ECLI:NL:RBLIM:2025:13237

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
19 februari 2026
Zaaknummer
C/03/340576 / HA ZA 25-141
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:248 BWArt. 2:8 BWArt. 6:162 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuurdersaansprakelijkheid wegens onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige daad in faillissement

De curator van het faillissement van Gebouwenservice Limburg B.V. vordert aansprakelijkheid van de bestuurder, die tevens aandeelhouder is van meerdere vennootschappen, wegens onbehoorlijke taakvervulling en onrechtmatige daad. De bestuurder had de jaarrekeningen over 2021 en 2022 niet tijdig gepubliceerd en die over 2023 helemaal niet, wat volgens artikel 2:248 BW Pro leidt tot een vermoeden van onbehoorlijke taakvervulling die een belangrijke oorzaak is van het faillissement.

De bestuurder heeft dit vermoeden niet kunnen weerleggen, mede doordat hij niet is verschenen bij de zitting. De rechtbank oordeelt dat hij aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement en veroordeelt hem tot betaling van een voorschot van € 100.000,00. Daarnaast is vastgesteld dat materiële vaste activa ter waarde van € 8.743,27 zijn verdwenen, waarvoor de bestuurder eveneens aansprakelijk wordt gehouden.

Verder worden rekening-courantvorderingen op de bestuurder en de andere vennootschappen toegewezen, waarbij tegen twee vennootschappen verstek is verleend. De rechtbank veroordeelt de gedaagden hoofdelijk tot betaling van de proceskosten en wettelijke rente, en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De bestuurder wordt aansprakelijk gesteld voor het faillissementstekort en veroordeeld tot betaling van voorschot, materiële activa, rekening-courantvorderingen en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/340576 / HA ZA 25-141
Vonnis bij vervroeging van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
in hoedanigheid van curator in het faillissement van
de besloten vennootschap Gebouwenservice Limburg B.V.,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de curator,
advocaat: mr. A.L. Stegeman,
tegen

1.[gedaagde sub 1] ,

te [woonplaats] ,
advocaat: mr. R.R.J.W. Delsing,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1]

2.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid[gedaagde sub 2] ,

te [vestigingsplaats] ,
niet verschenen,

3.de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheidLIBES B.V.,

te Heerlen,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen [gedaagden]

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6
- het tegen [gedaagde sub 2] en Libes B.V. verleende verstek
- de conclusie van antwoord
- de brief van de rechtbank van 20 augustus 2025 waarbij een mondelinge behandeling is bepaald
- de akte met producties 7 tot en met 12 van de curator ontvangen op 15 september 2025
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 10 december 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Bij vonnis van deze rechtbank van 12 november 2024 is de besloten vennootschap Gebouwenservice Limburg B.V. naar aanleiding van het eigen aangifte daartoe van
27 september 2024 in staat van faillissement verklaard. [eiser] is daarbij benoemd tot curator.
2.2.
[gedaagde sub 1] was op het moment van het uitspreken van het faillissement de enig aandeelhouder en bestuurder van Gebouwenservice Limburg B.V. Daarnaast is hij ook aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 2] en Libes B.V.
2.3.
In de bij de aangifte tot faillietverklaring door [gedaagde sub 1] overgelegde uitdraai van de balans/winst- en verliesrekening van 26 september 2024 is onder meer opgenomen dat er per die datum materiële vaste activa ter waarde van € 8.743,27 aanwezig waren. Tevens is daarin vermeld dat er rekening-courant vorderingen open stonden op respectievelijk [gedaagde sub 1] voor € 82.371,14, op [gedaagde sub 2] voor € 1.172,95 en op Libes B.V. voor € 19.453,63.
2.4.
Bij brief van 31 december 2024 is [gedaagde sub 1] door de curator
aansprakelijk gesteld voor het laten verdwijnen van de materiële vaste activa en is hij gesommeerd de rekening-courantverhoudingen aan te zuiveren. Tevens is [gedaagde sub 1] aansprakelijk gesteld voor het tekort in het faillissement vanwege schending van de publicatieplicht. De curator heeft [gedaagde sub 1] in de gelegenheid gesteld op uiterlijk 6 januari 2025 een voorstel te doen hoe deze zaak te regelen. Omdat vervolgens door [gedaagde sub 1] geen betalingsvoorstel werd gedaan, is hij bij brief van 23 januari 2025 gesommeerd om uiterlijk 3 februari 2025 een bedrag van € 111.881,58 op de boedelrekening te voldoen. [gedaagde sub 1] heeft niet gereageerd en heeft ook niets betaald.

3.Het geschil

3.1.
De curator vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, voor recht verklaart dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement, hem te veroordelen tot een bedrag gelijk aan het tekort zodra dat is vastgesteld en tot betaling van een voorschot daarop van € 100.000,00, alsmede tot betaling van € 8.743,27 en € 82.511,74. Tevens vordert de curator [gedaagde sub 2] te veroordelen tot betaling van € 1.172,95 en Libes B.V. tot betaling van € 19.453,63.
3.2.
[gedaagde sub 1] voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van de curator berusten op drie grondslagen.
De vordering op [gedaagde sub 1] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ingevolge artikel 2:248 BW Pro
4.2.
De curator heeft gesteld dat de jaarcijfers van Gebouwenservice Limburg B.V. over 2021 en 2022 niet tijdig zijn gepubliceerd en dat die over 2023 niet zijn gepubliceerd. Dit leidt op grond van artikel 2:248 BW Pro tot de onweerlegbare conclusie dat [gedaagde sub 1] als de bestuurder zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld. Tevens moet op grond van die bepaling worden aangenomen dat deze kennelijk onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak van het faillissement is geweest. [gedaagde sub 1] is hierop gewezen en in de gelegenheid gesteld om een nadere toelichting te geven. Deze is uitgebleven. Daarmee is het vermoeden niet weerlegd en is [gedaagde sub 1] aansprakelijk voor het tekort in het faillissement, aldus de curator. De omvang van het tekort staat nog niet vast en daarom vordert de curator dat [gedaagde sub 1] wordt veroordeeld in het bedrag van het uiteindelijke tekort in het faillissement zodra dat vaststaat. Vooruitlopend daarop vordert hij, gelet op het feit dat de omvang van het tekort per 1 januari 2025 € 111.613,93 bedroeg, [gedaagde sub 1] te veroordelen tot betaling van een voorschot van € 100.000,00.
4.3.
[gedaagde sub 1] heeft zich bij conclusie van antwoord op het standpunt gesteld dat de jaarcijfers weliswaar te laat zijn gepubliceerd, maar dat de overgelegde jaarstukken wel juist zijn. De curator beschikt over de gehele administratie. Het tekort kan aan de hand daarvan exact worden vastgesteld. Volgens [gedaagde sub 1] kan het tekort volledig worden verklaard door rechtmatige verliezen van de vennootschap die tot het onderhavige faillissement hebben geleid. Er is door de curator niet vastgesteld dat enige onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. Simpele marktomstandigheden en pure pech hebben geleid tot het faillissement, aldus [gedaagde sub 1] .
4.4.
Uit artikel 2:248 lid 2 jo Pro lid 1 BW volgt dat indien het bestuur van een vennootschap niet heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot het publiceren van de jaarrekening binnen de daartoe wettelijk voorgeschreven termijn, het bestuur zijn taak onbehoorlijk heeft vervuld en dat dan wordt vermoed dat onbehoorlijke taakvervulling een belangrijke oorzaak is van het faillissement. In dat geval is de bestuurder jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden voor zover deze niet door vereffening van de overige baten kunnen worden voldaan.
4.5.
Onbetwist is dat de jaarcijfers over 2021 en 2022 niet tijdig zijn gepubliceerd en dat die over 2023 niet zijn gepubliceerd. Het is aan [gedaagde sub 1] als bestuurder van Gebouwenservice Limburg B.V. om het in rov. 4.4 genoemde wettelijk vermoeden te ontkrachten. De rechtbank stelt vast dat hetgeen [gedaagde sub 1] in dat kader bij conclusie van antwoord heeft aangevoerd, te algemeen is en niet nader is onderbouwd. Bij de behandeling ter zitting zijn [gedaagde sub 1] en zijn raadsman niet verschenen, zodat een nadere toelichting waarmee het vermoeden alsnog zou kunnen worden weerlegd, is uitgebleven. De rechtbank stelt vast dat daarmee dient te worden aangenomen dat onbehoorlijke taakvervulling van [gedaagde sub 1] een belangrijke oorzaak is van het faillissement.
4.6.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt de rechtbank tot het oordeel dat de gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement, kan worden toegewezen. [gedaagde sub 1] zal worden veroordeeld tot het betalen aan de curator van een geldbedrag gelijk aan dat tekort, zodra dat tekort is vastgesteld.
4.7.
De curator heeft bij de behandeling ter zitting de hoogte van het tekort van de boedel exclusief kosten nog nader toegelicht. Op dit moment bedraagt het tekort ongeveer (exclusief kosten) € 140.000,00, waarvan ongeveer € 25.000,00 aan preferente vorderingen van de belastingdienst en € 115.000,- aan concurrente schuldeisers. Nu de aansprakelijkheid van [gedaagde sub 1] is vastgesteld en het voorlopig vastgestelde bedrag aan schulden hoger is dan het gevorderde voorschot, zal het gevorderde voorschot van € 100.000,00 worden toegewezen.
De vordering op [gedaagde sub 1] uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid ingevolge artikel 2:8 BW Pro en artikel 6:162 BW Pro
4.8.
De curator stelt dat uit de eigen cijfers van de vennootschap volgt dat er op 26 september 2024, dus ongeveer 6 weken vóór het faillissement, sprake was van materiële vaste activa ter waarde van € 8.743,27. [gedaagde sub 1] heeft jegens hem niet kunnen of willen verklaren om welke activa het hier gaat, noch wat daarmee is gebeurd; hij heeft wel verklaard dat die activa er per datum faillissement niet (meer) zijn. De curator is van mening dat [gedaagde sub 1] aldus opzettelijk informatie achterhoudt over die activa, welke activa het betreft en waar die zijn gebleven en zich van de domme houdt met het doel om deze activa, althans de waarde daarvan, aan de boedel te onttrekken. [gedaagde sub 1] heeft aldus volgens de curator op en vanaf het moment dat het faillissement voorzienbaar was gehandeld ter bedrieglijke verkorting van de schuldeisers in het faillissement.
4.9.
[gedaagde sub 1] heeft bij conclusie van antwoord enkel aangevoerd dat de activa een bedrijfsauto betrof, die is verkocht.
4.10.
De rechtbank is van oordeel dat hetgeen bij conclusie van antwoord door [gedaagde sub 1] is aangevoerd, onvoldoende is ter weerlegging van de gestelde grondslag van de vordering. [gedaagde sub 1] heeft niet toegelicht wanneer de bedrijfsauto is verkocht, voor welk bedrag en waar de opbrengst is gebleven. Aangezien hij niet is verschenen bij de behandeling ter zitting heeft de rechtbank in dat verband ook geen nadere informatie van [gedaagde sub 1] meer gekregen. Gelet hierop komt de rechtbank tot het oordeel dat moet worden aangenomen dat een bedrag gelijk aan de balanswaarde van de materiële activa van € 8.743,27 0 door [gedaagde sub 1] aan de boedel is onttrokken. [gedaagde sub 1] zal dit bedrag dienen terug te betalen aan de boedel en zal daartoe worden veroordeeld.
Rekening-courant vorderingen op alle gedaagde partijen
4.11.
De curator heeft gesteld dat de rekening-courant vorderingen blijken uit de jaarrekening over 2022, alsmede uit de ingeboekte cijfers over 2024, waaruit de exacte omvang van die vorderingen per 26 september 2024 blijkt. De curator vordert betaling van hetgeen [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en Libes B.V. blijkens die cijfers verschuldigd zijn aan de vennootschap.
4.12.
Bij conclusie van antwoord heeft [gedaagde sub 1] ten aanzien van het bedrag dat van hem wordt gevorderd uit hoofde van zijn persoonlijke rekening-courantschuld geconcludeerd “tot persistit”.
4.13.
De rechtbank begrijpt dat [gedaagde sub 1] daarmee het bestaan van deze vordering niet betwist. De juistheid van de cijfers van de jaarstukken waarop de curator zijn vordering baseert, is door [gedaagde sub 1] erkend. De vordering ten bedrage van € 82.511,74 kan gelet hierop worden toegewezen.
4.14.
Tegen [gedaagde sub 2] en Libes B.V. is verstek verleend. Uit de overgelegde jaarstukken blijkt dat er rekening-courantvorderingen zijn op beiden. De gevorderde bedragen van € 1.172,95 respectievelijk € 19.453,63 volgen uit de financiële cijfers van de onderneming van 26 september 2024. De vorderingen op deze vennootschappen tot betaling van die bedragen zullen als onbetwist worden toegewezen.
Proceskosten
4.15.
[gedaagden] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de curator worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
151,52
- griffierecht
2.392,00
- salaris advocaat
5.428,00
(2 punten × € 2.714,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
8.149,52
4.16.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
4.17.
De veroordelingen tot betaling van de proceskosten en de wettelijke rente over de proceskosten worden hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1] aansprakelijk is voor het tekort in het faillissement en veroordeelt [gedaagde sub 1] een geldbedrag gelijk aan dat tekort aan de curator te betalen, zodra dat tekort is vastgesteld,
5.2.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een voorschot aan de curator ter grootte van € 100.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.3.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een geldbedrag van € 8,743,27 aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.4.
veroordeelt [gedaagde sub 1] tot betaling van een geldbedrag van € 82.511,74 aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.5.
veroordeelt [gedaagde sub 2] tot betaling van een geldbedrag van € 1.172,95 aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.6.
veroordeelt Libes Holding B.V. tot betaling van een geldbedrag van € 19.453,63 aan de curator, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de 14e dag na betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige voldoening,
5.7.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk in de proceskosten van € 8.149,52, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [gedaagden] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.8.
veroordeelt [gedaagden] hoofdelijk tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.9.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.2 tot en met 5.8 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op
24 december 2025
EvdS