter stelt vast dat het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is nu het verzuim na 1 juli 2012 is ingetreden. Het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten komt overeen met het in het Besluit bepaalde tarief. CZ heeft aan [gedaagde] een aanmaning gestuurd die voldoet aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW Pro. De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden op grond van het voorgaande toegewezen.
4.5.
De wettelijke rente zal worden toegewezen zoals gevorderd.
4.6.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van CZ worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
136,72
- griffierecht
372,00
- salaris gemachtigde
408,00
(2 punten × € 204,00)
- nakosten
102,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.018,72

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan CZ te betalen een bedrag van € 1.780,47, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over een bedrag van € 1.388,11, met ingang van 17 september 2024, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.018,72, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.H.M. Kuster en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2025.
SH