Uitspraak
RECHTBANK Limburg
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2025 met de door beide partijen overgelegde spreekaantekeningen.
2.De feiten
3.Het geschil
4.De beoordeling
“ [eiser] is evenals [naam broer] en [naam zus] medebestuurder en medecertificaathouder van [gedaagde] . Conform 2:15 lid 4 BW verzoekt [gedaagde] dan de voorzieningenrechter van de rechtbank Limburg iemand aan te wijzen die ter zake van dit geding in de plaats van het bestuur treedt.”. Tijdens de mondelinge behandeling heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld dat, nu de Stak zulks heeft nagelaten, [naam broer] en [naam zus] niet-ontvankelijk zijn, althans dat deze procedure moet worden aangehouden om hen tijd te geven een verzoekschrift bij de voorzieningenrechter in te dienen om een bijzondere vertegenwoordiger te laten benoemen. De Stak heeft betoogd dat artikel 2:15 lid 4 BW Pro toepassing mist.
[naam broer] en [naam zus]niet-ontvankelijk zouden zijn en waarom dit van belang zou kunnen voor deze procedure die tegen
de Stakwordt gevoerd, zodat de rechtbank daar ook aan voorbij gaat.
€ 178,00(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)