Eisers zijn sinds juli 2020 eigenaar van twee percelen waarop woningen zijn gesitueerd, bereikbaar via een oprit op een van de percelen. Gedaagde is sinds juli 2016 eigenaar van twee andere percelen met daarop zijn woning, bereikbaar via een oprit op een van zijn percelen. In augustus 2020 verwijderden eisers een meidoornhaag tussen twee percelen en spraken partijen af dat een nieuwe beukenhaag op het perceel van eisers zou worden geplaatst, op 15-20 centimeter van de erfgrens, zodat gedaagde gemakkelijker in en uit zijn auto kon stappen. Eisers plaatsten een houten afrastering en een beukenhaag, terwijl gedaagde in juni 2023 een ijzeren hekwerk naast de afrastering plaatste.
Eisers vorderen dat gedaagde onrechtmatig gebruik maakt van hun perceel door het plaatsen van het hekwerk en de grensoverschrijdende afwatering van zijn tuinhuis, en eisen verwijdering en beëindiging van het gebruik. Gedaagde betwist dit en stelt dat het hekwerk op zijn eigen grond staat en dat er bindende gebruiksafspraken zijn gemaakt. Tevens betwist hij dat er sprake is van grensoverschrijdende afwatering.
Gedaagde vordert tevens dat eisers de beukenhaag verwijderen indien er geen overeenkomst bestaat en dat zij medewerking verlenen aan het aanbrengen van een dakgoot aan zijn tuinhuis. Eisers betwisten dit en voeren onder meer plaatselijke gewoonte en kwade trouw aan.
De rechtbank constateert dat partijen van mening verschillen over de exacte ligging van de erfgrens en acht een deskundigenbericht van het Kadaster noodzakelijk om de erfgrens vast te stellen. De zaak wordt verwezen naar de rol voor akten van partijen over het deskundigenonderzoek, en verdere beslissing wordt aangehouden.