ECLI:NL:RBLIM:2025:13200

Rechtbank Limburg

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
C/03/338042 / HA ZA 25-36
Instantie
Rechtbank Limburg
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:8 BWArt. 2:15 BWArt. 2:286 lid 4 BWArt. 6:119 BWArt. 30 WOR
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering vernietiging ontslagbesluit statutair bestuurder stichting Zio

Eiseres was statutair bestuurder van stichting Zio en werd door de Raad van Toezicht (RvT) ontslagen vanwege zorgen over haar functioneren en samenwerking met diverse gremia binnen de organisatie.

De RvT had haar geschorst en na een procedure met schriftelijke zienswijzen en een vergadering waarin het ontslagbesluit werd genomen, werd het ontslag definitief. Eiseres stelde dat het besluit vernietigbaar was wegens strijd met statutaire bepalingen en de redelijkheid en billijkheid, en dat zij onvoldoende gelegenheid had gehad zich te verantwoorden.

De rechtbank oordeelde dat eiseres wel degelijk gelegenheid had gehad tot wederhoor, ook al was zij ziek tijdens de vergadering, omdat zij zich schriftelijk had kunnen uiten via haar advocaat. De formele en materiële toetsing van het besluit leidde tot de conclusie dat het ontslagbesluit niet in strijd was met de statuten of de redelijkheid en billijkheid.

De rechtbank wees de vorderingen van eiseres af, veroordeelde haar in de proceskosten en verklaarde het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Het ontslagbesluit van de statutair bestuurder is niet vernietigbaar en de vorderingen van eiseres worden afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Limburg

Civiel recht
Zittingsplaats Maastricht
Zaaknummer: C/03/338042 / HA ZA 25-36
Vonnis bij vervroeging van 10 december 2025
in de zaak van
[eiseres],
wonend te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M. Saes,
tegen
DE STICHTING ZIO EERSTELIJNSZORG,
gevestigd te Maastricht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: Zio,
advocaat: mr. B. Schouten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 40
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 21
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de door [eiseres] in het geding gebrachte aanvullende producties 41 tot en met 46
- de spreekaantekeningen van mr. Saes
- de spreekaantekeningen van mr. Schouten
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 9 september 2025.
1.2.
Vervolgens is de zaak aangehouden en hebben partijen getracht een minnelijke regeling te bewerkstelligen.
1.3.
Bij rolbericht van 29 oktober 2025 heeft [eiseres] medegedeeld dat partijen geen overeenstemming bereikt hebben en heeft zij de rechtbank verzocht vonnis te wijzen.
1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Zio houdt zich bezig met het ondersteunen van eerstelijnszorgverleners in de regio Maastricht-Heuvelland, het sluiten van contracten met partijen in het kader van ketenzorg en met zorgverzekeraars, het bevorderen van de kwaliteit van de zorg, het behartigen van de belangen van de Vereniging Regionale HuisartsenZorg (hierna: RHZ) en andere beroepsverenigingen in de eerstelijnszorg indien daartoe een mandaat is verstrekt.
2.2.
In de statuten van Zio staat voor zover relevant [1] :
“Artikel 3
(…)
2. De bestuurders worden benoemd door de raad van toezicht. (…)
8. Een bestuurder kan door de raad van toezicht worden geschorst.
Na een schorsing wordt binnen vier weken een nieuwe vergadering van de raad van toezicht gehouden. In die vergadering wordt besloten of de schorsing wordt opgeheven, de schorsing wordt verlengd of de betreffende bestuurder wordt ontslagen. Een schorsing kan in totaal nooit langer dan drie maanden duren. De schorsing vervalt als geen besluit tot verlenging wordt genomen binnen de hiervoor vermelde termijn van vier weken of als na verloop van drie maanden geen besluit tot ontslag van de betreffende bestuurder is genomen. (...)
Artikel 9
(…)
3. De raad van toezicht vraagt advies aan het bestuur voordat een besluit wordt genomen over de samenstelling van het bestuur.
Een besluit van de raad van toezicht:
  • tot schorsing of verlenging van schorsing van een bestuurder of van een lid van de raad van toezicht;
  • tot ontslag van een bestuurder of van een lid van de raad van toezicht;
  • inhoudende constatering dat een bestuurder niet meer voldoet aan de eisen vermeld in artikel 3 lid Pro 4;
wordt genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin alle leden van de raad van toezicht aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
De betreffende persoon wordt steeds in de gelegenheid gesteld zich te verantwoorden in een vergadering waarin deze besluiten over hem besproken worden en hij kan zich daarin door een raadsman doen bijstaan. (…)”
2.3.
[eiseres] heeft van 18 juli 2022 tot 16 januari 2023 de functie van interim bestuurder van Zio bekleed. De Raad van Toezicht van Zio (hierna: RvT) heeft [eiseres] met ingang van
16 januari 2023 benoemd tot statutair bestuurder van Zio. Per die datum is [eiseres] ook bij Zio in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd met een looptijd van vier jaar. [2]
2.4.
Bij [eiseres] is eind december 2022 een assessment afgenomen. Daaruit is een aantal ontwikkelpunten gekomen. [eiseres] heeft vervolgens een coachingstraject doorlopen.
2.5.
Op 23 augustus 2023 heeft er een gesprek plaatsgevonden tussen [eiseres] en de (remuneratiecommissie van) de RvT, bestaande uit de heer [naam 1] en mevrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ). Tijdens dit gesprek heeft de RvT aan [eiseres] meegedeeld dat zij onvoldoende ontwikkeling liet zien op eerder (in het assessment) gesignaleerde aandachtspunten in het functioneren. De RvT heeft voorgesteld een 360-graden feedback te laten plaatsvinden.
2.6.
De rapportage van de 360-graden feedback die de RvT van [eiseres] ontving, voldeed niet aan de verwachtingen van de RvT. Vervolgens zijn er afspraken gemaakt aan wie [eiseres] nog feedback zou vragen.
2.7.
Op 2 november 2023 heeft de RvT een brief van het RHZ-bestuur ontvangen, waarin het RHZ bestuur grote zorgen uitspreekt over [eiseres] als bestuurder van Zio. [3] Kort samengevat wordt er gesproken over een gebrek aan verbinding, het gemis van bestuurlijke ondersteuning, het gebrek aan zichtbaarheid en dat moeilijk te peilen is waar [eiseres] als bestuurder in hoofdlijnen mee bezig is.
2.8.
De RvT heeft [eiseres] verzocht om schriftelijk te reageren op de inhoud van voormelde brief van het RHZ-bestuur, waarna RvT met het RHZ-bestuur en [eiseres] in gesprek zou willen gaan. Dit is er niet van gekomen, omdat [eiseres] zich op
6 november 2023 heeft ziekgemeld.
2.9.
Tijdens een heisessie op 10 november 2023 zijn er door de controller en de bestuurssecretaris van Zio zorgen geuit over het functioneren van [eiseres] als bestuurder. [4]
2.10.
Op 24 november 2023 heeft er op initiatief van de interne en externe vertrouwenspersonen een gesprek plaatsgevonden met de RvT. De vertrouwenspersonen hebben een aantal meldingen ontvangen over [eiseres] , die gaan over misbruik van positie, machtsmisbruik, het onder druk zetten van medewerkers en het creëren van een onveilige werksituatie. [5]
2.11.
Op 27 november 2023 heeft de RvT een brief van de Ondernemingsraad (hierna: OR) van Zio ontvangen waarin zorgen geuit worden over het functioneren van [eiseres] als bestuurder. [6]
2.12.
Op 7 december 2023 heeft de bedrijfsarts geconstateerd dat het contact tussen [eiseres] en de RvT niet optimaal verloopt. In het plan van aanpak wordt geadviseerd om een gesprek aan te gaan om dit bespreekbaar te maken zodra [eiseres] daartoe in staat is. [7]
2.13.
Vanaf 1 januari 2024 is de heer [naam interim bestuurder] benoemd als interim bestuurder van Zio.
2.14.
Op 9 februari 2024 heeft de RvT een brief van mr. Dijk ontvangen, waaruit blijkt dat [eiseres] hem eind augustus 2023 verzocht heeft nader onderzoek te verrichten naar de juistheid van het door de RvT gevoerde toezicht en naar mogelijke taakverwaarlozing. Ter voortzetting van zijn onderzoek verzoekt mr. Dijk de RvT om relevante stukken te overleggen. [8] Een brief met een vergelijkbare inhoud heeft mr. Dijk ook aan de OR van Zio gestuurd. [9]
2.15.
De RvT neemt het [eiseres] kwalijk dat zij een advocaat heeft verzocht onderzoek te doen naar de taakuitvoering door de RvT, zonder de RvT hierin te kennen of hierover eerst met de RvT in gesprek te gaan. De RvT verwijt [eiseres] haar handelwijze te meer, omdat artikel 11 van Pro het bestuursreglement een geschillenregeling bevat.
2.16.
De bedrijfsarts heeft op 27 februari 2024 geadviseerd om per 4 maart 2024 te starten met re-integratieactiviteiten. [10]
2.17.
Door de gang van zaken heeft [naam 2] , lid van de RvT, aan [eiseres] meegedeeld dat er eerst een gesprek dient plaats te vinden alvorens [eiseres] haar werkzaamheden kan hervatten. [eiseres] heeft laten weten dat zij conform het advies van de bedrijfsarts wil starten met haar re-integratie en dat zij bereid is een gesprek aan te gaan zodra dat medisch gezien toelaatbaar is.
2.18.
Op 29 februari 2024 heeft [naam 2] aan [eiseres] per WhatsApp laten weten dat ze haar namens de RvT een e-mailbericht heeft gestuurd en dat daarin een reactie wordt gevraagd vóór 1 maart 14:00 uur. Toen [eiseres] per WhatsApp op 1 maart 2024 aangaf geen e-mail te hebben ontvangen, heeft [naam 2] als reactie daarop geschreven de e-mail nogmaals te verzenden. [11]
2.19.
Bij besluit van 1 maart 2024 heeft de RvT [eiseres] geschorst als bestuurder. Daarin staat voor zover relevant [12] :
-
De Bestuurder momenteel arbeidsongeschikt is en heeft aangegeven dat zij in het kader van de re-integratie voornemens is haar werkzaamheden (gedeeltelijk) te hervatten;
-
De Raad van Toezicht de Bestuurder heeft gevraagd de aanvang van de werkzaamheden in het kader van de re-integratie tot nader order uit te stellen, in ieder geval tot de Raad van Toezicht een of meerdere gesprekken met de Bestuurder heeft kunnen voeren over de ontstane bestuurlijke situatie, maar de Bestuurder kenbaar heeft gemaakt dat zij deze werkzaamheden wel zal aanvangen en dat zij bovendien op dit moment niet bereid is het gesprek te voeren met de Raad van Toezicht; (…)
-
De Raad van Toezicht het in het belang van de organisatie en haar medewerkers hoogst onwenselijk vindt dat bestuurder onder de huidige omstandigheden wordt toegelaten tot haar werkzaamheden, mede gelet op de verstoorde verhoudingen en de grote onrust die door hervatting van de werkzaamheden van de Bestuurder zou ontstaan;
-
De Raad van Toezicht op grond van de statuten bevoegd is de Bestuurder te schorsen;
-
De Raad van Toezicht op grond van de statuten overleg pleegt met de directie over een voorgenomen besluit tot schorsing en dit overleg ten aanzien van de Bestuurder heeft plaatsgevonden door de Bestuurder in kennis te stellen van het voornemen tot schorsing en haar in de gelegenheid te stellen haar zienswijze op dit voorgenomen besluit te geven, maar de Bestuurder niet tijdig van die gelegenheid gebruik heeft gemaakt; (…)
En besluit hierbij als volgt:
1.
De Bestuurder wordt met ingang van 1 maart 2024 geschorst als bestuurder van de Stichting.
2.
In lijn met artikel 3 lid 8 van Pro de statuten van de Stichting duurt deze schorsing ten hoogste 4 weken, waarna verlenging van de schorsing mogelijk is. (…)”
2.20.
Bij brief van haar advocaat van 14 maart 2024 heeft [eiseres] gesteld dat het besluit van 1 maart 2024 nietig dan wel vernietigbaar is. Daarbij heeft zij opgemerkt dat zij de
e-mail met het (voornemen tot het) schorsingsbesluit niet heeft ontvangen van [naam 2] en dat zij het schorsingsbesluit op 5 maart 2024 heeft ontvangen. [13]
2.21.
Bij brief van haar advocaat van 18 maart 2024 heeft de RvT laten weten dat zij geen reden ziet om het schorsingsbesluit in te trekken. [14]
2.22.
Bij brief van 28 maart 2024 heeft de RvT aan [eiseres] bericht dat de schorsing wordt verlengd tot en met de RvT vergadering van 12 april 2024 alsmede dat de RvT voornemens is [eiseres] op die vergadering als bestuurder te ontslaan. [eiseres] is uitgenodigd om bij die vergadering aanwezig te zijn dan wel schriftelijk haar zienswijze in te dienen. Tevens is [eiseres] uitgelegd dat een ontslagbesluit als bestuurder niet een beëindiging van de arbeidsovereenkomst tot gevolg heeft en dat bij een ontslagbesluit ingezet zal worden op re-integratie in het tweede spoor. [15]
2.23.
[eiseres] heeft de vergadering van de RvT op 12 april 2024 (wegens medische redenen) niet bijgewoond. [eiseres] heeft via haar advocaat een schriftelijke zienswijze ingediend en zij heeft de RvT verzocht deze reactie tijdens de RvT vergadering te bespreken en mee te wegen in haar overweging. [16]
2.24.
Tijdens de vergadering van 12 april 2024 heeft de RvT besloten tot ontslag van [eiseres] als statutair bestuurder van Zio. [17] Voorafgaand aan het ontslagbesluit heeft de OR op grond van artikel 30 WOR Pro positief geadviseerd over het ontslag van [eiseres] . [18]
2.25.
[eiseres] heeft Zio laten weten dat volgens haar het ontslagbesluit op oneigenlijke gronden is genomen.
2.26.
Zio heeft [eiseres] op 27 mei 2024 laten weten dat het vennootschapsrechtelijke ontslagbesluit rechtsgeldig is verleend. [19]
2.27.
Vanaf 15 oktober 2024 is de heer [naam bestuurder 1] benoemd tot bestuurder van Zio. Hij vormt thans een tweehoofdig bestuur met de heer [naam bestuurder 2] , die per 1 januari 2025 tot bestuurder is benoemd.
2.28.
Partijen hebben getracht het geschil in der minne op te lossen, hetgeen niet gelukt is.

3.Het geschil

3.1.
[eiseres] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  • voor recht verklaart dat het ontslagbesluit van 12 april 2024 van [eiseres] als bestuurder van Zio vernietigbaar is;
  • Zio veroordeelt om [eiseres] toe te laten tot het verrichten van haar werkzaamheden in de functie van bestuurder, voor zover dit past binnen haar reintegratie-werkzaamheden, en haar in dat kader de toegang te verlenen tot alle terreinen en de digitale werkomgeving van Zio, haar toe te staan haar taken als bestuurder en haar vertegenwoordigingsbevoegdheid uit te oefenen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  • Zio veroordeelt in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.
Zio voert verweer.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

Inleiding
4.1.
[eiseres] heeft een ‘dubbele’ rechtspositie. Zij is namelijk zowel (statutair) bestuurder van Zio als werkneemster. Voor haar rechtspositie als bestuurder gelden de regels van het rechtspersonenrecht, voor haar rechtspositie als werkneemster de regels van het arbeidsrecht. In dit geschil gaat het enkel om haar rechtspositie als bestuurder.
4.2.
Buiten rechte heeft [eiseres] zich op het standpunt gesteld dat het schorsingsbesluit nietig dan wel vernietigbaar is. [20] In deze procedure heeft [eiseres] geen vordering ingesteld met betrekking tot het schorsingsbesluit, zodat enkel de gestelde vernietigbaarheid van het ontslagbesluit ter beoordeling voorligt.
Toetsingskader
4.3.
Het rechtspersonenrechtelijk ontslag van een bestuurder is onderworpen aan de eisen die aan de besluitvorming worden gesteld in boek 2 BW. Voor zover relevant voor deze zaak, geldt dat op grond van artikel 2:15 lid 1 BW Pro een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is indien het besluit (a) in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of (b) in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW Pro worden geëist.
4.4.
Artikel 2:15 BW Pro is van toepassing op rechtspersonen, waaronder stichtingen. Een bestuurder van een stichting kan zelf, zowel privé als in zijn hoedanigheid van bestuurder, een vordering tot vernietiging van een besluit instellen. Zio heeft, zoals voorgeschreven in artikel 2:286 lid 4 BW Pro, in haar statuten het ontslag van bestuurders van stichtingen geregeld. [21]
4.5.
In artikel 2:8 BW Pro is bepaald dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Toetsingsmaatstaf daarbij is de vraag of het orgaan dat het besluit heeft genomen bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW Pro bedoelde personen in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Dit veronderstelt een marginale toetsing van het bestreden besluit. Het is niet aan de rechter om de aan het besluit ten grondslag liggende belangenafweging volledig te toetsen. Uit de aard van de rechtsbetrekking van de bestuurder tot de rechtspersoon volgt dat een besluit tot ontslag van een bestuurder niet snel in strijd is met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW Pro. Het geven van ontslag is immers een vergaande discretionaire bevoegdheid van het daartoe bevoegde orgaan van de rechtspersoon.
Geen vernietiging ontslagbesluit
4.6.
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat het ontslagbesluit om twee redenen vernietigbaar is.
Artikel 2:15 lid 1 aanhef Pro en onder a BW
4.7.
Allereerst is er volgens [eiseres] sprake van strijd met een statutaire bepaling (artikel 2:15 lid 1 aanhef Pro en onder a BW), meer in het bijzonder artikel 9 lid 3 van Pro de statuten van Zio. [eiseres] vindt dat zij geen adequate gelegenheid gehad heeft zich te verantwoorden in de vergadering.
4.8.
Van strijd met artikel 9 lid 3 van Pro de statuten [22] , zoals [eiseres] stelt, is geen sprake. Vaststaat dat [eiseres] tijdens haar ziekte is uitgenodigd voor de vergadering van de RvT, waarop haar voorgenomen ontslag stond geagendeerd. [eiseres] heeft de vergadering niet bijgewoond omdat zij ziek was. In de gegeven omstandigheden leidt dit echter niet tot vernietigbaarheid van het ontslagbesluit. [eiseres] heeft zich immers laten bijstaan door een advocaat en met haar brief van 14 maart 2024 een uitgebreide schriftelijke zienswijze op het voorgenomen ontslag gegeven. Zij heeft daarmee van de geboden gelegenheid gebruikgemaakt om haar standpunt ten aanzien van het ontslag kenbaar te maken. De advocaat van [eiseres] heeft puntsgewijs de voorgedragen redenen waarom de RvT voornemens was over te gaan tot ontslag, besproken en weerlegd. [eiseres] heeft in haar spreekaantekeningen betoogd dat zij niet beschikte over alle feiten om zich te kunnen verweren. In dat verband stelt zij dat de brandbrief van RHZ van 2 november 2023 en de brief van de OR haar niet bekend waren. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit de zienswijze van [eiseres] volgt dat ze wel bekend was met de brief van RHZ van
2 november 2023. Zij citeert in haar zienswijze uit die brief van RHZ en reageert erop. Ook is zij in haar zienswijze ingegaan op haar verhouding tot de OR. In de aankondiging van het ontslag [23] is een uitgebreid relaas gegeven wat de redenen van het voorgenomen ontslag zijn. De ontslaggronden in het ontslagbesluit [24] zijn gelijk aan de gronden in het voorgenomen ontslag. [25] Aan het beginsel van wederhoor is naar het oordeel van de rechtbank dan ook voldaan.
4.9.
Volledigheidshalve overweegt de rechtbank dat uit de overgelegde stukken [26] blijkt dat ook voldaan is aan de andere twee formele eisen van artikel 9 lid 3 van Pro de statuten. De RvT heeft advies aan het bestuur gevraagd voordat het besluit tot ontslag is genomen en het besluit is genomen met een meerderheid van ten minste twee derde van de uitgebrachte stemmen in een vergadering waarin alle leden van de RvT aanwezig of vertegenwoordigd zijn.
4.10.
De slotsom is dat het ontslagbesluit niet vernietigbaar is op grond van artikel
2:15 lid 1 aanhef en onder a BW.
Artikel 2:15 lid 1 aanhef Pro en onder b BW
4.11.
Verder stelt [eiseres] dat het ontslagbesluit in strijd is met de in artikel 2:8 BW Pro bedoelde redelijkheid en billijkheid, als gevolg waarvan het ontslagbesluit vernietigd moet worden (artikel 2:15 lid 1 aanhef Pro en onder b BW). Volgens [eiseres] heeft de RvT zich niet mede laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van [eiseres] bij het nemen van het ontslagbesluit. Daartoe voert zij aan dat er geen rekening is gehouden met het gerechtvaardigde belang van [eiseres] zich te verweren tegen het ontslagbesluit (wederhoor). Verder stelt [eiseres] in dit verband nog dat er geen rekening is gehouden met (het behouden van) haar (goede) reputatie. Het diffamerende karakter van het ontslagbesluit is niet afdoende meegenomen in de besluitvorming. Tot slot meent [eiseres] dat evenmin rekening is gehouden met haar belang bij re-integratie. Het ontslagbesluit belemmert immers haar re-integratie (binnen haar eigen functie).
4.12.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 26 oktober 1984 [27] volgt dat er bij een ontslagbesluit alleen kan worden getoetst aan de eisen van de goede trouw die bij het tot stand komen van het besluit in acht dienen te worden genomen. Strijd met de eisen van de vennootschapsrechtelijk in acht te nemen goede trouw kan niet (uitsluitend) gebaseerd worden op de ontslaggronden. Hoewel deze toetsnorm ontwikkeld is in de context van een besloten vennootschap, is deze toetsnorm van de Hoge Raad ook toepasbaar in het geval van een ontslag van een bestuurder van een stichting door de RvT.
4.13.
Ten aanzien van het door [eiseres] gestelde gerechtvaardigde belang van wederhoor verwijst de rechtbank naar hetgeen hierover reeds hiervoor in rov. 4.8. is geoordeeld. Het principe van wederhoor is correct toegepast. Verder is er geen sprake van een situatie waarin de RvT in redelijkheid niet tot het ontslagbesluit heeft kunnen komen. Het feit dat partijen van mening verschillen over de aard en ernst van de verwijten die in dit verband aan [eiseres] worden gemaakt, rechtvaardigt niet de conclusie dat artikel 2:8 BW Pro is geschonden.
Sinds augustus 2023 is de RvT met [eiseres] in gesprek over de zorgen die er zijn over haar functioneren en competenties als bestuurder. [28] Verder bestaan er problemen in de samenwerking tussen [eiseres] en het bestuur van RHZ. In juli 2023 heeft het bestuur van RHZ schriftelijk haar zorgen geuit bij de RvT over de competenties van de bestuurder [29] , hetgeen uiteindelijk geresulteerd heeft in het opzeggen van het vertrouwen in bestuurder [eiseres] . Sinds de ziekmelding van [eiseres] heeft de RvT diverse signalen vanuit de organisatie ontvangen, waaronder van de vertrouwenspersonen, dat [eiseres] zich schuldig maakt aan machtsmisbruik, onder andere door het onder druk zetten van medewerkers, en daarmee een onveilige werksituatie creëert. [30] Ook de OR en enkele managers hebben hun zorgen geuit over het functioneren van [eiseres] . [31] In plaats van de dialoog aan te gaan, heeft het heimelijk instellen van een onderzoek door [eiseres] naar een mogelijke taakverwaarlozing door RvT niet bijgedragen aan een goede verstandhouding, onderling vertrouwen en transparantie. Gelet op de signalen uit de diverse gremia, te weten medewerkers, OR, vertrouwenspersoon en het bestuur van RHZ over (het functioneren van) [eiseres] mocht de RvT naar het oordeel van de rechtbank handelen zoals zij heeft gedaan.
4.14.
De conclusie is dat het ontslagbesluit ook niet vernietigbaar is op grond van artikel
2:15 lid 1 aanhef en onder b BW.
4.15.
Gelet op al het voorgaande wordt de vordering tot vernietiging van het ontslagbesluit afgewezen.
Geen toelating tot het verrichten van werkzaamheden in de functie van bestuurder en geen toegang tot de terreinen en digitale werkomgeving van Zio
4.16.
Nu hiervoor is geoordeeld dat het ontslagbesluit niet vernietigbaar is, brengt dit mee dat de vordering tot toelating tot het verrichten van werkzaamheden in de functie van bestuurder (voor zover dit past binnen de re-integratie) en het toegang verlenen tot de terreinen en digitale werkomgeving eveneens wordt afgewezen.
Proceskosten
4.17.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Zio worden begroot op:
- griffierecht
714,00
- salaris advocaat
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.120,00
5. De beslissing
De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
5.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiseres] in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.M. Etman en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
CJ

Voetnoten

1.productie 5 dagvaarding
2.productie 3 dagvaarding
3.productie 5 conclusie van antwoord
4.productie 7 conclusie van antwoord
5.productie 8 conclusie van antwoord
6.productie 10 conclusie van antwoord
7.productie 22 dagvaarding
8.productie 14 conclusie van antwoord
9.productie 15 conclusie van antwoord
10.productie 23 dagvaarding
11.productie 25 conclusie van antwoord
12.productie 27 dagvaarding
13.productie 28 dagvaarding
14.productie 30 dagvaarding
15.productie 33 dagvaarding
16.productie 34 dagvaarding
17.productie 35 dagvaarding
18.productie 20 conclusie van antwoord
19.productie 36 dagvaarding.
20.zie rov. 2.20.
21.zie rov. 2.2.
22.zie rov. 2.2.
23.productie 33 dagvaarding
24.productie 35 dagvaarding
25.productie 33 dagvaarding
26.productie 35 dagvaarding
27.Sjardin / Sjartec (NJ 1985, 375)
28.zie rov. 2.5.
29.zie rov. 2.7.
30.zie rov. 2.10.
31.zie rov. 2.11.